De komische film is bijna zo oud als het medium zelf. Het enige fictiefilmpje (dus met een “scenario”, hoe minimaal ook) dat de gebroeders Lumière draaiden was "L'arroseur arrosé"...
Slapstick
Met veel goede wil zou men dit reeds als een zogenaamde "slapstick" kunnen betitelen: gooi- en smijthumor ten koste van de evennaaste, wat nu als totaal "politically uncorrect" zou worden afgedaan! In het begin van de filmgeschiedenis was dit genre nochtans heel erg populair en dat was ook logisch, want in een tijd dat er nog geen klankfilm was, moest de humor wel visueel zijn. Slapstick is overigens ouder dan de film. Het is afkomstig uit het circus, de Commedia dell'Arte en de Music Hall en de benaming refereert dan ook aan de twee aan elkaar vastgemaakte plankjes die tegen elkaar werden geklapt, telkens er op de scène klappen werden uitgedeeld. Een andere benaming is "burlesque".
In Parijs draaide Max Linder in 1905 de eerste van zijn 500 kortfilms (tot 1925), terwijl in 1913 in Hollywood Mack Sennett zijn "Keystone Cops" en ook one-reelers (filmpjes met de duur van één spoel) met Charles Chaplin lanceert. In het spoor van "the tramp" (de eenzame zwerver) zouden ook Buster Keaton en Harold Lloyd een typetje creëren. Opvallend is dat zowel Chaplin, Keaton als Lloyd na verloop van tijd zichzelf begonnen te regisseren. Buster Keaton valt voor het eerst op in "One week" uit 1920. Een jaar later volgt "Sherlock junior" met Katherine McGuire. Een projectiebediende in een filmzaal heeft een nogal eentonig bestaan en ook in zijn privé-leven heeft hij met problemen te kampen. Daarom kruipt hij af en toe in de huid van een ster van het witte doek en wordt hij Sherlock Junior. Daarna volgt "The boat", "The navigator", "Go west" en "The general". Humor blijkt trouwens de tand des tijds beter te doorstaan dan dramatiek. De lachers gingen dan ook nog een tijdlang met stomme films door, omdat ze wel wisten dat deze gooi- en smijthumor beter aansloeg dan verbale humor. In "The cameraman" (Edward Sedgwick) schittert Buster Keaton nogmaals.
Harold Lloyd, in 1893 geboren, had in 1914 reeds het personage van Willie Work (haveloze schooier) gecreëerd. In 1915 schakelt hij over op Lonesome Luke (onbestemde zwerver), maar in 1917 vindt hij eindelijk zijn succestypetje als onbeholpen kantoorklerk. Eén van zijn films kreeg de titel "Safety last" mee en dat lijkt inderdaad wel het leidmotiv te zijn van Lloyd, niet alleen in zijn films, ook in de realiteit. Zo neemt hij rond deze tijd zo'n typische filmbom met lont (maar toch een echte!) in zijn hand en steekt ze aan met zijn sigaret. Nadat iedereen van de schrik is bekomen, stelt hij vast dat hij een duim en wijsvinger heeft verloren. Dankzij Daryl Zanuck die vroeger nog handschoenverkoper was geweest, wordt hem een handschoen aangepast, waarin twee namaakvingers zodanig zijn vastgemaakt dat ze meebewegen met de middenvinger. Het was zo goed gedaan dat men, zelfs in close-up, het nadien niet kon merken. In 1947 trekt hij zich terug uit filmbedrijf. In 1952 krijgt hij een speciale Academy Award en in 1971 is hij overleden.
In Mexico was er Cantinflas, in 1911 geboren als Mario Moreno Reyes in Mexico City uit een arm gezin. Hij was begonnen als straatdanser tot hij in 1940 debuteerde in "Ahi està el detalle". Het was meteen een succes. Zijn stijl deed aan Charlie Chaplin denken, die trouwens zelf over hem verklaarde dat hij de "grootste nog levende komiek" was. Hij was reeds een superster in Mexico (met een miljoeneninkomen) toen hij de rol van Passepartout vertolkte in "Around the world in eighty days". Toch vergat hij nooit zijn afkomst en gaf dus ook veel geld uit aan benefiettoestanden. In april 1993 is hij overleden aan longkanker. Zijn invloed was zo groot dat zijn naam zelfs het ontstaan heeft gegeven aan een nieuw Spaans werkwoord: cantinflear betekent veel babbelen maar weinig zeggen.
Music Hall-traditie
De meeste van deze komieken waren voordien actief in het Music Hall-circuit en bij Laurel en Hardy herkennen we trouwens de rolverdeling van grapjas en aanbrenger die in dat milieu gangbaar is. Stan Laurel (°Engeland, 1890) vestigde zich in 1917 in de V.S. als lid van dezelfde variété-groep als Charlie Chaplin. Hij was zelfs de understudy van Chaplin. Hij is in 1965 overleden. Hij vormde een onafscheidelijk duo met Oliver Hardy (°Harlem, 18/1/1892-7/8/1957) en dat sedert 1927 in "The second hundred years". Dat was echter reeds de derde film dat ze samen speelden. De eerste dateert uit 1921 ("The Lucky Dog"), maar hier zou men het gewoon toeval kunnen noemen dat ze samen in een film stonden, want aan een duo dacht toen nog niemand. Dat gebeurde pas in 1926 toen Hal Roach hen samenbracht voor "Duck soup" (niet te verwarren met de film van The Marx Brothers). Roach vond hen zo'n geslaagd duo dat hij Laurels toenmalige partner May Dahlberg betaalde om terug te keren naar Australië en daar ook te blijven. Laurel vormde tot dan immers met haar ook een paar op de scène, maar zij was helemaal niet van zijn niveau. Later zou ze uiteindelijk toch terugkeren en Laurel een proces aandoen omdat ze "zo niet wettelijk dan toch in de feiten" zijn vrouw was. Laurel zou zich trouwens zijn hele leven lang blauw betalen aan diverse alimentaties. Ook Oliver Hardy was net als Stan Laurel getrouwd met een filmactrice, maar ook dat was niet echt wat je noemt een gelukkig huwelijk. De carrière van Hardy's vrouw liep op niets uit en toen begon ze te drinken, zodat Hardy meer tijd spendeerde in de Country Club dan thuis.
Hardy, die in 1948 een merkwaardig solo-optreden heeft naast John Wayne in de western "The fighting Kentuckian" van George Waggner, was overigens zeer weinig in film geïnteresseerd: hij liet doorgaans Stan Laurel al het schrijfwerk doen en haastte zich na de opnamen terug naar het golfterrein. Anderzijds was hij wel heel lief voor de kinderen van Stan. Oliver Hardy was als kind erg verwend (vandaar zijn corpulentie) en mocht cello gaan studeren op het conservatorium. Hij liet deze studies echter voor wat ze waren toen hij als zanger aan de slag kon gaan in bioscoopzalen (we spreken uiteraard nog over de tijd van de stille film). Ook later, als ze succesvol de overstap naar de sprekende film hebben gemaakt, zou Oliver nog geregeld een lied ten beste geven.
In 1938 is er "Blockheads", waarin Laurel pas twintig jaar na datum verneemt dat de oorlog gedaan is. In de jaren negentig verscheen hiervan een ingekleurde versie, die men moet verafschuwen als men "politically correct" wil zijn, maar om eerlijk te zijn: het is erg goed gedaan. De kleuren zijn een beetje afgewassen, precies zoals dat ook in die tijd zou zijn. De onderliggende toon dat twee mannen samen het toch beter hebben dan met een vrouw werd in die tijd blijkbaar niet als een hint van homofilie beschouwd (cfr.de scène waarbij Oliver denkt dat Stan een been verloren heeft). Maar toch ligt het voor de hand dat er een homoseksuele ondertoon is bij dergelijke "vriendschap onder mannen" (zie ook "Gloed" van Sandor Marai). Het meest opvallend wordt hierop gealludeerd in "Their first mistake" uit 1930. Als Oliver Hardy - nota bene: onder zijn eigen naam, net als Stan (*) - door zijn echtgenote wordt afgeranseld omdat hij meer met Stan optrekt dan met haar, vlucht hij in het appartement van Stan, dat overigens vlak tegenover dat van het echtpaar Hardy ligt. Stan weet natuurlijk weer van toeten of blazen en in een merkwaardig gesprek dat (zonder enige reden) in bed plaatsvindt en waarbij zowel Stan als Ollie zich letterlijk in merkwaardige bochten wringen, vraagt hij dan ook wat er nu eigenlijk aan de hand was.
Ollie: Ze verwijt me dat ik meer om jou geef dan om haar.
Stan: Dat is toch zo?
Ollie: Laten we daar nu maar niet verder op ingaan.
Wanneer Stan Ollie de raad geeft een baby te adopteren (niet te maken!) opdat zijn vrouw "wat omhanden zou hebben", wordt het plan juist te laat uitgevoerd: Oliver is door zijn vrouw in de steek gelaten en ook Stan krijgt van haar een dagvaarding "omdat hij haar man van haar heeft vervreemd."
In wat volgt krijgen we dan o.m. alweer een komische bedscène, waarbij Stan zich tegen Ollie aanschurkt (deze laatste denkt dat het de baby is en geeft Stan de fles).
In 1943 draaien Laurel & Hardy "Jitterbugs", maar hun populariteit is dan al aan het tanen ten voordele van Abbott & Costello. In 1951 draaien ze dan ook hun allerlaatste film, "Atoll K", een Frans-Italiaanse productie die in de VS als "Robinson Crusoe-land" werd uitgebracht. Het werd een dubbele ramp. Bovendien was Stan Laurel toen al zwaar ziek (suikerziekte). De film flopte, maar op het continent waren ze nog altijd erg populair, daarom besloten ze hier een theatertournee te maken. Zo kwam het duo in 1947 nog naar Brussel, meer bepaald in de Alhambra, nabij het Brouckèreplein.
Ondanks het feit dat Stan Laurel het eerste ziek was geworden, was het toch Oliver Hardy die het eerste stierf aan een hartstilstand ten gevolge van een drastische vermageringskuur, die hij echter juist moest ondergaan omdat hij anders dreigde te overlijden aan een hartaanval!
Laurel & Hardy stonden model voor tal van dergelijke duo's, zoals Abbott en Costello, Bob Hope en Bing Crosby (The road to Morrocco, David Butler, 1942; Road to Rio, Norman Z.McLeod, 1947; Road to Bali, Hal Walker, 1952), Jerry Lewis en Dean Martin (Pardners van Norman Taurog, 1956), Eric Morecambe (1926-1984) en Ernie Wise ("The magnificent two"), Cheech Marin en Thomas Chong ("Nice dreams" een drugkomedie uit 1982 en bij ons is er natuurlijk Gaston & Leo! De problematiek van dergelijke komische duo's komt ook goed aan bod in het stuk “The Sunshine Boys” van Neil Simon. Voor de verfilming ervan in 1975 deed Herbert Ross een beroep op Walter Matthau en Jack Benny. Deze laatste stierf echter tijdens de opnames en werd dan maar vervangen door de onverslijtbare George Burns.
Men kon natuurlijk ook met méér dan twee zijn The Marx Brothers b.v. waren met drie (en soms zelfs met vier): "Duck soup" (Leo McCarey, 1933), "A night at the opera" (Sam Wood, 1935), "A day at the races" (Sam Wood, 1937). En er waren The Three Stooges, eveneens drie echte broers Moe, Larry Fine en Jerry (Curly) Howard, later vervangen door Curly-Joe De Rita (1910-1993), die in de jaren dertig de gekendste vaudeville act van Columbia waren. In de nieuwe samenstelling worden nog "The three Stooges meet Hercules" (1961), "Snow white and the three Stooges" (1961) en "The three Stooges in orbit" (1962) gedraaid. En er zijn natuurlijk The Beatles in "A hard day's night" (1964) en "Help" (1965), twee films van Richard Lester, die zijn sporen reeds verdiend had in dit genre.
Het duo Dean Martin/Jerry Lewis deed het echter niet zo goed en daarom besloten ze beide een solocarrière uit te bouwen. In het komische genre is dan vooral Jerry Lewis van belang met The bellboy (Jerry Lewis, 1960), Who's minding the store? (Frank Tashlin, 1961), The patsy (Jerry Lewis, 1964) en Boeing Boeing (John Rich, 1965). Op latere leeftijd maakte Jerry Lewis ook ernstige films, al reflecteren die vaak op zijn carrière als komiek. Zo was er in 1996 "Funny bones" van Peter Chelsom met Oliver Platt, Leslie Caron en Oliver Reed, waarin Jerry Lewis als mislukte komiek uit Amerika terugkeert naar Blackpool.
Andere personages die zo uit de wereld van de Music Hall zijn gestapt, waren o.a. Mae West en W.C.Fields. Deze laatste was de levende illustratie van het feit dat een komisch acteur geen komisch mens hoeft te zijn, alhoewel de omgeving die twee vaak verwart (denk aan de bekende "loodgietersmop" van Urbanus). Dat uit zich o.m. ook in het feit dat, alhoewel komische films uiteraard ook zeer geliefd zijn bij de allerkleinsten (vooral als het gooi- en smijthumor betreft), deze doelgroep zeker niet door de komedianten in hun hart wordt gedragen. Ook hier kunnen we weer naar een bekende grap verwijzen, namelijk die van Groucho Marx ("I don't like Junior crossing the road, in fact I don't like Junior"), maar W.C.Fields is daar toch het supreme voorbeeld van. Dat de werkelijkheid dan vaak cynischer blijkt te zijn dan de fantasie van de filmwereld, mag dan geïllustreerd worden door het feit dat de kleine Christopher, het zoontje dat Anthony Quinn bij zijn wettelijke echtgenote Katherine De Mille zeer tegen de wil van vader Cecil had verwekt, de dood vond in het zwembad van Fields.
Fields' imago als kinderhater, werd later verdergezet door Clifton Webb in films, zoals "Mr.Belvedere goes to college" (Elliott Nugent, 1949). Ook Rick Moranis mishandelt kinderen in "Honey, I shrunk the kids" (1991). Later zullen de Disney-studio's met een sequel uitpakken. Na "Honey, I shrunk the kids" moest haast automatisch "Honey, I blew up the kids" volgen en "to blow up", "opblazen", is helaas niet in de betekenis van "dynamiteren" gebruikt (en in de Disney-studio's mag je je zeker niet verspreken en zeggen: "Honey, I blew the kid!", een doordenkertje voor "dirty old men" - and women).
Ravissantes idiotes
Op het vasteland gaat vooral Frankrijk terug op een traditie van eigen humor, die niet steeds overal wordt gesmaakt, vertrekkende van Sacha Guitry (bij wie men zelfs nog invloed van Molière kan herkennen!) over Fernandel ("Le petit monde de Don Camillo" van Julien Duvivier, 1951; "Le retour de Don Camillo" van Julien Duvivier, 1953; "La grande bagarre de Don Camillo" van Carmine Gallone, 1955; "La vache et le prisonnier" van Henri Verneuil, 1959; "Don Camillo, monseigneur" van Carmine Gallone, 1961), Bourvil (uit 1967: "Les cracks" van Alex Joffé en uit 1968: "Le Cerveau" van Gérard Oury) en Louis de Funès tot Pierre Richard en Coluche, die in 1981 reeds "Le maître d'école" had gedraaid met Claude Berri en in 1983 "Tchao Pantin". Kort daarna is hij presidentskandidaat en stichter van de "restos du coeur" (armenkeukens). Op 19 juni 1986 is hij echter overleden in een moto-ongeval.
In 1970 ontdekken we in "Le distrait" Pierre Richard, die een jaar later zijn typetje van onhandige maar sympathieke kluns nog eens overdoet in "Les malheurs d'Alfred", opnieuw in een eigen regie. Het is echter in een regie van Yves Robert dat hij echt doorbreekt, namelijk met "Le grand blond avec une chaussure noire". In 1974 is hij in zo maar eventjes drie films te zien: "La course à l'échalote" (Claude Zidi), "Le retour du grand blond" (Yves Robert) en "La moutarde me monte au nez" (Claude Zidi). In 1978 volgt dan opnieuw een eigen film, "Je suis timide mais je me soigne" en ook "La carapate" van Gérard Oury uit 1979 mag er nog zijn, maar dan gaat het met "C'est pas moi, c'est lui" (Pierre Richard en Alain Godard) uit 1980 bergaf. Als duo met Gérard Depardieu komt hij er nog eens opnieuw door in "Le coup de parapluie" (Gérard Oury) uit 1981 en in "La chèvre" en "Les fugitifs" (Francis Veber).
Heel anders, helemaal niet verbaal en daarom universeel gesmaakt is Jacques Tati, de zoon van een Russische vader en een Nederlandse moeder, het Franse antwoord op Charles Chaplin. In 'Mon Oncle' (Frankrijk, 1958) wordt Tati's personage Monsieur Hulot, de vleesgeworden onhandigheid, geconfronteerd met de organisatiedrift van zijn neef, de industrieel en controlefreak Arpel. Arpels huis is uitgerust met allerlei futuristische snufjes, maar zijn zoontje Gerard vindt het chaotische huis van oom Hulot veel gezelliger. Jacques Tati is de meester van de klankband in het slapstick‑genre. Het mimespel van Monsieur Hulot, de caleidoskopische structuur en de vele gags doen denken aan de films uit de eerste periode. "Les vacances de Monsieur Hulot" (1953) schetst de verveling, de flaters en de toevallige samenloop van omstandigheden tijdens een vakantie aan zee. De losse pantomime‑scènes zijn niet zozeer door een verhaal verbonden, dan wel door de herhaling van plaatsen en personages en het ritme van de geluidsband. Het herhaaldelijk gebruik van de tune van de titelmelodie is de eenheidsscheppende factor bij uitstek. Neem daarbij de uitvergrote 'achtergrond'‑geluiden van de veer van de restaurantdeur, het herkenbare gesputter van Hulots autootje en andere overtrokken geluiden, en je hebt een audiovisueel universum om je vingers bij af te likken. Dat kan je ook doen bij "Jour de fête" (1947), "Playtime" (1965) en "Trafic" (1972).
Ook zijn navolger Pierre Etaix is uitstekend. Deze is nog meer beïnvloed door mimespeler Marceau dan Tati! Doordat de hoofdpersoon in "Allez France" (Robert Dhéry, 1964) door een ingreep van de tandarts tot zwijgen gedwongen is, past ook deze film in deze reeks. Nog een volgeling is Yves Robert met "La famille Fenouillard" (1960) en "La guerre des boutons" (1961). Heel subjectief was mijn voorkeur voor "Parpaillon" van Luc Moullet (1994). Deze film gaat over de beklimming van deze Alpencol door diverse wielertoeristen. Men kan b.v. een splijtende demarrage meemaken van Karl Marx, die daarmee Jezus Christus ongenadig ter plaatse laat.
Nog in Frankrijk draven een hele reeks "adorables créatures" (Christian-Jacque, 1952) of "ravissantes idiotes" (Edouard Molinaro, 1963), vaak gebaseerd op Brigitte Bardot, op in films met scenario's van Michel Audiard (1920-1985) die zelf "Comment réussir dans la vie quand on est con et pleurnichard" (1973) draait. Daarnaast is er de verfrissende humor van "Colinot Trousse Chemise" (Nina Companeez) en "Home sweet home" van de Belg Benoit Lamy (uit 1973). De Fransen zullen van dan af echter de meesters van de ongein worden zoals in 1975 met "On a retrouvé la septième compagnie" (Robert Lamoureux) of in 1978 met "Les bronzés" (Patrice Leconte) of "Les rois du gag", zijnde Michel Serrault, Thierry Lhermitte, Coluche, Gérard Jugnot en Macha Méril. Met deze film van Claude Zidi is het echter huilen met de pet op i.p.v. huilen van het lachen (1985). Om nog van de films met Les Charlots te zwijgen!
Gelukkig bewijst af en toe een film als "Trois hommes et un couffin" (Colline Serreau, 1986) dat ze het nog niet helemaal verleerd zijn. Een jaar later werd het trouwens veramerikaanst tot "Three men and a baby" door Leonard "Spock" Nimoy.
Screwball comedy
"It happened one night" van Frank Capra won vijf oscars in 1934 en daarmee startte ook de rage van de screwball comedy. Dit typisch Amerikaanse genre was erg in de mode in de jaren dertig met actrices als Claudette Colbert, Rosalind Russell en Katharine Hepburn. Hun tegenspelers droegen namen zoals Clark Gable, James Stewart en Cary Grant, toch wel een illuster rijtje.
Het begrip "screwball comedy" is niet zo meteen te vertalen. De Oxford Dictionary maakt er zich iets te gemakkelijk vanaf door te verklaren dat een "screwball" een Amerikaans slang-woord is voor "a crazy person". Onze Urbanus b.v. is zeker een "crazy person", maar ik zou "Hector" of "Koko Flanel" toch niet als een "screwball comedy" bestempelen.
Een "screwball comedy" haalt de humor immers wel uit de krankzinnige toestanden die kunnen ontstaan bij een verhouding, liefst tussen twee compleet verschillende types, maar dan toch met een realistische ondertoon en zonder Jerry Lewis-achtige bekkentrekkerij. "Bringing up baby" van Howard Hawks uit 1938, waarin Katharine Hepburn met haar tijger de beendercollectie van professor Cary Grant om zeep helpt, moet zowat tegelijk het beste en ook het meest bekende voorbeeld van het genre zijn. Katharine Hepburn vertolkt een levenslustige erfgename die de stuntelige paleontoloog Cary Grant aan de haak wil slaan. Hepburn blijkt de nicht te zijn van mrs. Random, die een miljoen dollar aan Grants museum wil schenken. Haar hond George gaat aan de haal met het laatste been dat Grant nodig heeft voor een brontosaurusskelet. Voeg daar nog een tam luipaard (Baby), een rare majoor en een zatte concierge aan toe en je hebt de nodige ingrediënten voor een echte screwball comedy. Het gekibbel tussen man en vrouw, grappige dialogen, een razend tempo, helse achtervolgingscènes met visuele gags ‑ een overblijfsel uit de stille slapstick comedy ‑ je vindt ze alle terug in deze film. Hepburn en Grant krijgen volop de kans om uit te pakken met hun komisch talent. Regisseur Hawks leverde nog andere parels in het genre af zoals Twentieth Century (1934) en His Girl Friday (1940).
Grant is geknipt voor dat soort rollen, maar voor Hepburn was het haar eerste komedie. Ze stelde zich vreselijk aan op de scène en ze was bovendien totaal niet grappig. Enkel toen Hawks haar kon overtuigen dat ze iedereen op de zenuwen werkte en dat ze beter gewoon kon spelen alsof het een ernstige film betrof, begon de magie te werken.
Later heeft Peter Bogdanovich het gegeven van de verstrooide professor versus de vastberaden jonge vrouw nog eens overgedaan met Ryan O'Neal en Barbra Streisand in "What's up, Doc?" (1972).
De verklaring dat screwball uit baseball afkomstig is, lijkt me dan ook veel logischer en dat niet alleen omdat John Doe in de film van Frank Capra letterlijk een "screwball" wordt genoemd, terwijl hij ook een baseball-speler is. Nee, veel meer omdat het daar "een bal waarmee men alle kanten op kan" betekent. En in feite is dat ook het thema van een screwball comedy: van bij de aanvang is het duidelijk dat de twee personen (uiteraard van verschillend geslacht) "voor elkaar gemaakt zijn", maar ze zijn zozeer elkaars tegengestelde dat het niet duidelijk is hoe dit ooit gaat gebeuren. Men heeft hier ook de reden gezocht waarom dit genre nu juist zo populair was in een periode van economische crisis. Ondanks alle moeilijkheden heeft men immers toch de zekerheid dat het goed afloopt.
Vergeten we ook niet dat die moeilijkheden vaak ook klasseverschillen waren! En dan was het meestal de man die lager op de sociale ladder stond dan de vrouw. De vrouwen in screwball comedies zijn trouwens meestal de meerdere van de mannen. Ze zijn geestiger, ondernemender, soms zelfs intelligenter, al eindigt het natuurlijk wel plichtsgetrouw in een huwelijk, waarbij de vrouw haar eigen carrière opzij zet en moeder aan de haard wordt. In "Adam's rib" (George Cukor, 1949) b.v. komen Spencer Tracy en Katharine Hepburn als advocatenechtpaar tegenover elkaar te staan in een proces over een poging tot moord. Diezelfde Katharine Hepburn mag in "The Philadelphia Story" van George Cukor uit 1940 weliswaar een hele film lang het vrijgevochten (rijke) vrouwtje spelen, maar uiteindelijk kiest ze toch voor de conventie door haar eerste man (Cary Grant) boven de artistieke bohémien (James Stewart) te stellen. Het is zelfs in 1995 nog altijd het geval zoals in "Miami Rhapsody" van David Frankel, waar de hele film om overspel in zijn diverse vormen draait, maar wat toch uiteindelijk in een lofzang op het huwelijk uitmondt!
Er zijn wel beroemde uitzonderingen, zoals "His girl's friday" van Howard Hawks uit 1940, naar het stuk van Ben Hecht, of "Sullivan's travels" van Preston Sturges uit 1941. Sturges is ook de auteur van "Easy Living" (in 1937 verfilmd door Mitchell Leisen), wat door sommigen als het hoogtepunt van de screwball comedy wordt geciteerd.
Zelfs Alfred Hitchcock draait in 1941 een screwball comedy ("Mr.and Mrs.Smith") als vriendendienst aan Clark Gable, de man van Carole Lombard. Net op tijd, want zij verongelukte kort daarop.
In 1937 had ze al "Nothing Sacred" gedraaid van William A.Wellman, een klassieke screwball comedy in vroege Technicolor die vaak wordt vergeleken met Bringing Up Baby, dat echter pas een jaar later uitkwam. Bovendien is "Nothing Sacred" een stuk geestiger, snediger en politiek minder correct.
Deze romantische comedy vertelt het verhaal van een roddeljournalist (March), die de 'naderende' dood van een meisje (Lombard) uitbuit, maar tussen de helse actie en de cynische wisecracks door groeit natuurlijk een onweerstaanbare liefde. Producer David O. Selznick deed voor deze film beroep op William A. Wellman (1896‑1975). 'Wild Bill' Wellman was al een zeer gewaardeerd cineast tijdens de stille periode (o.m. met Wings, 1927), maar het was vooral met zeer uiteenlopende films als het bikkelharde “Public Enemy” (1931), het veel bekroonde “A Star is Born” (1937) en “Nothing Sacred” plaatste Wellman zich op de eerste rij van de Hollywood-regisseurs.
Hays Code
Met die (relatieve) vrouwelijke superioriteit zijn de screwball comedies eigenlijk toch wel uitzonderlijk, want doorgaans lopen vrouwen er voor spek en bonen bij in komedies. Het typevoorbeeld daarvan is de Engelse kortfilm "It's your move", waarin zowat alle Engelse komieken van die tijd optreden en slechts één vrouw. Haar rol bestaat er bovendien uitsluitend en overal in een (overigens zeer mooi) slipje rond te rennen wat aanleiding geeft tot seksistische grappen.
Screwball comedies gaan dus essentieel over seks, al valt er zo goed als niets in te zien op dat vlak, want ze vielen onder de restricties van de puriteinse Hays Production Code, die tijdens het draaien van de komische musical "The Merry Widow (1934) van Lubitsch officieel werd ingesteld. "Seduction is never the proper subject for comedy," zei de code. De film diende dan ook met een flinke scheut "Lubitsch‑touch" overgoten om de censors niet voor het hoofd te stoten en sprankelt daarom van inventieve humor. De dialogen zitten immers meestal vol met dubbele bodems.
"Trouble in Paradise", eveneens van Lubitsch, is een klassiek toonbeeld van de sophisticated comedy waarmee Lubitsch' naam onlosmakelijk verbonden is. De vederlichte suggestie waarmee hij censuurregels subtiel opzij schoof groeide uit tot een begrip: de Lubitsch-touch. Officieel gold de Hays Production Code, de censuur die Hollywood zichzelf oplegde, in 1932 nog niet. Maar de regels waren reeds bekend en richtinggevend, waardoor Lubitsch niet expliciet kon tonen wie wie verleidde. Maar het komisch effect van personages die steeds weer verschijnen in deuropeningen van andermans kamer, zegt genoeg.
Lubitsch had in zijn Duitse periode trouwens zelf nog komische rollen vertolkt, zo b.v. in "Dokter Satanssohn" van Edmund Edel uit 1916, waarin hij een komische draai geeft aan het bekende Faust-thema. Hier is het een oudere vrouw die er per se jong wil blijven uitzien (Cher?) en daarom tovert hij haar in het lichaam van haar dochter. Haar dochter zelf wordt in een beeldje veranderd. En alvast de verjongde moeder leefde nog lang en gelukkig... op voorwaarde dat ze zich niet liet kussen. Ook hier is er dus weer een parallel met Cher, want ik denk dat die zich met al die plastische chirurgie ook niet mag laten kussen...
Met "The miracle of Morgan's creek" (1944) liep Preston Sturges toch bijna tegen de lamp. Nu ja, het gegeven was dan ook niet mis. Norval Jones (Eddie Bracken) werkt als kleine bediende bij een bank. Hij was maar al te graag militair geworden, maar door zijn zwakke gezondheid was het onmogelijk zijn dromen te realiseren (in oorlogstijd was het blijkbaar een courant thema om de thuisblijvers te "excuseren" wegens hun zwakke gezondheid, denk maar aan "Hail the conquering hero!" van diezelfde Preston Sturges een jaar eerder met eveneens Eddie Bracken in de hoofdrol). Norval is altijd al verliefd geweest op Trudy (Betty Hutton). Hij is dan ook in de wolken wanneer ze hem voorstelt om samen naar de film te gaan. De volgende ochtend komt Trudy thuis, maar ze kan zich niets herinneren van haar avondje uit. Later vertelt ze haar zus Emmy (Diana Lynn) dat ze getrouwd is met een soldaat, wiens naam ze niet eens meer kent. Nog later ontdekt ze dat ze zwanger is. Emmy stelt dan voor dat Trudy met Norval zou trouwen...
In "The Philadelphia Story" draait de plot eveneens rond het feit of een dronken Hepburn het nu al dan niet met een al even dronken Stewart heeft gedaan. Maar belangrijker nog is dat heel de film wordt gesuggereerd dat het échte conflict gaat over het feit dat ze frigide is. Ze wordt herhaaldelijk een "bronzen beeld" genoemd, een "onaantastbare godin", een "eeuwige maagd" of een "ouwe vrijster ondanks het feit dat ze getrouwd is". Ook het drankprobleem van haar man (Cary Grant) wijst in de richting van haar ontoeschietelijkheid in bed. Alcohol zal voor haar uiteindelijk ook de catalysator zijn, zij het dus dat ze eerst ontdooit in de armen van Stewart...
Anderzijds kan dit niet altijd gezegd worden van Frank Capra, de man die dus als "vader" van het genre wordt beschouwd. Zijn komedies zijn eerder maatschappelijk-moralistisch (b.v. "Mister Deeds goes to town" uit 1936, "You can't take it with you" uit 1938, "Mr.Smith goes to Washington" uit 1939, "Meet John Doe" uit 1941 of "It's a wonderful life" uit 1946), het genre "feelgood"-movies dat rond kerstmis de bioscopen teistert.
Anderzijds moet men nu ook niet beweren dat Frank Capra steeds zeemzoet was. Eén van de beste voorbeelden daarvoor is "Arsenic and old lace" uit 1944, waarin Cary Grant wanhopige pogingen doet om zijn eerbare tantes Josephine Hull en Jean Adair te doen inzien dat eenzame oude heren deze wereld uit helpen géén werk van barmhartigheid is. Peter Lorre en Raymond Massey zijn o.a. de belaagden.
Frank Capra werd in 1897 geboren als zoon van Siciliaanse landbouwers die naar de VS waren geëmigreerd. Hij begon als gagman bij Mack Sennett en draaide daar zelf "The strong man" en "Long pants" met Harry Langdon. Nadien volgden nog That certain thing, The way of the strong, Submarine, Flight, Rain or shine, The power of the press, Platinum blonde, Why we fight (documentaire serie propagandafilms tijdens W.O.II), Ladies of leisure, The miracle woman en The bitter tea of General Yen (alle drie met zijn fetisj-actrice Barbara Stanwyck), A pocketful of miracles (met Bette Davis), Lady for a day, American madness, Broadway Bill, Mr.Smith goes to Washington, Mr.Deeds goes to town, You can't take it with you, It's a wonderful life, It happened one night en You can't run away from it (beide werden later nog eens als een remake uitgebracht), Riding high (met Bing Crosby) en A hole in the head (met Frank Sinatra). “Rendez-vous in space” zou zijn allerlaatste film worden, want “Lost horizon” bleef onafgewerkt en werd pas later gerestaureerd uitgebracht. Ook “The best man” werd door Schaffner voltooid. Toch is hij pas in 1991 overleden.
Travestie
Het succes van de screwball comedy liep tot in de jaren vijftig, toen de seksuele grenzen toch wat werden verlegd (met als hoogtepunten "The seven year itch", "Some like it hot" en "The girl can't help it"), al bleef het hypocriete Hollywood ook bestaan in de films met Doris Day (van "Tea for two" van David Butler met Gordon MacRae in 1950 tot "Pillow talk" van Michael Gordon met Rock Hudson in 1959). Met name in het geval van deze laatste weet men tot wat hypocrisie kan leiden!
Films als "I was a male war bride" (de reputatie van Cary Grant moet in deze film van Howard Hawks uit 1949 nog onbesproken geweest zijn, want anders had hij de rol zeker geweigerd) en "Some like it hot" waren ook de aanzet voor een aantal komedies waarin travestie een onmisbaar onderdeel van de plot is: "Tootsie", "Mrs. Doubtfire"... Zelfs het omgekeerde gebeurde een enkele maal in "Victor, Victoria" van Blake Edwards uit 1982. Deze laatste film was eigenlijk een remake van "Viktor und Viktoria", een Duitse film uit 1933 van Reinhold Schünzel met Hermann Thimig en Renate Müller.
In de jaren zestig verdwijnt het screwball-genre omdat Hollywood vijandig reageerde op het feminisme en de seksuele revolutie. Zo is "The graduate" in de grond eerder een tragedie dan een komedie. En men waagde het zelfs om Jack Lemmon opnieuw tegenover een man uit te spelen (Walter Matthau in "The odd couple" van Gene Sachs), maar deze keer zonder een nieuwe Marilyn Monroe in de buurt!
Een typisch voorbeeld voor het soms wat stoute, maar over het algemeen toch wel berouwvolle meisje wordt Shirley MacLaine, die na "The Apartment" en "Irma la douce" van Billy Wilder in tal van dergelijke rollen wordt gecast, zoals "My geisha" (Jack Cardiff, 1962) of "John Goldfarb, please come home" (John Lee Thompson, 1964).
In mindere mate wordt de seksuele revolutie ook gestalte gegeven in "There's a girl in my soup" van Roy Boulting met Goldie Hawn als vrijgevochten Amerikaans meisje in een meer conservatieve Engelse omgeving. Een terechte keuze, aangezien zij daarvóór de kost verdiende als stripteaseuse. Zij zal dan ook zowat de opvolgster worden van Shirley MacLaine. In 1980 is het bijgevolg niet toevallig dat zij door regisseur Jay Sandrich en vooral door scenarist Neil Simon wordt uitgekozen om de hoofdrol te vertolken in "Seems like old times", de hommage van Simon aan de screwball comedies. Als tegenspeler werd Chevy Chase uitgekozen, die voor sommigen blijkbaar dé screwball-acteur van dat moment was, maar ook al is hij hier beter dan gewoonlijk, toch blijf ik hem maar tweede garnituur vinden. Daarvoor baseer ik me dan vooral op de National Lampoon-reeks.
In de jaren tachtig duikt het screwball-genre in een aangepaste vorm opnieuw op, met name in "Broadcast News" van James Brooks, dat men kan zien als een hedendaagse herwerking van "His girl's friday". Nu is Holly Hunter immers de baas van William Hurt!
In "Maxie" (Paul Aaron, 1985) verandert een saaie huisvrouw in een zwoele nymfomane, nadat een overleden Hollywood-diva haar geest in bezit heeft genomen. De film is echter een mislukking, grotendeels wegens de irritante overacting van Glenn Close.
Al vlug bleek dat Hollywood het toch allemaal onder controle wilde houden: in "Pretty woman" werden de puntjes alweer op de i gezet. Toch blijven met name vrouwen binnen het verplichte kader (huwelijk als slot) aanvaardbare films maken: Nora Ephron, Susan Seidelman en vooral Amy Heckerling. Deze laatste is zo cynisch als ze groot is en gelooft helemaal niet in de moraal die ze de toeschouwer verplicht moet oplepelen. Dat kan je tussen de lijnen door ook merken in scènes zoals de surfende spermatozoïden, waarmee "Look who's talking" begint. Haar "Clueless", zowaar losjes gebaseerd op Jane Austen, wil een satire zijn op de Beverly Hill bimbo's. Zelf vond ik het vreselijk, maar toch bracht deze film 1,8 miljard in 't laadje, zodat hoofdvertolkster Alicia Silverstones volgende film "Excess baggage" eigenlijk gratis kon worden gedraaid.
Een flop was echter "Speechless", die in ons land enkel als video (in 1995) werd uitgebracht. Hierin worden Geena Davis en Michael Keaton verliefd op elkaar, zonder aanvankelijk te beseffen dat ze beroepshalve voor elkaars concurrenten werken, met name de democratische en republikeinse kandidaat voor een senaatszetel in New Mexico. Het is een interessant vertrekpunt dat zelfs op de realiteit was gebaseerd (de verhouding tussen James Carville, de PR-adviseur van Bill Clinton, met Mary Matalin, de speech-schrijfster van George Bush), maar het werd dus alweer een mislukte poging om de screwball comedy te doen herleven.
Michael Keaton (die eigenlijk Michael Douglas heet, maar om voor de hand liggende redenen een pseudoniem hanteert) is trouwens meestal te zien in zogenaamde "high concept" komedies, d.w.z. dat ze op een technische vondst gebaseerd zijn (en vaak ook niet meer dan dat). "Multiplicity" van Harold Ramis uit 1996 (waarin hij naast zichzelf ook nog drie cloons speelt, die resp. zijn macho, zijn vrouwelijke en zijn kinderlijke kant tonen) en "Beetlejuice" van Tim Burton zijn daarvan een voorbeeld. Daarnaast was hij in 1988 ook nog te zien in "The dream team" van Howard Zieff, dat toch wel beter was, aangezien het tevens een sociaal thema (integratie van mentaal gehandicapten) aanboorde. Mits enige overdrijving zou men kunnen stellen dat dit een komische versie van "One flew over the cuckoo's nest" was.
In "Multiplicity" werd de (weinig uitgediepte) vrouwelijke hoofdrol vertolkt door Andie MacDowell, die een gelijkaardige rol ook mocht vertolken in een andere "high concept" komedie, "Groundhog day", eveneens van Harold Ramis, waarin Bill Murray dezelfde dag steeds opnieuw beleeft. Ramis is trouwens min of meer "gespecialiseerd" in dergelijke "high concept" komedies, want in 1984 regisseerde hij reeds "Ghostbusters" (of was dat nu toch Ivan Reitman?).
Alle ingrediënten van een screwball comedy zaten ook in "One fine day" van Michael Hoffman uit 1996, waarin Michelle Pfeiffer en George Clooney elkaar een hele film lopen uit te schelden om uiteindelijk toch in elkaars armen te belanden. Hun wederzijdse kinderen hebben dit reeds veel vlugger door, maar het is precies het gedrag van deze ettertjes dat er voor mij toch te veel aan was.
Het prototype van alle etters is ongetwijfeld Macaulay Culkin. Hij brak door met "Home alone" van Chris Columbus, voor eeuwig bekend door zijn eigen interpretatie van "de schreeuw" van Edvard Munch. Deze low-budget film brak zowat alle records, zodat Columbus dit een jaar later trachtte over te doen met "Only the lonely". De jonge Macaulay Culkin mocht trouwens ook in deze film een klein rolletje vertolken. De voornaamste taak rust echter op de brede schouders van John Candy, die het stroperige verhaal over de goedhartige politieman, die zowel zijn oud moederke (poging tot come-back van Maureen O'Hara) als zijn ietwat gefrustreerde verloofde (Ally Sheedy) te vriend wil houden, echter niet kan overeind houden.
In 1991 is er "My girl", waar Culkin echter van de planken wordt gespeeld door de titelrol Anna Chlumsky (**). Zelfs Jamie Lee Curtis en Dan Ackroyd maken hiertegen geen kans, ook al omdat hun personages een karbonnetje zijn van de twee hoofdfiguren van "Only the lonely". In een bijrolletje is zelfs John Candy opnieuw te zien als een dikke klarinettist. Ik verwarde Candy voortdurend met de even omvangrijke John Goodman, die in hetzelfde soort films speelt, maar veel grappiger is en minder sentimenteel. Ondertussen heb ik daar geen problemen meer mee, aangezien op 4 maart 1994 Candy op 43-jarige leeftijd in Mexico tijdens de opnamen van "Wagons East" overleed aan een hartaanval.
In "Richie Rich" debuteert ook Claudia Schiffer met een bliksemoptreden. Ze is daarin immers gedurende vijf minuten de aerobics-lerares van Macaulay Culkin. Zijn ouders hadden eerst een voorstel voor "Home alone II" afgewimpeld omdat de producers te weinig geld boden. Uiteindelijk ging het feestje dan toch door, maar de familie Culkin ging wel uit elkaar. Er werd een ferm robbertje over het hoederecht over Macaulay uitgevochten, maar dat was dan natuurlijk enkel uit liefde voor het joch. Alhoewel "liefde"... Die mocht hij op dat moment eerder ontvangen van kindervriend Michael Jackson. Zodanig zelfs dat hij werd uitgenodigd op het trouwfeest van diens tante, Liz Taylor. Culkin ging niet, want "hij wist niet wie die mevrouw was".
Toen hij 17 was, luidden voor hemzelf reeds de bruiloftsklokken. Zijn partner was Rachel Miner, eveneens 17 en op dat moment de hoofdvertolkster in "Het dagboek van Anne Frank" op Broadway. Nog voor ze twintig waren, was het alweer gedaan.
It's a mad world
"It's a mad, mad, mad, mad world" van Stanley Kramer zet aan het begin van de jaren zestig (in 1962 om precies te zijn) ook een nieuwe trend: ook komedies moeten grootscheepse spektakels worden om de mensen van hun televisie weg te houden. Zo zijn er: "The great race" (Blake Edwards, 1965), "Those magnificent men in their flying machines" (Ken Annakin, 1965), "Monte-Carlo or bust" (Ken Annakin, 1969). Zelfs de Walt Disney-studio's komen zich ermee bemoeien met "Blackbeard's ghost" en "The love bug", hier beter bekend als "De dolle kever", twee films van Robert Stevenson. Een en ander kan echter wel eens uit de hand lopen. In "Cannonball run" (Hal Needham, 1980) verliest stuntvrouw Heidi von Beltz een hand en raakt vanaf haar middel verlamd bij een onbedoelde botsing tussen twee auto's. In zekere zin zijn films als "Romancing the stone" (Robert Zemeckis) en "The jewel of the Nile" (Lewis Teague) hiervan de opvolgers. De drijvende kracht achter deze films is telkens Danny De Vito en men zou kunnen stellen dat hij die combinatie actie plus humor ook verder zet in zijn samenwerking met Arnold Schwarzenegger (zoals in "Twins" en "Junior"). Andere Zemeckis-producten zijn "I want to hold your hand", "Who framed Roger Rabbit?" en de drie "Back to the Futures" en "Used cars".
Ondeugende humor is dan weer eerder een typisch Brits gegeven, waar we het in 1951 terugvinden in "Laughter in paradise" (Mario Zampi) en ook in "The Ladykillers" (Alexander Mackendrick). Eerder oubollige, goedmoedige Engelse humor treffen we dan weer aan in "Genevieve" (Henry Cornelius, 1954). Slapstick overleefde in Engeland met Norman Wisdom, b.v. in "The square peg" (John Paddy Carstairs, 1958) of "The early bird" (Robert Asher, 1965). Het is in Engeland immers ook niet alle dagen zondag, zoals de eindeloze reeks "Carry on"-films bewijzen (gestart met "Carry on constable" van Gerald Thomas in 1960).
Blake Edwards draait in 1961 "Breakfast at Tiffany's" naar de roman van Truman Capote, een "sophisticated comedy" met een geut slapstick over een Newyorkse callgirl met Audrey Hepburn in de hoofdrol. Hij is echter vooral bekend geworden door zijn "Pink Panther"-films. Ondanks het feit dit een Amerikaanse reeks is, is ze - mede door de hoofdvertolker Peter Sellers allicht - toch erg schatplichtig aan de Engelse humor, die meer verbaal is dan de Amerikaanse. En ook veel absurder, zoals de Monty Python-films briljant illustreren, al gaat die humor juist terug op oudere Amerikaanse voorbeelden zoals The Marx Brothers en "Hellzapoppin" (H.C.Potter, 1942). De respectievelijke hoogtepunten van Sellers en Python zijn ontegensprekelijk "The party" en "The life of Brian" (Terry Jones, 1979), al zijn de solo-uitstappen van John Cleese in "Clockwise" (Christopher Morahan, 1985) en "A fish called Wanda" zeker niet te versmaden! (***)
"Fierce creatures", de opvolger van "A fish called Wanda", werd door John Cleese geschreven en heeft buiten de hoofdpersonen eigenlijk niets vandoen heeft met "Wanda". Cleese speelt erin immers eerder een soort Basil Fawlty, maar die dan deze keer een kleine zoo in zijn beheer heeft. Om volk te lokken wil hij alleen maar wilde dieren tonen. Vandaar de titel. De film moest reeds een aantal keren herwerkt worden (vooral de Amerikanen konden er totaal niet mee lachen - ze begrepen de humor ongetwijfeld niet) en daarom werd de release steeds uitgesteld. Toen hij uiteindelijk uitkwam, gaven de meeste critici de Amerikanen gelijk: zelfs in herwerkte versie (door Fred Schepisi) voldeed de film niet. Bovendien kon men goed het verschil zien tussen wat Robert Young had gedraaid en het aandeel van Fred Schepisi, zegt men. Ikzelf was daartoe zeker niet in staat, meer zelfs ik vond het niet eens zo'n slechte film! De misverstanden over de seksuele exploten van Cleese vind ik zelfs hilarisch.
"Fierce creatures" was niet de eerste Cleese-film die tegenviel. "Rentadick" b.v. was een Britse komisch bedoelde film van Jim Clark uit 1972 naar een scenario van John Cleese en Graham Chapman met Ronald Fraser als Major Upton, de directeur van het detectivebureau Rentadick, die de dieven moet opspeuren van een zenuwgas dat de onderste ledematen verlamt. Daar staat tegenover dat in 1975 ondanks het feit dat het team van "Monty Python" eigenlijk ook al dood is (in 1973 werd de derde en laatste TV-reeks gedraaid, de spanningen tussen de twee uitersten, John Cleese en Terry Jones, waren te groot geworden), zijtoch nog de zeer aan te raden film "The holy grail" draaien.
In 1983 is er het kotsfestijn in "Monty Python's The Meaning of Life", terwijl de Engelse komiek Marty Feldman overlijdt tijdens de opnames van "Yellowbeard", een film van Mel Damski naar een scenario van (vooral) Graham Chapman. Deze speelde ook mee naast nog tal van andere komieken: John Cleese, Eric Idle, Peter Boyle, Richard "Cheech" Marin, Tommy Chong, Peter Cook, Michael Hordern, Madeline Kahn en zelfs James Mason en Susannah York. Het mocht allemaal niet baten: het werd een terechte flop.
Marty Feldman zal altijd in mijn herinnering blijven leven, al was het maar door dat ene zinnetje uit “Young Frankenstein”: “Walk this way”. Mede dankzij Gene Wilder uiteraard, die in 1970 reeds "Start the revolution without me" (Bud Yorkin) had gedraaid, gevolgd in 1971 door "Willy Wonka and the chocolate factory" (Mel Stuart) en in 1977 door "The world's greatest lover". Deze laatste film regisseerde hij ook zelf net zoals "The woman in red" uit 1984.
Solo-uitstappen van andere Pythons waren dan weer wél succesvol. Michael Palin in "American friends" b.v. en "Splitting heirs" van Eric Idle ondanks het feit dat hij erg slecht werd ontvangen in Cannes 1993. Naast regisseur Eric Idle stonden ook John Cleese en Barbara Hershey ter beschikking. Het thema (het verwisselen van baby's) kon met andere voorbeelden als "Toto le héros" en "La vie n'est pas une fleuve tranquille" wel moeilijk origineel worden genoemd, zeker als het dan ook nog over adellijke personen gaat, want dan was er ook al "Little Lord Fauntleroy" en "Kind Hearts and Coronets", waarin Alec Guiness liefst acht rollen voor zijn rekening neemt. Ongeveer tegelijk met "Splitting heirs" was er "King Ralph" met John Goodman, waarvoor oorspronkelijk trouwens Idle was aangezocht. In de fond gaan al deze verwisselkomedies terug op Oscar Wilde's "The importance of being earnest".
In 1991 vertolkte Eric Idle ook de hoofdrol in "Missing pieces" van de Amerikaan Leonard Stern. Hierin speelt hij een schrijver van wenskaarten die van zijn pleegvader een fortuin kan erven als hij een aantal raadsels kan oplossen. Samen met zijn vriend, de cellist Robert Wuhl, begint hij eraan, maar dan merkt hij dat er nog andere "goudzoekers" zijn. Dankzij de vrouwtjes Lauren Hutton en Kim Lankford halen ze uiteindelijk toch hun slag thuis.
Daarvóór had Idle reeds "Nuns on the run" geschreven, een komedie geregisseerd door Jonathan Lynn, die daarvoor reeds de BBC-reeks "Yes minister" had gemaakt. "Nuns on the run" is gebaseerd op een scenario van Eric Idle (van Monty Python) die ook de hoofdrol speelt, samen met Robbie Coltrane.
In "A fish called Wanda" leerden we ook Kevin Kline kennen als komisch acteur. "Kline is de enige acteur die Hamlet speelt om te leren beslissen," zegt John Cleese. Voor "Dave" van Ivan Reitman, werd hij genomineerd als beste komische acteur, terwijl de film zelf ook werd genomineerd als beste komedie. Sigourney Weaver speelt hierin de vrouw van de Amerikaanse president, die om veiligheidsredenen eventjes wordt vervangen door Kevin Kline, maar als-ie op dat moment aan een hartaanval overlijdt, gaan de poppetjes aan het dansen. De film speelt duidelijk in op de "street credibility" van Bill Clinton (die later wel een flinke knauw heeft gekregen), maar kan nog het best los daarvan worden genoten. Daarna was Kevin Kline te zien in "Princess Caraboo" van Michael Austin met Stephen Rea, Wendy Hughes, John Lithgow en natuurlijk zijn vrouw Phoebe Cates in de titelrol. Vervolgens was hij met Meg Ryan te zien in "French Kiss" (oorspr.titel "Paris Match") van Lawrence Kasdan. Daarin wordt Ryan verliefd op Kline, die een typische onverzorgde Parisien speelt en die ze dus aanvankelijk niet kan uitstaan, ook al omdat ze eigenlijk in Parijs is om haar vrijer Timothy Hutton, die Hugh Grant achterna is gegaan met een lokale prostituée, rond zijn oren te slaan. Jean Reno mocht in deze film zijn Hollywood-debuut maken. Maar Kline speelt uiteraard niet enkel in komische films. In "The big chill" (Lawrence Kasdan, 1983) speelde hij met Glenn Close, Jeff Goldblum, William Hurt, Meg Tilly en nog een paar anderen die in die film ook nog zo ongeveer maar aan hun debuut toe waren. Natuurlijk was hij vijftien jaar later ook van de partij in het "vervolg" "The ice storm". En er is uiteraard zijn magistrale vertolking in "Sophie's choice" of de journalist Donald Woods in "Cry freedom". Dat maakt dat hij de geknipte figuur is om komische rollen met een ernstige ondertoon te vertolken, zoals in "In and out" uit 1997. De rol die hij hierin vertolkt, komt trouwens dicht in de nabijheid van de realiteit, niet zozeer de homoseksuele component dan wel het "Dead Poets Society"-aspect: hij startte immers als acteur bij de John Houseman Company, waar hij zowat alle Shakespeare-stukken heeft gespeeld. In 1999 heeft hij dit ook op het witte doek gedaan met het ontgoochelende "Midsummernight's dream".
Meg Ryan van haar kant is sedert haar gefingeerd orgasme in "When Harry met Sally" de ongekroonde koningin van de comedy. In 1993 ging ze opnieuw scheep met scenariste Norah Ephron die "Sleepless in Seattle" ook zelf regisseerde. Het werd een typisch Amerikaanse tearjerker over een jongetje dat op een kerstavond via CB een vrouw zoekt voor zijn papa-weduwnaar (Tom Hanks). Duizenden dienen zich aan en Meg Ryan is de winnares. Halleluia! Gelukkig is er nog de popmuziek die heel toepasselijk op diverse scènes is geplakt.
In "I.Q." (1994), dat alweer thuishoort in de "Forrest Gump"-trend, speelt Tim Robbins een automecanicien die verliefd is op het nichtje (Meg Ryan) van Einstein (Walter Matthau). Ryan (al ziet het er een echte bimbo uit) wil alleen maar knappe koppen en omdat de beroemde geleerde de brave mecanicien wel een toffe jongen vindt, doet hij het voorkomen alsof deze laatste een specialist is in de koude kernfusie. Op die manier moet hij er de Engelse acteur Stephen Fry zien onder te krijgen.
Haar tegenspeler uit "When Harry met Sally", Billy Crystal regisseerde zichzelf en Debra Winger in "Forget Paris" met verder ook Joe Mantegna en basketter Kareem Abdul-Jabbar in dit typisch Amerikaanse pleidooi voor het huwelijk. Billy Crystal was ook al te zien in twee "City slickers"
Maar de nieuwste vedette is sedert "Ace Ventura, pet detective" Jim Carrey, al moet die het vooral van bekkentrekkerij à la Jerry Lewis hebben. Toch bevatte de film wel een paar leuke scènes, zoals die met de huisdieren, zowel als ze zich moeten verbergen voor de huisbaas, als wanneer ze toeschouwer zijn bij de bedexploten van de "detective". In "The mask" zou hij bewijzen wat meer in zijn mars te hebben. Deze special effects-film van Charles Russel (scenarist van "Dreamscape" over "virtual reality") met het filmdebuut van supermodel Cameron Diaz zou men als "Tex Avery live" kunnen omschrijven. Maar de volgende film van Jim "Mask" Carrey heette trouwens "Dumb and Dumber": kan het nog duidelijker? (****)
Carrey (°1962), die zichzelf "Fred Astaire on acid" noemt, is zelf blijkbaar niet zo onnozel: voor zijn bijrolletje in "Batman" ving hij zeven miljoen dollar i.p.v. telkens zo'n 400.000 dollar voor zijn vorige twee, en voor "Ace Ventura II - When nature calls" (1996) werd zelfs 600 miljoen frank opzij gelegd. In ruil mag Carrey bijna voortdurend in beeld lopen en... daarom is de film vreselijk "overdone". In 1996 huwde hij ook met de 32-jarige Lauren Holly, die hij had leren kennen tijdens "Dumb and Dumber".
In Amerika waar men een IQ moet hebben lager dan dat van een kleuter om van films te kunnen genieten was "Forrest Gump" echter het grootste succes, een loflied op een debiel die het heel ver schopt in de Amerikaanse samenleving (wat nu niet precies heel moeilijk is). Eigenlijk is het qua vorm een kruising van "Zelig" (van Woody Allen) en de technieken die op punt gesteld zijn met "Jurassic park" (zodat men Hanks kan zien in scènes samen met Kennedy, Johnson, John Lennon en vele anderen) en qua inhoud een herkauwen van "Being there" met Peter Sellers in de rol van Chauncey Gardiner, wiens platitudes ook als cryptische wijsheden werden geïnterpreteerd (al kan dat nauwelijks worden gezegd van "I like to watch", wat door Shirley MacLaine juist erg letterlijk werd opgevat en waardoor ze zich ging masturberen, terwijl hij naar televisie zat te kijken).
Zwarte humor
In 1970 wint de bittere satire "M.A.S.H." van Robert Altman de Gouden Palm in Cannes en van dan af konden alle vormen van zwarte humor aan bod komen, zoals "Frauds", een film van Stephan Elliott met Phil Collins als een perfide verzekeringsinspecteur. Een ander uitstekend voorbeeld hiervan is "The Addams Family Values", waarin de Amerikaanse waarden op hun kop worden gezet. Zo is er b.v. de hilarische passage in het vakantiekamp, waar een kind de kamer van een ander kind binnenkomt en daar een poster van Michael Jackson ziet hangen en gillend de kamer uitloopt. Anjelica Huston, die in 1990 reeds te zien was in "The witches" (Nicolas Roeg), en Raul Julia zijn weer schitterend (b.v. de "vurige" tango). Voor Julia was het echter de laatste prestatie. Hij stierf immers in oktober '94 aan een hartinfarct. "The Addams Family Values" was voor een keer een sequel die beter werd onthaald dan de oorspronkelijke film, natuurlijk ook wel omdat ook die "oorspronkelijke" film niet origineel was, maar louter een afkooksel van de TV-serie, die dan weer zelf terugging op de strip uit 1935 van Charles Addams, die zijn jeugd in een Victoriaans huis, recht tegenover een kerkhof op die manier afreageerde. Daarom werd het scenario van Paul Rudnick voor de tweede film (tegenover Caroline Thompson en Larry Wilson bij de eerste) zo enthousiast onthaald. En terecht, b.v. door de introductie van "zwarte weduwe" Debbie (gespeeld door Joan Cusack, die met haar zinnetje "Coffee? Tea? Me?" uit "Working girls" heeft bewezen dat je door één zinnetje inderdaad aan grote rollen kunt geraken), ook al is het niet erg logisch dat de Addams Family ook maar een schijntje onder de indruk komt van een "serial killer". Integendeel, volgens hun eigen logica moesten ze haar eigenlijk aan het hart drukken. Daarnaast lijdt zelfs deze prent aan "political correctness" (de speech van Wednesday als ze als namaak-indiaan de blanken aan de totempaal mag spijkeren).
"Political correctness" ontbreekt gelukkig helemààl bij "Serial mom" van John Waters, de Koning van de Slechte Smaak met eindelijk nog eens een betere rol voor Kathleen Turner. En even later was er "To die for" van Gus Van Sant (naar de roman van Buck "The graduate" Henry) over een aartsgevaarlijke bimbo, gespeeld door Nicole Kidman.
Amerikaanse komedies munten echter meestal niet uit door spitsvondige humor, al is een bepaalde scène in "L.A.Story" van Mick Jackson (1991) toch het onthouden waard. Hoofdfiguur Steve Martin gaat geld afhalen bij het fameuze kastje in de muur. Hij dient daarvoor in de rij te gaan staan. Het valt meteen op dat er zich ook nog een tweede rij heeft gevormd. Als hij aan de beurt is, stelt een man uit die andere rij zich beleefd aan hem voor: "Good evening, sir, I am your personal robber. Hoeveel had u gedacht af te halen?" En uiterst beheerst deelt Martin zijn opgevraagde geld met de beleefde overvaller. Van Steve Martin heb ik nochtans nooit erg gehouden, ook niet in 1983 met "The man with two brains" van Carl Reiner evenmin als van "Housesitter", waarin ook Goldie Hawn weer tegenvalt. "Father of the bride, part two" en "Sergeant Bilko" werden uiteindelijk zelfs niet uitgebracht in ons land. En terecht.
Naast de vrouwen zijn ook de zwarten steeds onderdrukt geweest in Hollywood. Ook zij kennen hun bevrijding in de jaren tachtig. Op het gebied van komedies is dit dan met mensen als Richard Pryor en vooral Eddie Murphy. Vaak worden zij gekoppeld aan een blanke. Opmerkelijk daarbij is dat "political correctness" ervoor heeft gezorgd dat de jongere Eddie Murphy de meerdere is van partner Nick Nolte, terwijl Pryor nog even dom was als Gene Wilder.
Langs vrouwelijke kant is er Whoopi Goldberg in "Sister Act" van Emilio "Dirty Dancing" Ardelino, een vrouwelijke versie van "Nuns on the run" en vooral een typisch Disney-product. Op dat moment was Ardelino al seropositief en tegen dat "Sister Act 2: back in the habit" eraan kwam, was zijn ziekte reeds in de terminale fase getreden, zodat Bill Duke overnam. Was de eerste film nog tamelijk grappig (zij het een toonbeeld van het huidige bon ton omgekeerde racisme: vervelende blanke nonnen, nochtans geleid door een schitterende Maggie Smith, worden hippe maar nog steeds godslievende meisjes dankzij jive sprekende zwarte zangeres), dan verzandde de tweede in meligheid. De "zangeres" Goldberg wordt hier immers eventjes een "undercover" muzieklerares om een aantal “hangjongeren” weer op het goede pad te brengen. Maggie Smith is wel nog van de partij, maar zoals Julie Burchill terecht opmerkt: "Ik weiger te geloven dat dit de echte Maggie Smith is, dit moet een kloon zijn!" Als men deze film vergelijkt met "The Sound of Music" of "To Sir with Love", twee films waarop men zich klaarblijkelijk heeft geïnspireerd, dan wordt nog maar eens duidelijk hoe erg het is gesteld met het Hollywood Anno Hic et Nunc.
Daarnaast was er ook de doorbraak van Australië, enerzijds met Crocodile Dundee (Peter Faiman, ook met een sequel), anderzijds met "Malcolm" van Nadia Tass (beide uit 1986). Deze debuutfilm van de vrouw van David Parker (tevens cameraman en scenarist van deze film) is erg grappig. Het uitgangspunt is de creativiteit van een tramconducteur (Malcolm, d.i. Colin Friels) die zich uit in allerlei krankzinnige uitvindingen. Met de hulp van een zware jongen en zijn liefje pleegt hij een geweldloze overval.
Parodie
De laatste tijd zijn de meeste comedies parodieën op bestaande films. Eigenlijk heeft dit altijd al bestaan, maar meestal was het slechts een occasionele ingreep, die vaak uitsluitend door insiders werd herkend. Men zou misschien kunnen zeggen dat Mel Brooks het systeem is beginnen uitsmeren over een hele film, al ging met name "Airplane" (een parodie op de rampenfilms uit 1980) van de broertjes Zucker en hun vriend Jim Abrahams (de sequel uit 1982: "Airplane II" was van Ken Finkleman) toch enkele jaren aan "Spaceballs" (parodie op "Star Wars" uit 1987) vooraf, maar met "Blazing saddles" (1973), "Young Frankenstein" (1974) en "High Anxiety" (1977) had Brooks daarvóór dan weer resp. de western, de griezelfilm en de thriller aangepakt. Zijn andere films: uit 1970 "Twelve chairs", "Silent movie" uit 1976, uit 1981 "The history of the world", uit 1983 "To be or not to be" en nog later "Life stinks" en "Men in tights" waren van diverse kwaliteit. In 1996 was er "Dracula: dead and loving it" met Leslie Nielsen, die toen ook te zien was in "Spy hard". Een Franse navolger van Mel Brooks was Jean Yanne (1934-2003) met "Tout le monde il est beau, tout le monde il est gentil", "Les Chinois à Paris" of "Un quart d'heure avant Jésus Christ".
In "Hot Shots" (1991) lieten de Zuckers "Top Gun" eraan geloven, maar geen enkel genre werd echter zo gretig aangepakt als dat van de erotische thriller: "Loaded weapon", "Fatal instinct" en zelfs "Hot Shots, part deux" dongen elk naar de gunst van het publiek. Maar geen enkele parodiereeks is zo populair als die van "Naked gun", gebaseerd op de TV-serie "Police Squad". In de eerste film is er de beroemde scène van Leslie Nielsen die gaat plassen, zonder dat hij eraan gedacht heeft zijn draadloze microfoon uit te schakelen. Velen hebben allicht gedacht dat dit "over the top" was. Tot 30/10/1998. Dan had een belangrijke persbijeenkomst van de Fortisgroep plaats (overnamebod op de ASLK) en topman Maurice Lippens deed net hetzelfde, met alle gevolgen vandien...
In "Naked gun 2 1/2" (1991) loopt Priscilla Presley o.a. in lingerie rond met een colt tussen haar benen, iets wat ze ook van Elvis moest doen. De ondertitel is dan ook "The smell of fear"... In "Naked gun 33 1/3, the final insult" zitten er ook weer veel cameorolletjes o.a. van Pia Zadora, Raquel Welch en Olympia Dukakis.
Ook "Down periscope" van David S.Ward met Kelsey Grammer, Lauren Holly, Rob Schneider en Bruce Dern is een slapstick-film in de traditie van "Naked gun" of "Loaded weapon".
En zo komen we ongemerkt bij, laten we zeggen, de minder subtiele humor. Zo is er de eindeloze reeks "Police Academy's" (begonnen in 1984) en in 1983 was er zelfs een film die zich "Screwballs" (Rafal Zielinski) noemt maar wat eigenlijk een Canadese "Porky's" is. De Porky-films zelf zijn van de hand van de Amerikaan Bob Clark, die in 2007 op 67-jarige leeftijd om het leven kwam in een auto-ongeluk. Samen met zijn zoon werd hij van de weg gemaaid door een dronken truckchauffeur. Het cynische is dat dit een typische grap uit de Porky-films zou kunnen zijn, zonder de fatale afloop dan uiteraard want het blijft toch een komedie...
Anderzijds dient te worden toegegeven dat uit dergelijke soort films ook soms grote talenten zijn naar voren gekomen, zoals Tom Hanks in "Bachelor party" (Neal Israel, 1984), Tom Cruise in "Risky business" (Paul Brickman, 1983) en Matthew Broderick in "Ferris Bueller's Day Off" (John Hughes, 1986).
Vaak gaat het hier ook om baseball-films, omdat de Amerikanen daarin "hun adolescenten-fantasieën kunnen uitleven", zoals Patrick Duynslaeger schrijft. Voor ons Europeanen is dit meestal een stuk ongein, zoals Charlie Sheen, die in 1989 samen met Tom Berenger te zien was in "Major League" van David Ward, die ooit het scenario voor "The Sting" schreef, maar dat hier duidelijk is vergeten (dit scenario werd trouwens geschreven door R.J.Stewart). Het vervolg, "Major League II", haalde volgens mij de bioscoop niet, maar wel Filmnet. Het voornaamste is wel dat hetzelfde trio (Sheen-Berenger-Ward) van de partij, zodat het toch een "echt" vervolg wordt.
Deze jongerenfilms hebben trouwens zelf twee parodies opgeleverd in de vorm van "Wayne's world" van Penelope Spheeris. Al geef ik toe dat je van de speciale "rockhumor" moet houden. De bekende "Bohemian Rhapsody"-scène is daarvoor cruciaal: als je hier niks aan vindt, ga er dan maar niet naartoe. In "Wayne's world 2" vinden we uiteraard weer Mike Myers & Dana Carvey weer, maar ook de beeldschone Tia Carrere. Christopher Walken is de schurk die in deze parodie op Woodstock (Waynestock) probeert Carrere in te pikken. Toch is b.v. die parodie niet goed uitgewerkt, evenmin als die op "The Doors" of "The Graduate". Beter is de manier waarop "Jurassic Park", "Y.M.C.A." of "Field of dreams" ("If you book them, they'll come" i.p.v. "If you build it, they'll come") door de mangel worden gehaald. Maar het beste is de ontgroening van Garth door Kim Basinger alias Mrs.Hornay ("I'll be frank" "Can I still be Garth?"). Aangezien Carvey het daarna voor bekeken hield, bleef een "Wayne's world III" uit. Hun rol als "nerds" is trouwens overgenomen door Beavis & Butt-head, die zo karikaturaal zijn dat het... echte karikaturen zijn!
Echte "nerds" zijn dit natuurlijk eigenlijk niet. Nerds halen immers goede cijfers op school, wat anderzijds nu ook weer niet wil zeggen dat ze "slim" zijn, want ze kunnen b.v. nauwelijks auto rijden. Of een biefstuk bakken. En nerds dragen een bril en kunnen daardoor het meisje van hun dromen niet krijgen. Daarvoor moeten ze al een toverdrankje drinken, zoals Jerry Lewis in "The nutty professor", het prototype van de "nerd". Want van al dat leren word je toch alleen maar lelijk is de Amerikaanse moraal en daarom dat het er vol "nerds" loopt, maar dan meer van de "verkeerde" soort. George Bush mocht dan als president nog de wens hebben uitgesproken dat het doorsnee Amerikaanse gezin er beter als The Waltons dan als The Simpsons zou uitzien, het was al veel te laat. Het kwaad was al geschied.
Cosmo Landesman betoogt in The Sunday Times van 12/12/1993 dan ook dat het woord "nerd" nu wel degelijk toepasselijk is op de tweede soort. En de ommekeer ziet hij in de film "The revenge of the nerds" uit 1981, die de gebrilde nerds als verstoten minoriteit ter hulp wou komen. Van dan af was er geen lol meer aan. Als men ook al geen nerds meer mocht pesten (in de oude betekenis van het woord), dan kon men maar beter een nerd (in de nieuwe betekenis) worden. En sindsdien krioelt het in de Amerikaanse komedies van dwaze, domme klootzakken, die als rolmodellen naar voren worden geschoven. Want, wat erger is, de nieuwe nerds zijn niet meelijwekkend, maar ronduit ergerlijk. Vergelijk (in Engeland) het karakter van "Mr.Bean" met dat van Michael Crawford in "Some mothers do have 'em" b.v. Uitschieters als "Wayne's World" niet te na gesproken, betekende dit meteen ook het einde van de Amerikaanse jongerenkomedie. En aangezien er sinds de jaren negentig bijna enkel nog films voor jongeren worden gemaakt dus ook van de Amerikaanse komedie tout court. Tenzij u zo'n nerd (van de oude soort) bent die toch nog de gesofisticeerde prenten van Woody Allen verkiest?
Ronny De Schepper
(*) Een pittig detail daarbij is dat Oliver heel zijn leven de bijnaam "babe" heeft mogen meesleuren, die afkomstig was uit zijn jonge jaren toen een Italiaanse kapper verliefd op hem was en hem "baby" noemde.
(**) In een van de parodie-films, waarin Leslie Nielsen is gespecialiseerd, zit er een uiterst grappige scène waarin twee bandieten (een duidelijke hint naar “the water bandits” uit “Home alone”) wraak nemen op een knaapje dat verdacht veel op Culkin lijkt. “En dit is voor 'Home alone',” roepen ze, terwijl ze hem een klap geven. “En dit voor 'My girl'!” “En dit voor 'My girl two'!” “I wasn't even in it,” probeert het joch nog, maar geen geluk!
(***) In de V.S. werd deze film om “politically correct” te zijn uitgebracht zonder een stotterende Michael Palin! Althans, zo wil men ons doen geloven. Ik kan me echter niet voorstellen dat het mogelijk is de film op die manier te verknippen, zonder niet hele scènes helemaal over te doen.
(****) Jà, het kan nog duidelijker. In 2003 werd er een zogenaamde prequel gedraaid van deze film (een sequel die echter vertelt wat voorafgaat i.p.v. wat volgt, de ondertitel is dan ook “when Harry met Lloyd”) en deze prent was nóg onnozeler. Dat had zelfs Jim Carrey door, want hij paste ervoor. Zijn rol werd hier overgenomen door imitator Eric Christian Olsen. Dat belet niet dat Carrey zelf daarna ook weer vreselijk cabotineerde in "The cable guy" (cfr.zijn versie van "Somebody to love").
dinsdag 4 december 2007
Judy Garland, een klassiek drama
In de tijd toen de dieren nog spraken en men nog een moord zou plegen voor een goeie langspeelplaat i.p.v. voor een MP3-speler of een iPod, hield men op de redacties van de Engelse tabloids altijd een overlijdensbericht van Judy Garland achter de hand. En inderdaad, bijna anderhalf jaar voor Janis Joplin zou sterven aan een overdosis drugs stierf Judy Garland in juni 1969 een gelijkaardige dood. En, al was zij dan twintig jaar ouder, ook zij was te jong om te sterven. Even treffend in beide gevallen is ook de tragiek die de vermenging van privé en openbaar leven voor een "ster" met zich meebrengt. En daarenboven verscheen in het toonaangevende Amerikaanse rockblad "Rolling Stone" in datzelfde jaar een artikel onder de titel "Janis Joplin: the Judy Garland of rock'n'roll". Volgens Janis' omgeving was het bewust bedoeld om haar te kwetsen en het miste zijn effect niet: Janis viel ten prooi aan een depressie, waaraan zij enkel met drugs wenste aan te ontsnappen. Want de onafwendbare parallel was immers maar al te duidelijk. En wat meer is, ondanks de (al of niet vermeelde) kwade trouw van "Rolling Stone": het artikel verdraaide nergens Janis' woorden, men zou zelfs bijna kunnen zeggen dat ze het zelf had geschreven...
EEN RIJZENDE STER
Het leven van Judy Garland kan trouwens worden vergeleken met de opbouw van een klassiek drama. In de noodzakelijke "expositio" maken we kennis met de personages, met name Frank en Ethel Gumm, een showbiss-koppel uit Grans Rapids in Minnesota, die hun drie dochters, Mary Jane (1915), Virginia (1917) en Frances (1922) reeds heel vroeg de scène opjagen. Om de stress van de dagelijkse optredens aan te kunnen, geeft Ethel haar jongste dochter vanaf haar tiende verjaardag pepmiddelen, die dan 's avonds met kalmeermiddelen dienen te worden geneutraliseerd. Die stress wordt ook in de hand gewerkt door het voortdurend verhuizen, want vader Gumm is eigenlijk homoseksueel en wordt dan ook geregeld betrapt als hij aan jonge mannen uit het publiek zit. Dan wordt het weer zoeken naar een nieuwe verblijfplaats. Uiteraard zorgde dit ook voor spanningen in het gezin, waardoor Frances haar hele leven lang op zoek zou zijn naar liefde en geborgenheid. Maar die zou ze nooit vinden, niet bij haar vijf echtgenoten en ook niet bij haar talloze andere minnaars en... minnaressen.
Daarna begint de "intrige" op de wereldtentoonstelling in Chicago (1934). Nadat de drie zusters daar per vergissing als "The Glum Sisters" (de norse zusters) worden aangekondigd, besluit de 12-jarige Frances zich voortaan Judy Garland te noemen. Judy naar een nummer van Hoagy Carmichael en Garland naar een bekend muziekrecensent uit die tijd (of hoe dacht u dat Els De Schepper aan haar naam was gekomen?). De twee oudere zussen haken af en moeder Gum zeult met haar dochter de filmstudio's rond.
Reeds in 1935 heeft ze succes want Judy krijgt een contract bij MGM, nadat ze voor de laatste M (Louis Mayer) "Zing went the strings of my heart" heeft gezongen. Ik schrijf bewust dat het de moeder was die succes had, want voor Judy brak (op 13-jarige leeftijd reeds!) de hel aan. Ze moest vermageren, ze kon niet opgroeien zoals eender welk kind en, vooral, ze moest lijdzaam toezien hoe andere kindersterren zoals Shirley Temple of Deanna Durbin de kans kregen om te schitteren, terwijl zij, op een paar minuscule rolletje in onbetekenende films na, "in de wachtzaal" moest blijven zitten.
Aan die wachttijd kwam een einde toen Clark Gable op de set van "Gone with the wind", waar zijn afscheidswoorden "Frankly, my dear, I don't give a damn" nog weerkaatsten, zijn 36-ste verjaardag vierde. Judy zong een aangepaste versie van "You made me love you" en mocht er meteen mee in de film "Broadway-Melody of 1938". De regisseur van "The Wind" bood haar bovendien de hoofdrol aan in zijn volgende film "The Wizard of Oz". Victor Fleming draaide "The wizard of Oz" dus met Judy Garland, al was oorspronkelijk Shirley Temple voorzien.
En zo zijn we dan bij de "climax" aanbeland. Samen met de andere MGM-kindster Mickey Rooney draait ze tal van films, tot ze in "Little Nelly Kelly" voor het eerst de rol van een volwassene speelt. Ze huwt een beetje later trouwens de twaalf jaar oudere componist Dave Rose, die haar zwanger had gemaakt. Louis Mayer was razend. Niet alleen omdat dit hoegenaamd niet strookte met de "carrièreplanning" die hij voor Judy in petto had, ook uit jaloezie, want Mayer had al van bij de eerste kennismaking geprobeerd haar in bed te krijgen. Samen met moeder Ethel kan hij haar tot een abortus dwingen. Omdat echtgenoot Rose te weinig tegenstribbelt, sterft ook de verhouding met Judy een snelle dood.
In 1944 ontmoet ze echter regisseur Vincente Minnelli (28/2/1913-25/7/1984?), de zoon van een Italiaanse orkestleider en een Franse zangeres die door Arthur Freed uit Broadway naar Hollywood werd gehaald voor "Cabin in the sky". Minnelli draait met haar "Meet me in St.Louis", voor beiden vaak het hoogtepunt genoemd van hun artistieke carrière. Kort daarop treden ze samen in een huwelijk gearrangeerd door Louis Mayer, want Minnelli zelf was homoseksueel. Toch is het wellicht overbodig om erop te wijzen dat uit dit huwelijk Liza Minnelli is gesproten.
EEN VALLENDE STER
Maar dan komt de "peripetie", de ommekeer. Op zeven jaar tijd had de 24-jarige Judy zo maar eventjes vijftien films opgenomen en zowel fysisch al psychisch kon ze dit niet aan. Pepmiddelen, de onvermijdelijk daarmee gepaard gaande slaapmiddelen en natuurlijk ook de drank maakten haar onhandelbaar.
De eerste tekenen manifesteerden zich bij "The Pirate" (1947), nochtans een belangrijke film met Gene Kelly en met een originele partituur van Cole Porter, waarbij de opnamen vertraagd werden door ruzie met de regisseur... toevallig ook haar echtgenoot. De breuk werd hersteld en samen begonnen ze nog "Easter Parade" (met Fred Astaire, in 1948), maar nog tijdens de opnamen stuurde ze Minnelli de laan uit en werd hij vervangen door Charles Walters (in de regisseurstoel wel te verstaan). Het huwelijk werd definitief de nek omgedraaid toen ze Minnelli met de klusjesman betrapte. Judy hield er haar eerste zelfmoordpoging aan over: ze sneed zich de polsen over, maar allicht overdwars in plaats van in de lengte van de ader, zoals iedereen wel weet. Net als Johnny Hallyday het ontelbare malen na haar zou doen, werd ze "op tijd gered".
Maar dan ging het steeds meer bergaf, de "catastrofe" was niet meer te vermijden: in "The Barkleys van Broadway" (1949) moest ze na een paar opnamen reeds de plaats ruimen voor Ginger Rogers en een jaar later gebeurde hetzelfde in "Annie get your gun", waar Betty Hutton de gelukkige invalster was.
Bovendien zorgde de opkomst van de televisie voor een algehele terugval van de bioscoopfilm. Judy had ook definitief gebroken met haar moeder (haar vader van wie ze méér hield, was reeds gestorven) en zat nu volledig onder de drugs. Ze kostte MGM meer dan ze opbracht en in 1950 werd ze dan ook aan de deur gezet.
Haar derde huwelijk met producer Sidney Luft zorgde voor een tijdelijke come-back (een dochter uit dit huwelijk, Lorna Luft, is ook een, zij het minder bekende, zangeres geworden). "A star is born" (uit 1954) is zeker haar beste, ernstige rol. Misschien omdat het thema haar niet onbekend was: een vedette (James Mason) zinkt weg in het niet door zijn grillen, zijn dronkemansbuien, zijn onbetrouwbaarheid.
Het was maar een tijdelijke heropleving. De val was niet meer te stoppen, ook al omdat ex-bokser Luft Judy thuis vaak als punchbal gebruikte. De mislukte zelfmoordpogingen waren dan ook niet meer te tellen (Liza Minnelli kocht voor haar verjaardag een maagpomp en bij de roddelpers lag de titel "Judy Garland gestorven door overdosis" reeds klaar).
Liza was ondertussen op 3 maart 1967 zelf gehuwd met de Australische entertainer Peter Allen (o.m. tekstschrijver van "I go to Rio"). Allen was ontdekt in 1964, toen Judy Garland hem in Hongkong zag optreden. Judy zelf was op dat moment gehuwd met Mark Herron, maar die had stiekem een verhouding met Allen... net zoals Judy zelf ongetwijfeld. Bovendien kon Allen het niet echt verwerken dat de carrière van zijn vrouw Liza een hoge vlucht nam (Academy Award voor "Cabaret" in 1972), terwijl hij in de schaduw bleef staan. Het duurde dan ook niet lang meer (tot 1974 om precies te zijn) voor de twee uit elkaar gingen. Allen, die 48 geworden is, is in zijn woonplaats San Diego op 18 juni 1992 overleden "aan een ziekte die met aids te maken heeft".
Ook het huwelijk met Herron hield niet lang stand en toen probeerde Liza het een laatste maal met Mickey Deans, die haar als dealer uit de nood had geholpen. Hij had haar aan de illegale slaapmiddelen geholpen waarvan Judy er zes had ingenomen op 17 juni 1969 in haar huis in Londen. Toen ze even wakker werd, ging ze even naar het toilet, waar ze (verstrooid of doelbewust?) nog vier pillen slikte. Net als Elvis Presley later sliep ze in op het toilet en werd nooit meer wakker.
Ondanks haar afgang, had ze steeds een fanatieke aanhang behouden vooral in het travestiemilieu. Haar shows hadden nog succes ook al stond ze vaak dronken op scène. En toen ze uiteindelijk de roddelpers gelijk gaf door haar dood, dan nog slaagde ze erin meer mensen op de been te brengen dan Rudolph Valentino, toen die na zijn dood lag uitgestald. De begrafenis van Garland gaf overigens merkwaardig genoeg aanleiding tot bloedige rellen in Greenwich Village tussen treurende drag queens en de politie. Deze werden gereconstrueerd in "Stonewall" van Nigel Finch. Toen de film in 1996 op het Gentse Filmfestival te zien was, was de regisseur al overleden (aids?). De rellen zijn zowat de geschiedenis ingegaan als het begin van de Gay Liberation en worden nog steeds ieder jaar herdacht.
EPILOOG
Misschien vindt u desondanks dat de vergelijking tussen Janis Joplin en Judy Garland bij de haren getrokken is, omdat het Hollywood van Garland en San Francisco van Joplin twee werelden apart zijn. Maar dat is maar shijn, zoals véél schijn is in showbusiness. Waar het echt om gaat is het engagement dat er achter steekt. En zo doet het er uiteindelijk weinig toe of je musicals zingt of blues. Als je er maar echt achter staat. Als het écht is. The real thing.
Ronny DE SCHEPPER
EEN RIJZENDE STER
Het leven van Judy Garland kan trouwens worden vergeleken met de opbouw van een klassiek drama. In de noodzakelijke "expositio" maken we kennis met de personages, met name Frank en Ethel Gumm, een showbiss-koppel uit Grans Rapids in Minnesota, die hun drie dochters, Mary Jane (1915), Virginia (1917) en Frances (1922) reeds heel vroeg de scène opjagen. Om de stress van de dagelijkse optredens aan te kunnen, geeft Ethel haar jongste dochter vanaf haar tiende verjaardag pepmiddelen, die dan 's avonds met kalmeermiddelen dienen te worden geneutraliseerd. Die stress wordt ook in de hand gewerkt door het voortdurend verhuizen, want vader Gumm is eigenlijk homoseksueel en wordt dan ook geregeld betrapt als hij aan jonge mannen uit het publiek zit. Dan wordt het weer zoeken naar een nieuwe verblijfplaats. Uiteraard zorgde dit ook voor spanningen in het gezin, waardoor Frances haar hele leven lang op zoek zou zijn naar liefde en geborgenheid. Maar die zou ze nooit vinden, niet bij haar vijf echtgenoten en ook niet bij haar talloze andere minnaars en... minnaressen.
Daarna begint de "intrige" op de wereldtentoonstelling in Chicago (1934). Nadat de drie zusters daar per vergissing als "The Glum Sisters" (de norse zusters) worden aangekondigd, besluit de 12-jarige Frances zich voortaan Judy Garland te noemen. Judy naar een nummer van Hoagy Carmichael en Garland naar een bekend muziekrecensent uit die tijd (of hoe dacht u dat Els De Schepper aan haar naam was gekomen?). De twee oudere zussen haken af en moeder Gum zeult met haar dochter de filmstudio's rond.
Reeds in 1935 heeft ze succes want Judy krijgt een contract bij MGM, nadat ze voor de laatste M (Louis Mayer) "Zing went the strings of my heart" heeft gezongen. Ik schrijf bewust dat het de moeder was die succes had, want voor Judy brak (op 13-jarige leeftijd reeds!) de hel aan. Ze moest vermageren, ze kon niet opgroeien zoals eender welk kind en, vooral, ze moest lijdzaam toezien hoe andere kindersterren zoals Shirley Temple of Deanna Durbin de kans kregen om te schitteren, terwijl zij, op een paar minuscule rolletje in onbetekenende films na, "in de wachtzaal" moest blijven zitten.
Aan die wachttijd kwam een einde toen Clark Gable op de set van "Gone with the wind", waar zijn afscheidswoorden "Frankly, my dear, I don't give a damn" nog weerkaatsten, zijn 36-ste verjaardag vierde. Judy zong een aangepaste versie van "You made me love you" en mocht er meteen mee in de film "Broadway-Melody of 1938". De regisseur van "The Wind" bood haar bovendien de hoofdrol aan in zijn volgende film "The Wizard of Oz". Victor Fleming draaide "The wizard of Oz" dus met Judy Garland, al was oorspronkelijk Shirley Temple voorzien.
En zo zijn we dan bij de "climax" aanbeland. Samen met de andere MGM-kindster Mickey Rooney draait ze tal van films, tot ze in "Little Nelly Kelly" voor het eerst de rol van een volwassene speelt. Ze huwt een beetje later trouwens de twaalf jaar oudere componist Dave Rose, die haar zwanger had gemaakt. Louis Mayer was razend. Niet alleen omdat dit hoegenaamd niet strookte met de "carrièreplanning" die hij voor Judy in petto had, ook uit jaloezie, want Mayer had al van bij de eerste kennismaking geprobeerd haar in bed te krijgen. Samen met moeder Ethel kan hij haar tot een abortus dwingen. Omdat echtgenoot Rose te weinig tegenstribbelt, sterft ook de verhouding met Judy een snelle dood.
In 1944 ontmoet ze echter regisseur Vincente Minnelli (28/2/1913-25/7/1984?), de zoon van een Italiaanse orkestleider en een Franse zangeres die door Arthur Freed uit Broadway naar Hollywood werd gehaald voor "Cabin in the sky". Minnelli draait met haar "Meet me in St.Louis", voor beiden vaak het hoogtepunt genoemd van hun artistieke carrière. Kort daarop treden ze samen in een huwelijk gearrangeerd door Louis Mayer, want Minnelli zelf was homoseksueel. Toch is het wellicht overbodig om erop te wijzen dat uit dit huwelijk Liza Minnelli is gesproten.
EEN VALLENDE STER
Maar dan komt de "peripetie", de ommekeer. Op zeven jaar tijd had de 24-jarige Judy zo maar eventjes vijftien films opgenomen en zowel fysisch al psychisch kon ze dit niet aan. Pepmiddelen, de onvermijdelijk daarmee gepaard gaande slaapmiddelen en natuurlijk ook de drank maakten haar onhandelbaar.
De eerste tekenen manifesteerden zich bij "The Pirate" (1947), nochtans een belangrijke film met Gene Kelly en met een originele partituur van Cole Porter, waarbij de opnamen vertraagd werden door ruzie met de regisseur... toevallig ook haar echtgenoot. De breuk werd hersteld en samen begonnen ze nog "Easter Parade" (met Fred Astaire, in 1948), maar nog tijdens de opnamen stuurde ze Minnelli de laan uit en werd hij vervangen door Charles Walters (in de regisseurstoel wel te verstaan). Het huwelijk werd definitief de nek omgedraaid toen ze Minnelli met de klusjesman betrapte. Judy hield er haar eerste zelfmoordpoging aan over: ze sneed zich de polsen over, maar allicht overdwars in plaats van in de lengte van de ader, zoals iedereen wel weet. Net als Johnny Hallyday het ontelbare malen na haar zou doen, werd ze "op tijd gered".
Maar dan ging het steeds meer bergaf, de "catastrofe" was niet meer te vermijden: in "The Barkleys van Broadway" (1949) moest ze na een paar opnamen reeds de plaats ruimen voor Ginger Rogers en een jaar later gebeurde hetzelfde in "Annie get your gun", waar Betty Hutton de gelukkige invalster was.
Bovendien zorgde de opkomst van de televisie voor een algehele terugval van de bioscoopfilm. Judy had ook definitief gebroken met haar moeder (haar vader van wie ze méér hield, was reeds gestorven) en zat nu volledig onder de drugs. Ze kostte MGM meer dan ze opbracht en in 1950 werd ze dan ook aan de deur gezet.
Haar derde huwelijk met producer Sidney Luft zorgde voor een tijdelijke come-back (een dochter uit dit huwelijk, Lorna Luft, is ook een, zij het minder bekende, zangeres geworden). "A star is born" (uit 1954) is zeker haar beste, ernstige rol. Misschien omdat het thema haar niet onbekend was: een vedette (James Mason) zinkt weg in het niet door zijn grillen, zijn dronkemansbuien, zijn onbetrouwbaarheid.
Het was maar een tijdelijke heropleving. De val was niet meer te stoppen, ook al omdat ex-bokser Luft Judy thuis vaak als punchbal gebruikte. De mislukte zelfmoordpogingen waren dan ook niet meer te tellen (Liza Minnelli kocht voor haar verjaardag een maagpomp en bij de roddelpers lag de titel "Judy Garland gestorven door overdosis" reeds klaar).
Liza was ondertussen op 3 maart 1967 zelf gehuwd met de Australische entertainer Peter Allen (o.m. tekstschrijver van "I go to Rio"). Allen was ontdekt in 1964, toen Judy Garland hem in Hongkong zag optreden. Judy zelf was op dat moment gehuwd met Mark Herron, maar die had stiekem een verhouding met Allen... net zoals Judy zelf ongetwijfeld. Bovendien kon Allen het niet echt verwerken dat de carrière van zijn vrouw Liza een hoge vlucht nam (Academy Award voor "Cabaret" in 1972), terwijl hij in de schaduw bleef staan. Het duurde dan ook niet lang meer (tot 1974 om precies te zijn) voor de twee uit elkaar gingen. Allen, die 48 geworden is, is in zijn woonplaats San Diego op 18 juni 1992 overleden "aan een ziekte die met aids te maken heeft".
Ook het huwelijk met Herron hield niet lang stand en toen probeerde Liza het een laatste maal met Mickey Deans, die haar als dealer uit de nood had geholpen. Hij had haar aan de illegale slaapmiddelen geholpen waarvan Judy er zes had ingenomen op 17 juni 1969 in haar huis in Londen. Toen ze even wakker werd, ging ze even naar het toilet, waar ze (verstrooid of doelbewust?) nog vier pillen slikte. Net als Elvis Presley later sliep ze in op het toilet en werd nooit meer wakker.
Ondanks haar afgang, had ze steeds een fanatieke aanhang behouden vooral in het travestiemilieu. Haar shows hadden nog succes ook al stond ze vaak dronken op scène. En toen ze uiteindelijk de roddelpers gelijk gaf door haar dood, dan nog slaagde ze erin meer mensen op de been te brengen dan Rudolph Valentino, toen die na zijn dood lag uitgestald. De begrafenis van Garland gaf overigens merkwaardig genoeg aanleiding tot bloedige rellen in Greenwich Village tussen treurende drag queens en de politie. Deze werden gereconstrueerd in "Stonewall" van Nigel Finch. Toen de film in 1996 op het Gentse Filmfestival te zien was, was de regisseur al overleden (aids?). De rellen zijn zowat de geschiedenis ingegaan als het begin van de Gay Liberation en worden nog steeds ieder jaar herdacht.
EPILOOG
Misschien vindt u desondanks dat de vergelijking tussen Janis Joplin en Judy Garland bij de haren getrokken is, omdat het Hollywood van Garland en San Francisco van Joplin twee werelden apart zijn. Maar dat is maar shijn, zoals véél schijn is in showbusiness. Waar het echt om gaat is het engagement dat er achter steekt. En zo doet het er uiteindelijk weinig toe of je musicals zingt of blues. Als je er maar echt achter staat. Als het écht is. The real thing.
Ronny DE SCHEPPER
Labels:
Janis Joplin,
Liza Minelli,
Vincente Minelli
zondag 2 december 2007
Gentse Feesten (historiek)
Ere wie ere toekomt, zonder Walter De Buck in het begin van de jaren zeventig zouden de Gentse Feesten, nu niet zijn wat ze zijn. Dat wil evenwel niet zeggen dat vóór De Buck de Arteveldestede zo dood was als een pier. De autoriteiten hadden daar wel goed hun best voor gedaan, maar het volk heeft steeds feest willen vieren, mét of zonder de toestemming van de hoge heren voor wie men reeds het hele jaar door de ruggen moest krommen.
LIEVER KERMIS DAN KROEG
De eerste kermissen in Gent hadden plaats in het Vleeshuis. In de middeleeuwen stond dit er toch immers ongebruikt bij omdat men tijdens de vasten geen vlees mocht eten. In dat Vleeshuis slaan nu ieder jaar tijdens de Gentse Feesten tal van handelaren hun standje op en kan men in een hoekje naar een poppenspelversie van "Genoveva van Brabant" of iets van die strekking gaan kijken. Ongewild geeft deze hele bedoening wellicht een vrij accuraat beeld van hoe het er destijds moet aan toe gegaan zijn.
Pas op het einde van de achttiende eeuw (de foor is dan reeds dermate uitgebreid dat nu ook de omgeving van het stadhuis erbij is betrokken) neemt het vertier de overhand op de handelsbeurs, die het tot dan toe eerder was.
Op 18 maart 1843 besloot de gemeenteraad dan toch de acht wijk- en parochiefeesten (ook wel "de acht zaligheden" genoemd), die van juni tot oktober van Gent een bijna permanente feeststad maakten, samen te voegen tot één week vertier in juni. In eerste instantie werd dit "les Fêtes Communales" genoemd, want het was op de eerste plaats toch een feest voor de burgerij. Zo slokten de paardenrennen in Sint-Denijs-Westrem een vierde van het budget (5.000 fr.) op, terwijl de buurtdekenijen het met 150 tot 200 fr. moesten stellen. Voor de gewone sterveling was er bijna enkel het bal populaire op de Kouter en de foor op het Sint-Pietersplein die eerst dus in het kader van de Feesten werd ingericht, maar heel snel een eigen plaats kreeg tijdens de halfvastenperiode, zoals het nu nog steeds is.
Er werd in die tijd ook brood bedeeld en als "volksverheffing" waren er gratis toneelvoorstellingen en mocht men kosteloos musea en historische gebouwen bezoeken. Aan de stadspoorten moest men echter wél betalen: het octrooi (de belasting om de stad binnen te mogen) bleef immers ook tijdens de feesten gehandhaafd. Vuurwerk kwam er al vroeg aan te pas en ook een "feestverlichting" met olie (vanaf 1915 was er de eerste elektrische verlichting).
Een andere reden om tot deze beslissing over te gaan was dat de kermis een gezinsuitstap was, daar waar de kroeg uitsluitend voor de man werd voorbehouden. Met vaak ook nog vrouw- en kindermishandeling als gevolg, als hij dronken thuis kwam. En zo kwam het dat ook de Socialistische Partij een monsterverbond aanging met Kerk & Kapitaal om al die slempartijen een beetje in te dijken. Met name in 1920 voerde zij actie tegen de carnavalsfeesten. De Mardi Gras was wel alweer vooral een voorrecht van de burgerij, maar "slonsendag" maakte er ook deel van uit en dat was de dag dat het proletariaat zich ook eens "goed liet gaan", zoals Felice dat zou zeggen. Daarom werd de vrije week van carnaval naar de week rond 21 juli verplaatst en kregen de Gentse Feesten een meer algemeen karakter.
Vanaf 1931 kwam er opnieuw een foor tijdens de Gentse Feesten, want die was oorspronkelijk bedoeld om de werkloosheid bij de foorkramers wat in te dijken. Deze kunstmatige poging tot heropleving van de feesten kende echter weinig succes. Toch is het opvallend dat als tijdens de oorlog een Ivanov’s Detectiveroman verschijnt over inspecteur Robert “van de Geheime Politie van Gent”, er op een bepaald moment wel wordt vermeld dat hij zich met tegenzin over een bepaalde zaak buigt, aangezien hij speciaal vakantie had genomen voor de Feesten!
In de jaren vijftig wordt het bal op de Kouter opgedoekt, net zoals andere attracties. Dat alles heeft uiteraard ook te maken met de "vercommercialisering" van het volkse vermaak, zoals dat uit de Verenigde Staten is komen overwaaien, en niet op de laatste plaats door de komst van de televisie. Eén van de elementen die teloorgingen was het variété.
REVIVAL GENTSE FEESTEN
Zo kan men zeggen dat de Gentse Feesten een stille dood waren gestorven tot Walter De Buck in de overlevenden van mei '68 blijkbaar wel een gezonde voedingsbodem vond voor een geslaagde revival in 1970. Walter De Buck (1934) was een plastisch kunstenaar (Staatsprijs voor Beeldhouwkunst in 1958!) die net als The Beatles en zovele anderen in de sixties naar India was gegaan om daar het licht te zien. Hij liet daar het lied "'k Zijn al zo lang op weg geweest" horen aan zijn goeroe en alhoewel deze mens geen gebenedijd woord moet begrepen hebben van wat De Buck daar zong, raadde hij hem aan terug te keren naar Gent (dan was hij ervan af natuurlijk) en daar "een feest te maken". De Gentse middenklasse kwam toen al lang niet meer naar de Gentse Feesten (die gingen liever naar de Belgische kust of, als ze nog méér geld hadden, naar de Costa Brava). Gent was op dat moment enkel nog bevolkt door studenten, werklozen en bejaarden. De eersten herkenden zich in de rebel De Buck, de laatsten werden gecharmeerd door de liedjes van Kareltje Waeri, die hij van zijn vader had geleerd.
Ook acteur Bob de Moor is één van de initiatiefnemers van de herleving van de Gentse Feesten om de eenvoudige reden dat de kapperszaak van zijn vader op het Sint-Jacobspleintje lag en dat hij Walter De Buck daar stroom liet aftappen, telkens de leidingen in Trefpunt weer eens gesprongen of afgesloten waren. Zelf is De Moor echter niet naar India gereisd. "In Saloniki had ik al heimwee naar de Mokabon."
Maar goed, op 18 juli opende Walter De Buck met compaan Wannes van de Velde de feestelijkheden en verder kwamen dat jaar nog o.a. Rum, de Cotton City Jazz Band en natuurlijk Roland and his Bluesworkshop aan bod. Tijdens het optreden van Derroll Adams begon het te regenen en zoals de legende het wil, kwamen alle toeschouwers op het podium staan, omdat het daar tenminste droog was. Dat kon toen nog.
Een ervaringsdeskundige aan het woord. De latere zanger van Gorki, Luc De Vos, was naar eigen zeggen nog maar een kleuter in die tijd, maar aan de hand van zijn moeder ging hij “met de bus naar Gent (…) om naar de hippies te kijken. We hadden al hippies gezien op onze zwart-wittelevisie die in dat jaar haar intrede had gedaan in ons werkmensenhuis. Die hippies zaten in Holland op de Dam in Amsterdam. Maar nu hadden we ook onze eigen hippies, hier gewoon in Gent. Dat moesten we zien natuurlijk! Vooral mijn moeder, om haar vooroordeel en haar eigen gelijk bevestigd te zien. Toen ik die vrolijke jongens en meisjes bezig zag daar op het Sint-Jacobsplein dacht ik meteen: ik ga ook hippie worden. Dit in tegenstelling tot mijn moeder, die dat allemaal luizigaards vond. Nooit, neen, nooit zou zij hippie worden. Ze had het beter gedaan, dan had ze nog wat lol gehad in haar bestaan. Achteraf is gebleken: het is dankzij deze hippies dat Gent de stad is geworden die zij nu is.” (in Zone 09, 11/7/2007)
Romain De Coninck speelde in de Minard "de Ronde van Frankrijk", die tijdens het openingsweekend voor de tweede maal werd gewonnen door Eddy Merckx, en op de Kouter draaide men... fonoplaten! Zo spectaculair zag het er in deze beginfase dus zeker niet uit. Maar met de Karel Waeri-herdenking op zondag gaven de jongens en meisjes van Trefpunt aan waar hun "roots" lagen...
Fabien Audooren vertelt op het internet hierover: "Wat ik mij nog herinner van de eerste Gentse Feesten is de kleinschalige organisatie en het spontane karakter van het geheel. Ik kende Walter De Buck nauwelijks, maar toch had ik het gevoel dat ik er bij hoorde, bij die bonte mengeling van alternatieven en langharigen. De eerste keer dat ik op het pleintje verzeilde tijdens die bewuste eerste feesten, was Rudy Bellemans van de Doolaards aan het optreden, samen met een Ier, die ik achteraf nooit meer gezien heb. Ik had Rudy Bellemans leren kennen in Antwerpen, en we hadden bij hem thuis al samen gemusiceerd. Hij zag me zitten tussen het volk, zo'n vijftig à zestig man, en hij riep me op het podium. Er werd ergens een gitaar gehaald en ik mocht meespelen. Het podium bestond uit drie kleine pratikabels, het was ook niet overdekt, en in het midden stond er maar één micro. Met hoeveel muzikanten je ook op het podium stond, er was maar één micro beschikbaar. We speelden nummertjes uit het klassieke folkrepertoire, liedjes die iedereen kende, en we hadden nog succes ook. Dat was mijn eerste optreden op de Gentse Feesten.”
Een jaar later was Wannes er weer, maar deze keer om de Feesten te besluiten. Het was de derde W die met Walter De Buck mocht openen deze keer: Willem Vermandere. Opnieuw Fabien Audooren: “In die tijd was Mong Rosseel samen met enkele vrienden het buurthuis 'Kontakt' begonnen in de Sleepstraat en Walter kwam daar geregeld spelen. De tweede Gentse Feesten traden we op met het koor van het buurthuis. Walter had ook gevraagd of we met enkele mensen van het buurthuis konden helpen bij de drankverkoop. Op die manier waren we dicht bij de feesten betrokken. In oktober vierden we de eerste verjaardag van het buurthuis en voor die gelegenheid hadden we met een paar vrienden een show in elkaar geknutseld. Dit was de geboorte van Vuile Mong en de Vieze Gasten. Walter had ons zien optreden en hij gaf ons een kans om, tussen het tappen en bestellen door, op de Gentse Feesten van 1972 op te treden. Het publiek was laaiend enthousiast. Walter geloofde erg in de groep en in augustus nam hij ons mee door Vlaanderen als voorprogramma. Voor we het beseften, werden we een veelgevraagde groep. Die doorbraak is er grotendeels gekomen door dat optreden op de feesten en door de stimulans die we van Walter kregen. De Vieze Gasten zijn nu nog steeds een vaste waarde in het programma.”
“De eerste jaren werd er op alle vlakken geïmproviseerd. Naast de programmatie op het podium was er veel ruimte voor de inbreng van het publiek. Het podium stond altijd vol met mensen die de groepen liever van dicht volgden, en er zaten ook altijd mensen tussen die spontaan de pauzes tussen de verschillende optredens verzorgden met Gentse liedjes. Don Camillo was een vaste gast. Hij was steeds gekleed in pitteleir, een wit ondervestje en chapeau‑buse. Met zijn zelfgebouwde percussie‑instrumenten of op zijn mondharmonika speelde hij elke avond als entr'acte It's a long way to Tipperary of Oh Suzanna. Jerôme Rieux was ook een vaste zanger. Hij had een veel uitgebreider repertoire, maar zijn beste nummers waren toch De sterkste man van Gent en 't Sleutelgoatse. Naarmate hij ouder werd kon hij zijn teksten moeilijker onthouden, maar er was altijd wel iemand in het publiek die hem de volgende zin kon toeroepen. Alles kon, en alles mocht. Elke avond waren er jam‑sessions die meestal tot de vroege ochtend duurden.”
“Op de Vlasmarkt was er toen maar één café open tijdens de feesten: 'De Ekkentu'. Dit café werd uitgebaat door Cecile Carels. Zij was ook vanaf het eerste uur betrokken bij de feesten en haar café was gedurende die tien dagen dag en nacht open. Elke avond waren er optredens. Roland, de Piotto's
en Waso traden er geregeld op. Guido Schiffer op viool en ik op accordeon hebben daar vele nachten gespeeld. Meestal stonden er meer dan honderd mensen binnen, opeengepakt op de vloer, op de stoelen, op de tafels, en de sfeer was ongelooflijk. Soms gebeurde het dat iedereen, in de mate van het mogelijke, stond mee te dansen zodat de vloer het dreigde te begeven. Er stond dan iemand in de kelder die kwam roepen als de vloer te veel begon mee te geven, en dan moesten we onmiddellijk stoppen. De jaren nadien hebben ze de vloer speciaal ondersteund voor de feesten.”
“In de namiddag waren er ook altijd activiteiten voor de kinderen. Stekelbees heeft jaren het jeugdatelier onder de naam Patati Patata op zich genomen.”
“Vanaf 1972 werden er om de dag af te sluiten, of beter om de volgende dag te beginnen, films gedraaid. Marc Van Hecke, die van 1970 tot en met 1982 voor de geluidsversterking zorgde, selecteerde de films. Er zaten soms veel mensen te kijken, zelfs als het beeld bijna niet meer zichtbaar was omdat het 's morgens al te klaar was.”
“Ieder jaar opnieuw werd de draak buiten de stad opgehaald om dan stoetsgewijze naar Sint‑Jacobs te komen. Later heb ik verschillende ideeën voor de stoet uitgewerkt, zoals de wandelende parodie op de gemeenteraad, de reuzentaart met de koppen van politiekers, de act met de guillotine, enz.”
“De Vlasmarkt was toen de plaats bij uitstek voor straatanimatie. Jaar na jaar stond Mong Rosseel er met een spooktent, waar zelfs Arne Sierens en Wim Meuwissen nog aan meegewerkt hebben. Pol De Braeckeleer van De Muur heeft daar ook nog met het reuzenei, de koe, het kaartenhuisje en de muur gestaan. Schitterende animaties die zeer veel volk lokten, en waar je voor 20 frank steevast bedot was. Het was verbazend dat wie één van deze attracties bezocht had, weigerde om de inhoud te verklappen aan de anderen. Zelf zien en zelf beleven was de boodschap.”
“Gust Buysse is jarenlang ook een vaste animator geweest op de Vlasmarkt. Elk jaar probeerde hij een nieuw wereldrecord te vestigen. Zijn naam veranderde mee met zijn recordpogingen: Guust de stempelaar, Guust de
wortelschreper, Guust de muilentrekker, enz. Zijn merkwaardigste stunt was
misschien wel het wereldrecord briefschrijven aan president Reagan.”
“Wat ik me ook nog goed herinner is de stunt van Jan Verroken. Hij liep op een schuine kabel omhoog van het druppelkot op Sint‑Jacobs naar een kraan die op het einde van de Vlasmarkt stond. Elke dag werd deze stunt keer op keer uitgesteld. De voorlaatste dag liep hij dan toch terwijl de fanfare van Sint-Juttemis zorgde voor een muzikale begeleiding waarvan je kippevel kreeg.”
“De eerste jaren werkte ik als tapper en naarmate de feesten groeiden werd het steeds moeilijker om op een treffelijke manier te tappen. We moesten soms zo snel bestellen dat de koeling van de taps het niet meer haalde en er enkel nog schuim uit de tapkranen kwam. Toen lieten we gewoon emmers vollopen waaruit we dan de pinten schepen. Toen kon dat nog en accepteerden de mensen dit. Er was trouwens een groot voordeel aan: de pintjes waren steeds tot de rand gevuld! Vandaag zou je om hygiënische redenen uiteraard onmiddellijk het kraam moeten sluiten.”
“Een plezante anekdote uit die tijd was dat Walter en Dick Rogiers op een morgen verdwenen waren. Spoorloos. Er brak paniek uit, want ze hadden de kas meegenomen. Tegen de avond kwamen ze goed in de wind terug. Ze hadden een bloemenwinkel leeggekocht en de bloemen aan het station uitgedeeld aan de treinreizigers. Als reden gaven ze op dat dit een uitstekende campagne was voor de public relations van de Gentse Feesten.”
Oorspronkelijk lag het stadsbestuur dwars omdat de rebelse geest van de oude kermissen opnieuw door de stad waarde, maar toen de dekenijen geld roken en mee op de wagen sprongen, kwam men toch over de brug. Het "Bal 1900" op de Kouter werd in ere hersteld en vanaf 1974 kwam er een officiële openingsstoet met o.a. de Fanfare van de Lochte Genteneirs. De Snaar en Papa Doc stonden op het podium. Er werd voor het eerst ook opnieuw een Stropke verkozen (en om in de rebelse geest te blijven, werd het al meteen een meisje: Lutgarde Burggraeve) en wijlen John Massis liet in 't Museetje (nu het Huis van Alijn) z'n spierballen zien.
In 1975 liep het pleintje al goed vol voor mensen als Armand en Kris De Bruyne. Toch waren er nog altijd moeilijkheden omdat Walter De Buck, ondanks al zijn verdiensten, verplicht werd om de muziek in zijn Martiko om 22.30u af te zetten en om 1u de deuren te sluiten. Berten De Keyzer (de vader van Laurens) schreef: "De stad schijnt op de ene of andere wijze Walter De Buck te willen kelderen. Andere organisaties zouden veel subsidies krijgen." De pastoor van Sint-Jacobs klaagt (terecht) dat zijn kerk als pissijn wordt gebruikt.
Bijgevolg schreef hoofdcommissaris Mortier zelfs nog in 1976 een ophefmakend rapport voor de burgemeester waarin hij er zijn beklag over deed dat "Sint-Jacobs zich bij de buitenlandse hippies enige faam heeft verworven" en dat "die het niet zo nauw nemen met de moraliteit". Ook "sommige spektakels druisen in tegen de openbare orde en zeden". Vooral "de films die op het pleintje gedraaid worden zijn vaak bijzonder sterk gekruid". Dat was in de tijd dat het avondprogramma nog met een film werd besloten en eigenlijk was het alleen de tekenfilm "Fritz the Cat" die voor enig vertier zorgde. Maar moesten de kinderen toen niet al lang in hun bed liggen? Ook Cinema Vooruit protesteerde hiertegen. Niet omwille van het fatsoen, maar wegens de "oneerlijke concurrentie". Feestschepen Moreeuw van zijn kant stoorde zich aan de infostandjes die traditiegetrouw rond het pleintje stonden opgesteld. Ook hij zag "een sfeerverschuiving à la Amsterdam".
Een jaar later kwam de nieuwe schepen van feestelijkheden, Jef Ackerman, een kijkje nemen en vond het "plezanter dan ze hem hadden wijsgemaakt". Een en ander belette echter niet dat het Willem Breuker Kollektief wegens lawaaihinder door de politie van het podium werd gejaagd. Toch woei er voortaan een nieuwe wind: de eerste (geringe) subsidies gingen over de toonbank en er werd door de stad ook al wat praktische hulp verleend. In 1979 kwam zelfs cultuurminister Rika De Backer met wat subsidies over de brug.
PROFESSIONALISERING
Ook Geert Hoste heeft de tijd nog meegemaakt dat de Gentse Feesten veel kleinschaliger waren, maar hij doet niet mee aan dat nostalgisch geleuter. "Dat zijn altijd dezelfde mensen die klagen. Eigenlijk is dat omdat ze nu deftig getrouwd zijn en niet meer zoals op hun achttiende zich elke nacht lazerus kunnen zuipen en naar een lief op zoek gaan. Nee, als je eerlijk bent, moet je toegeven dat het allemaal juist veel professioneler is geworden. Het stadsbestuur heeft dat goed in handen."
Dat de Gentse Feesten in de zeventiger jaren, toen al zelfs buiten Gent, een unieke uitstraling hadden, wordt bewezen door het feit dat veel festivals in Vlaanderen zich geïnspireerd hebben op de Gentse Feesten: de Lokerse Feesten, de Paulusfeesten in Oostende, het Straatfestival in Vlissingen, het Cactusfestival in Brugge, de Savooifeesten in Ninove, de Steenfeesten in Antwerpen, enz.
Fabien Audooren: “In 1982 hebben we het gebouw aangekocht waar nu het Nieuwpoorttheater is. Vanaf 1980 hebben we die ruimte gebruikt tijdens de Gentse Feesten om er theatergezelschappen en aanverwante acts te programmeren. In de tweede helft van de jaren tachtig is Dirk Pauwels met enkele vrienden begonnen met de uitbouw van wat nu het Nieuwpoorttheater is.”
“In die tijd werd er ook altijd rond een thema gewerkt, of werd er een instrument in het daglicht gesteld. De meest uiteenlopende zaken zijn aan bod gekomen: 'Culturen als Buren', 'Wat betekent volksmuziek in de wereld van vandaag?', 'Wa gaade gij worden als ge groot zijt?', 'Het getal 13', De doedelzak, 'Het Geheim', 'De tip van de Sluier', enz. De laatste jaren werken we zonder thema. Er komen zoveel verschillende culturele aspecten aan bod tijdens de Feesten dat je voor elke editie wel tien namen kan bedenken.”
Het werd allemaal veel professioneler en voor Walter De Buck zelfs een beetje te veel. Vanaf 1985 nam Guido De Leeuw over.
Fabien Audooren: “Sinds 1985 is er een nieuwe Raad van Beheer, waarvan ook ik deel uitmaak. Door allerlei omstandigheden was er dat jaar een enorm verlies van ongeveer 3.000.000 fr. Om die put te vullen hebben we toen voor de volgende jaren voor het eerst een beleidsplan uitgewerkt. In dat plan werd alles heel strikt gebudgetteerd. Het artistieke budget werd vastgelegd, en moest strikt nageleefd worden. Het plein kreeg een nieuwe indeling, het podium werd verplaatst en er kwam een nieuwe tentenstructuur. We hebben ook moeten bezuinigen op de onkostenvergoedingen voor de medewerkers, enz. Elke frank werd twee maal omgedraaid voor we hem uitgaven. De steun die we tot dan toe van de stad kregen, beperkte zich tot het betalen van enkele groepen, die ook op de andere grote pleinen optraden, en het leveren van de podia, nadars en vlaggenmasten. Binnen deze krappe begroting werd er, naast de programmatie, toch plaats gevonden om elk jaar opnieuw opdrachten te geven aan enkele plastische kunstenaars. Als één van de hoogtepunten wil ik De Vlieger (1983) van Luc Van Haegenborgh vermelden. Hij was trouwens ook de man achter de reuzenbetonblok die we in 1980 met vzw Trefpunt aan de stad schonken.”
“Sinds 1985 heeft ook de sponsoring zijn intrede gedaan op Sint‑Jacobs. Voor die tijd kregen we hier en daar wat materiaal en een beetje geld van de brouwerij. Door de stijgende kosten voor de programmatie, de infrastructuur, de medewerkers, en niet te vergeten de BTW en de bedrijfsvoorheffing op buitenlandse artiesten, is sponsoring voor de organisatie van de Gentse Feesten onontbeerlijk geworden. De steun die we van de overheid krijgen is zelfs niet voldoende om de BTW en de bedrijfsvoorheffing te betalen. Toch proberen we in de mate van het mogelijke het pleintje zelf vrij te houden van reclamepanelen en agressieve publiciteitscampagnes. Het pleintje is er in de eerste plaats voor de concerten, voor de plastische aankleding en voor het publiek. Wij willen die sfeer proberen te behouden. Tot vandaag begrijpen en respecteren onze sponsors dit.”
In 1988 moest de laatste draaimolen aan Sint-Jacobs plaats ruimen voor de Spiegeltent.
Tot 1989 kreeg vzw Trefpunt van de stad op artistiek vlak een paar groepen
aangeboden via de Dienst Culturele Animatie. De Korenmarkt kreeg er nog eens 800.000 fr. bovenop, en het Sint‑Baafsplein werd volledig georganiseerd door de stad.
Fabien Audooren: “In datzelfde jaar hebben we toen een voorstel uitgewerkt met een nieuwe verdeelsleutel voor de subsidies en die aan het nieuwe stadsbestuur voorgesteld. Elke organisator zou subsidies ontvangen in verhouding tot het artistieke budget dat hij zelf investeerde. Het stadsbestuur is ons daar gedeeltelijk in gevolgd, in die mate dat ze voor de drie grote pleinen ongeveer evenveel subsidieerden. Voor Sint‑Jacobs betekende dit een subsidieverhoging van meer dan 1.000 %!”
“Nog in 1989 zijn Guido De Leeuw en ik naar de stad gegaan met het voorstel om in Gent een straattheaterfestival te organiseren. De stad heeft onmiddellijk enthousiast gereageerd. Ze wilden zelfs als gelijkwaardige partner mee organiseren. Vzw Trefpunt zou instaan voor de artistieke invulling, en de stad zou de praktische realisatie op zich nemen. In 1990 hebben we samen het eerste Europees Straattheaterfestival te Gent georganiseerd. Dit festival sloeg in als een bom en het wantrouwen dat voordien leefde bij sommige beleidsmensen en collega‑organisatoren, veranderde snel in een laaiend enthousiasme. Eén van de sterkste troeven van het Straattheaterfestival was dat het zeker geen elitair festival was. Het Straattheaterfestival was toegankelijk voor iedereen, en bijna alle voorstellingen waren gratis. Omdat de groepen op straat optraden, speelde ook hier de spreekwoordelijke drempelvrees, die de cultuurtempels wel met zich meebrengen, geen enkele rol.”
“Tijdens het eerste Straattheaterfestival werd al snel duidelijk dat er
ook bij ons een ruime belangstelling groeide voor openluchtvoorstellingen van hoog artistiek niveau. In 1992 werd de naam van Vzw Trefpunt dan ook aangevuld met de ondertitel: Productiecentrum voor Kunsten op Straat. We wilden naast het hoge aantal kwalitatief goede buitenvoorstellingen die beschikbaar waren uit het buitenland, zelf starten met de realisatie van volwaardige buitenproducties. Tijdens het tweede Europese Straattheaterfestival realiseerden we één eigen buitentheaterproductie, Arena, en één coproductie met het Theaterfestival aan de Werf uit Utrecht, Aero.”
“Eén van de onderdelen van het tweede Europese Straattheaterfestival werd De Grote Prijs Guido Claus, ter nagedachtenis van Guido Claus, één van de Twee Wezen, met wie wij jarenlang een prettige en vriendschappelijke samenwerking hadden. Jarenlang was hij ook medewerker op Sint‑Jacobs als schenker in ons Druppelkot. Deze wedstrijd is bedoeld voor jonge en nieuwe groepen, en voor solospelers die, met een minimum aan materiaal, toch een boeiende voorstelling weten te realiseren. De eerste prijs werd gewonnen door de Compagnie Contre‑Pour met hun voorstelling: Les Hommes en Noir."
“In 1990 zijn we tijdens de Feesten gestart met de organisatie van orgelconcerten in de Sint‑Jacobskerk. Iedereen kende de Sint‑Jacobskerk, één van de mooiste kerken van Gent, langs de buitenkant, maar de meesten onder ons waren er nooit binnen geweest. Die kerk is gedurende het jaar, buiten de kerkdiensten, niet open voor bezoekers. Er kwamen heel wat luisteraars naar de concerten; sommigen waren enkel geïnteresseerd in het interieur. Sinds 1991 geven we voor deze concerten compositieopdrachten aan hedendaagse Vlaamse componisten.”
HOLLANDERS
Alhoewel wij nooit zouden gedacht hebben dat urine een goede meststof was, dan moet het aftreksel van ettelijke Duvels blijkbaar toch erg gunstig op die voedingsbodem hebben ingewerkt, want de mensen van Trefpunt hebben uitgerekend dat er nu jaarlijks om en bij het miljoen mensen op Sint-Jacobs passeren. Daarbij groeien en bloeien er zoveel Hollanders dat een Gentse kat er haar jongen niet meer kan vinden. Of zoals Laurens De Keyzer stelt: "Het is net alsof je op bezoek bent in je eigen stad, een merkwaardig gevoel. Hinderen doen ze me echter niet, het duurt tenslotte maar tien dagen en Hollanders mogen zich toch ook amuseren, of niet soms? 't Zijn toch leuke feesten? Maar wel vuile. Op die manier ben ik altijd blij dat de Gentse Feesten achter de rug zijn, omdat de stad dan weer wat properder wordt. Vroeger was het pleintje bij Sint-Jacobs natuurlijk wel lekker vuil, maar daarrond zat je alweer in een andere wereld. Nu is het overal hetzelfde. Je kan nergens nog rust vinden. Op iedere hoek van de straat staat er wel iemand te jengelen. Ik heb dan ook zeer veel respect voor het werk van de reinigingsdienst in die periode. Ik vind het trouwens zalig om ze bezig te zien. Het is alsof je eigen bovenkamer gekuist wordt. Vooral als je teveel gedronken hebt, wat mij wel eens pleegt te overkomen. Dan is het alsof ik gezuiverd word, alsof ik naar de biecht ben geweest."
VERNIEUWING
Op 13 juli 1999 gaven zowel Walter De Buck als cultuurschepen Jaak De Poorter, die op die dag resp.65 en 60 jaar werden en met (voor de laatste: vervroegd) pensioen gingen, de fakkel door aan de jongere generatie. Deze editie werd echter met een financiële kater afgesloten, zodat vzw Trefpunt besloot om enkele zaken terug te schroeven. Zo was er in 2000 in het Baudelopark geen Spiegeltent meer. Het Wijkpaleis blijft wel staan om er zweterige tango's en andere buikdansen te euh... dansen.
Voor het eerst sinds dertig jaar werden de Feesten dus ook niet geopend door Walter De Buck, maar hij sluit ze nog wel altijd af (zij het dan net voor de haast even onvermijdelijke Raymond van het Groenewoud). In de plaats van De Buck werd als openingsact een Turkse zangeres aangetrokken om aan te geven dat de Feesten er ook zijn voor de "nieuwe Gentenaars", aldus Guido De Leeuw. Toch is ook Gents Nationalisme op zijn plaats, met het Gents Nationaal Zangfeest, waarbij Guido Naessens in samenzang met het publiek nog eens zijn Gentse "klassiekers" doorneemt...
De grote vernieuwing kwam er echter in 2002 toen de nieuwe feestenburgemeester Daniël Termont als "sterkste man van Gent" (voor een goed doel had hij deze klassieker nog eens op CD gezet) niet alleen komaf wilde maken met de traditionele programmatie op "gevestigde" pleinen als Sint-Baafs of de Korenmarkt (die programmatie ligt immers al jaren onder vuur), maar ook die van Sint-Jacobs zelf. Inderdaad, niet alleen blijkt de opkomst hier fel achteruit te gaan (al kan dat onmogelijk de enige reden tot kritiek zijn, aangezien de Groentenmarkt die met covergroepen als Chris Hageland en Zep Zupiler nog altijd enorm succes kent, toch ook geviseerd wordt), vooral de jongeren laten het afweten. Zelfs als er een avond speciaal voor hen wordt geprogrammeerd. Het mag dus duidelijk zijn: de ouwe rakkers van Trefpunt hebben de overstap naar de 21ste eeuw gemist.
Daarop werd gereageerd met twee nieuwe podia: één aan de Korenlei, waar de programmatie in handen was van de exoten van Polé Polé, en één aan de Oude Beestenmarkt, dat vooral hiphop, house, trance en wat weet ik al meer moest brengen. Werd het eerste initiatief door iedereen gesmaakt (net als het Blue Note Jazzfestival in de Bijloke en het Gravensteen), dan kwam er op het tweede wel veel kritiek vanuit de omliggende apartementsgebouwen. Typisch was dat deze in de krant "De Gentenaar" werd geformuleerd door Miel Swillens, typisch dus iemand "uit de jaren zestig/zeventig". Hij wees de journalisten op hun deontologische plicht om niet enkel euforisch te doen over de dance-acts die zich aanboden, maar om de feesten ook kritisch te benaderen, wat geluidsoverlast e.d. aangaat.
Als antwoord gaf De Gentenaar prompt hun dagelijkse Gentse Feestenprijs aan de programmatoren van de Oude Beestenmarkt. En alsof dat nog niet volstond als opgestoken middenvinger tegenover die "soixante-huitards", gaven ze 's anderendaags ook nog een prijs aan de vzw Starbot, die wegens geluidsoverlast een avondje op het schoolplein van Sint-Bavo moesten laten voorbijgaan, maar die dan maar een openluchtfuif gaven aan het beeld van Karel Waeri dat Walter De Buck op het Beverhoutplein heeft geplaatst.
Ze deden dit onder het motto: "De straten zijn van iedereen". Dit was een duidelijke verwijzing naar de "rebelse" stoet onder leiding van Eric Goeman die nà de officiële openingsstoet was opgestapt. Nochtans werd deze "rebellenclub" bijna uitsluitend bevolkt door gouwe ouwen als Walter De Buck, Patrick Cohen, Mong Rosseel en zelfs Mon Cocquyt. Hier kon men dus moeilijk van een "verjonging" spreken...
Maar verjonging of niet, in totaal zouden dat jaar anderhalf miljoen mensen de feesten bezoeken. Een recordopkomst.
Ronny De Schepper
LIEVER KERMIS DAN KROEG
De eerste kermissen in Gent hadden plaats in het Vleeshuis. In de middeleeuwen stond dit er toch immers ongebruikt bij omdat men tijdens de vasten geen vlees mocht eten. In dat Vleeshuis slaan nu ieder jaar tijdens de Gentse Feesten tal van handelaren hun standje op en kan men in een hoekje naar een poppenspelversie van "Genoveva van Brabant" of iets van die strekking gaan kijken. Ongewild geeft deze hele bedoening wellicht een vrij accuraat beeld van hoe het er destijds moet aan toe gegaan zijn.
Pas op het einde van de achttiende eeuw (de foor is dan reeds dermate uitgebreid dat nu ook de omgeving van het stadhuis erbij is betrokken) neemt het vertier de overhand op de handelsbeurs, die het tot dan toe eerder was.
Op 18 maart 1843 besloot de gemeenteraad dan toch de acht wijk- en parochiefeesten (ook wel "de acht zaligheden" genoemd), die van juni tot oktober van Gent een bijna permanente feeststad maakten, samen te voegen tot één week vertier in juni. In eerste instantie werd dit "les Fêtes Communales" genoemd, want het was op de eerste plaats toch een feest voor de burgerij. Zo slokten de paardenrennen in Sint-Denijs-Westrem een vierde van het budget (5.000 fr.) op, terwijl de buurtdekenijen het met 150 tot 200 fr. moesten stellen. Voor de gewone sterveling was er bijna enkel het bal populaire op de Kouter en de foor op het Sint-Pietersplein die eerst dus in het kader van de Feesten werd ingericht, maar heel snel een eigen plaats kreeg tijdens de halfvastenperiode, zoals het nu nog steeds is.
Er werd in die tijd ook brood bedeeld en als "volksverheffing" waren er gratis toneelvoorstellingen en mocht men kosteloos musea en historische gebouwen bezoeken. Aan de stadspoorten moest men echter wél betalen: het octrooi (de belasting om de stad binnen te mogen) bleef immers ook tijdens de feesten gehandhaafd. Vuurwerk kwam er al vroeg aan te pas en ook een "feestverlichting" met olie (vanaf 1915 was er de eerste elektrische verlichting).
Een andere reden om tot deze beslissing over te gaan was dat de kermis een gezinsuitstap was, daar waar de kroeg uitsluitend voor de man werd voorbehouden. Met vaak ook nog vrouw- en kindermishandeling als gevolg, als hij dronken thuis kwam. En zo kwam het dat ook de Socialistische Partij een monsterverbond aanging met Kerk & Kapitaal om al die slempartijen een beetje in te dijken. Met name in 1920 voerde zij actie tegen de carnavalsfeesten. De Mardi Gras was wel alweer vooral een voorrecht van de burgerij, maar "slonsendag" maakte er ook deel van uit en dat was de dag dat het proletariaat zich ook eens "goed liet gaan", zoals Felice dat zou zeggen. Daarom werd de vrije week van carnaval naar de week rond 21 juli verplaatst en kregen de Gentse Feesten een meer algemeen karakter.
Vanaf 1931 kwam er opnieuw een foor tijdens de Gentse Feesten, want die was oorspronkelijk bedoeld om de werkloosheid bij de foorkramers wat in te dijken. Deze kunstmatige poging tot heropleving van de feesten kende echter weinig succes. Toch is het opvallend dat als tijdens de oorlog een Ivanov’s Detectiveroman verschijnt over inspecteur Robert “van de Geheime Politie van Gent”, er op een bepaald moment wel wordt vermeld dat hij zich met tegenzin over een bepaalde zaak buigt, aangezien hij speciaal vakantie had genomen voor de Feesten!
In de jaren vijftig wordt het bal op de Kouter opgedoekt, net zoals andere attracties. Dat alles heeft uiteraard ook te maken met de "vercommercialisering" van het volkse vermaak, zoals dat uit de Verenigde Staten is komen overwaaien, en niet op de laatste plaats door de komst van de televisie. Eén van de elementen die teloorgingen was het variété.
REVIVAL GENTSE FEESTEN
Zo kan men zeggen dat de Gentse Feesten een stille dood waren gestorven tot Walter De Buck in de overlevenden van mei '68 blijkbaar wel een gezonde voedingsbodem vond voor een geslaagde revival in 1970. Walter De Buck (1934) was een plastisch kunstenaar (Staatsprijs voor Beeldhouwkunst in 1958!) die net als The Beatles en zovele anderen in de sixties naar India was gegaan om daar het licht te zien. Hij liet daar het lied "'k Zijn al zo lang op weg geweest" horen aan zijn goeroe en alhoewel deze mens geen gebenedijd woord moet begrepen hebben van wat De Buck daar zong, raadde hij hem aan terug te keren naar Gent (dan was hij ervan af natuurlijk) en daar "een feest te maken". De Gentse middenklasse kwam toen al lang niet meer naar de Gentse Feesten (die gingen liever naar de Belgische kust of, als ze nog méér geld hadden, naar de Costa Brava). Gent was op dat moment enkel nog bevolkt door studenten, werklozen en bejaarden. De eersten herkenden zich in de rebel De Buck, de laatsten werden gecharmeerd door de liedjes van Kareltje Waeri, die hij van zijn vader had geleerd.
Ook acteur Bob de Moor is één van de initiatiefnemers van de herleving van de Gentse Feesten om de eenvoudige reden dat de kapperszaak van zijn vader op het Sint-Jacobspleintje lag en dat hij Walter De Buck daar stroom liet aftappen, telkens de leidingen in Trefpunt weer eens gesprongen of afgesloten waren. Zelf is De Moor echter niet naar India gereisd. "In Saloniki had ik al heimwee naar de Mokabon."
Maar goed, op 18 juli opende Walter De Buck met compaan Wannes van de Velde de feestelijkheden en verder kwamen dat jaar nog o.a. Rum, de Cotton City Jazz Band en natuurlijk Roland and his Bluesworkshop aan bod. Tijdens het optreden van Derroll Adams begon het te regenen en zoals de legende het wil, kwamen alle toeschouwers op het podium staan, omdat het daar tenminste droog was. Dat kon toen nog.
Een ervaringsdeskundige aan het woord. De latere zanger van Gorki, Luc De Vos, was naar eigen zeggen nog maar een kleuter in die tijd, maar aan de hand van zijn moeder ging hij “met de bus naar Gent (…) om naar de hippies te kijken. We hadden al hippies gezien op onze zwart-wittelevisie die in dat jaar haar intrede had gedaan in ons werkmensenhuis. Die hippies zaten in Holland op de Dam in Amsterdam. Maar nu hadden we ook onze eigen hippies, hier gewoon in Gent. Dat moesten we zien natuurlijk! Vooral mijn moeder, om haar vooroordeel en haar eigen gelijk bevestigd te zien. Toen ik die vrolijke jongens en meisjes bezig zag daar op het Sint-Jacobsplein dacht ik meteen: ik ga ook hippie worden. Dit in tegenstelling tot mijn moeder, die dat allemaal luizigaards vond. Nooit, neen, nooit zou zij hippie worden. Ze had het beter gedaan, dan had ze nog wat lol gehad in haar bestaan. Achteraf is gebleken: het is dankzij deze hippies dat Gent de stad is geworden die zij nu is.” (in Zone 09, 11/7/2007)
Romain De Coninck speelde in de Minard "de Ronde van Frankrijk", die tijdens het openingsweekend voor de tweede maal werd gewonnen door Eddy Merckx, en op de Kouter draaide men... fonoplaten! Zo spectaculair zag het er in deze beginfase dus zeker niet uit. Maar met de Karel Waeri-herdenking op zondag gaven de jongens en meisjes van Trefpunt aan waar hun "roots" lagen...
Fabien Audooren vertelt op het internet hierover: "Wat ik mij nog herinner van de eerste Gentse Feesten is de kleinschalige organisatie en het spontane karakter van het geheel. Ik kende Walter De Buck nauwelijks, maar toch had ik het gevoel dat ik er bij hoorde, bij die bonte mengeling van alternatieven en langharigen. De eerste keer dat ik op het pleintje verzeilde tijdens die bewuste eerste feesten, was Rudy Bellemans van de Doolaards aan het optreden, samen met een Ier, die ik achteraf nooit meer gezien heb. Ik had Rudy Bellemans leren kennen in Antwerpen, en we hadden bij hem thuis al samen gemusiceerd. Hij zag me zitten tussen het volk, zo'n vijftig à zestig man, en hij riep me op het podium. Er werd ergens een gitaar gehaald en ik mocht meespelen. Het podium bestond uit drie kleine pratikabels, het was ook niet overdekt, en in het midden stond er maar één micro. Met hoeveel muzikanten je ook op het podium stond, er was maar één micro beschikbaar. We speelden nummertjes uit het klassieke folkrepertoire, liedjes die iedereen kende, en we hadden nog succes ook. Dat was mijn eerste optreden op de Gentse Feesten.”
Een jaar later was Wannes er weer, maar deze keer om de Feesten te besluiten. Het was de derde W die met Walter De Buck mocht openen deze keer: Willem Vermandere. Opnieuw Fabien Audooren: “In die tijd was Mong Rosseel samen met enkele vrienden het buurthuis 'Kontakt' begonnen in de Sleepstraat en Walter kwam daar geregeld spelen. De tweede Gentse Feesten traden we op met het koor van het buurthuis. Walter had ook gevraagd of we met enkele mensen van het buurthuis konden helpen bij de drankverkoop. Op die manier waren we dicht bij de feesten betrokken. In oktober vierden we de eerste verjaardag van het buurthuis en voor die gelegenheid hadden we met een paar vrienden een show in elkaar geknutseld. Dit was de geboorte van Vuile Mong en de Vieze Gasten. Walter had ons zien optreden en hij gaf ons een kans om, tussen het tappen en bestellen door, op de Gentse Feesten van 1972 op te treden. Het publiek was laaiend enthousiast. Walter geloofde erg in de groep en in augustus nam hij ons mee door Vlaanderen als voorprogramma. Voor we het beseften, werden we een veelgevraagde groep. Die doorbraak is er grotendeels gekomen door dat optreden op de feesten en door de stimulans die we van Walter kregen. De Vieze Gasten zijn nu nog steeds een vaste waarde in het programma.”
“De eerste jaren werd er op alle vlakken geïmproviseerd. Naast de programmatie op het podium was er veel ruimte voor de inbreng van het publiek. Het podium stond altijd vol met mensen die de groepen liever van dicht volgden, en er zaten ook altijd mensen tussen die spontaan de pauzes tussen de verschillende optredens verzorgden met Gentse liedjes. Don Camillo was een vaste gast. Hij was steeds gekleed in pitteleir, een wit ondervestje en chapeau‑buse. Met zijn zelfgebouwde percussie‑instrumenten of op zijn mondharmonika speelde hij elke avond als entr'acte It's a long way to Tipperary of Oh Suzanna. Jerôme Rieux was ook een vaste zanger. Hij had een veel uitgebreider repertoire, maar zijn beste nummers waren toch De sterkste man van Gent en 't Sleutelgoatse. Naarmate hij ouder werd kon hij zijn teksten moeilijker onthouden, maar er was altijd wel iemand in het publiek die hem de volgende zin kon toeroepen. Alles kon, en alles mocht. Elke avond waren er jam‑sessions die meestal tot de vroege ochtend duurden.”
“Op de Vlasmarkt was er toen maar één café open tijdens de feesten: 'De Ekkentu'. Dit café werd uitgebaat door Cecile Carels. Zij was ook vanaf het eerste uur betrokken bij de feesten en haar café was gedurende die tien dagen dag en nacht open. Elke avond waren er optredens. Roland, de Piotto's
en Waso traden er geregeld op. Guido Schiffer op viool en ik op accordeon hebben daar vele nachten gespeeld. Meestal stonden er meer dan honderd mensen binnen, opeengepakt op de vloer, op de stoelen, op de tafels, en de sfeer was ongelooflijk. Soms gebeurde het dat iedereen, in de mate van het mogelijke, stond mee te dansen zodat de vloer het dreigde te begeven. Er stond dan iemand in de kelder die kwam roepen als de vloer te veel begon mee te geven, en dan moesten we onmiddellijk stoppen. De jaren nadien hebben ze de vloer speciaal ondersteund voor de feesten.”
“In de namiddag waren er ook altijd activiteiten voor de kinderen. Stekelbees heeft jaren het jeugdatelier onder de naam Patati Patata op zich genomen.”
“Vanaf 1972 werden er om de dag af te sluiten, of beter om de volgende dag te beginnen, films gedraaid. Marc Van Hecke, die van 1970 tot en met 1982 voor de geluidsversterking zorgde, selecteerde de films. Er zaten soms veel mensen te kijken, zelfs als het beeld bijna niet meer zichtbaar was omdat het 's morgens al te klaar was.”
“Ieder jaar opnieuw werd de draak buiten de stad opgehaald om dan stoetsgewijze naar Sint‑Jacobs te komen. Later heb ik verschillende ideeën voor de stoet uitgewerkt, zoals de wandelende parodie op de gemeenteraad, de reuzentaart met de koppen van politiekers, de act met de guillotine, enz.”
“De Vlasmarkt was toen de plaats bij uitstek voor straatanimatie. Jaar na jaar stond Mong Rosseel er met een spooktent, waar zelfs Arne Sierens en Wim Meuwissen nog aan meegewerkt hebben. Pol De Braeckeleer van De Muur heeft daar ook nog met het reuzenei, de koe, het kaartenhuisje en de muur gestaan. Schitterende animaties die zeer veel volk lokten, en waar je voor 20 frank steevast bedot was. Het was verbazend dat wie één van deze attracties bezocht had, weigerde om de inhoud te verklappen aan de anderen. Zelf zien en zelf beleven was de boodschap.”
“Gust Buysse is jarenlang ook een vaste animator geweest op de Vlasmarkt. Elk jaar probeerde hij een nieuw wereldrecord te vestigen. Zijn naam veranderde mee met zijn recordpogingen: Guust de stempelaar, Guust de
wortelschreper, Guust de muilentrekker, enz. Zijn merkwaardigste stunt was
misschien wel het wereldrecord briefschrijven aan president Reagan.”
“Wat ik me ook nog goed herinner is de stunt van Jan Verroken. Hij liep op een schuine kabel omhoog van het druppelkot op Sint‑Jacobs naar een kraan die op het einde van de Vlasmarkt stond. Elke dag werd deze stunt keer op keer uitgesteld. De voorlaatste dag liep hij dan toch terwijl de fanfare van Sint-Juttemis zorgde voor een muzikale begeleiding waarvan je kippevel kreeg.”
“De eerste jaren werkte ik als tapper en naarmate de feesten groeiden werd het steeds moeilijker om op een treffelijke manier te tappen. We moesten soms zo snel bestellen dat de koeling van de taps het niet meer haalde en er enkel nog schuim uit de tapkranen kwam. Toen lieten we gewoon emmers vollopen waaruit we dan de pinten schepen. Toen kon dat nog en accepteerden de mensen dit. Er was trouwens een groot voordeel aan: de pintjes waren steeds tot de rand gevuld! Vandaag zou je om hygiënische redenen uiteraard onmiddellijk het kraam moeten sluiten.”
“Een plezante anekdote uit die tijd was dat Walter en Dick Rogiers op een morgen verdwenen waren. Spoorloos. Er brak paniek uit, want ze hadden de kas meegenomen. Tegen de avond kwamen ze goed in de wind terug. Ze hadden een bloemenwinkel leeggekocht en de bloemen aan het station uitgedeeld aan de treinreizigers. Als reden gaven ze op dat dit een uitstekende campagne was voor de public relations van de Gentse Feesten.”
Oorspronkelijk lag het stadsbestuur dwars omdat de rebelse geest van de oude kermissen opnieuw door de stad waarde, maar toen de dekenijen geld roken en mee op de wagen sprongen, kwam men toch over de brug. Het "Bal 1900" op de Kouter werd in ere hersteld en vanaf 1974 kwam er een officiële openingsstoet met o.a. de Fanfare van de Lochte Genteneirs. De Snaar en Papa Doc stonden op het podium. Er werd voor het eerst ook opnieuw een Stropke verkozen (en om in de rebelse geest te blijven, werd het al meteen een meisje: Lutgarde Burggraeve) en wijlen John Massis liet in 't Museetje (nu het Huis van Alijn) z'n spierballen zien.
In 1975 liep het pleintje al goed vol voor mensen als Armand en Kris De Bruyne. Toch waren er nog altijd moeilijkheden omdat Walter De Buck, ondanks al zijn verdiensten, verplicht werd om de muziek in zijn Martiko om 22.30u af te zetten en om 1u de deuren te sluiten. Berten De Keyzer (de vader van Laurens) schreef: "De stad schijnt op de ene of andere wijze Walter De Buck te willen kelderen. Andere organisaties zouden veel subsidies krijgen." De pastoor van Sint-Jacobs klaagt (terecht) dat zijn kerk als pissijn wordt gebruikt.
Bijgevolg schreef hoofdcommissaris Mortier zelfs nog in 1976 een ophefmakend rapport voor de burgemeester waarin hij er zijn beklag over deed dat "Sint-Jacobs zich bij de buitenlandse hippies enige faam heeft verworven" en dat "die het niet zo nauw nemen met de moraliteit". Ook "sommige spektakels druisen in tegen de openbare orde en zeden". Vooral "de films die op het pleintje gedraaid worden zijn vaak bijzonder sterk gekruid". Dat was in de tijd dat het avondprogramma nog met een film werd besloten en eigenlijk was het alleen de tekenfilm "Fritz the Cat" die voor enig vertier zorgde. Maar moesten de kinderen toen niet al lang in hun bed liggen? Ook Cinema Vooruit protesteerde hiertegen. Niet omwille van het fatsoen, maar wegens de "oneerlijke concurrentie". Feestschepen Moreeuw van zijn kant stoorde zich aan de infostandjes die traditiegetrouw rond het pleintje stonden opgesteld. Ook hij zag "een sfeerverschuiving à la Amsterdam".
Een jaar later kwam de nieuwe schepen van feestelijkheden, Jef Ackerman, een kijkje nemen en vond het "plezanter dan ze hem hadden wijsgemaakt". Een en ander belette echter niet dat het Willem Breuker Kollektief wegens lawaaihinder door de politie van het podium werd gejaagd. Toch woei er voortaan een nieuwe wind: de eerste (geringe) subsidies gingen over de toonbank en er werd door de stad ook al wat praktische hulp verleend. In 1979 kwam zelfs cultuurminister Rika De Backer met wat subsidies over de brug.
PROFESSIONALISERING
Ook Geert Hoste heeft de tijd nog meegemaakt dat de Gentse Feesten veel kleinschaliger waren, maar hij doet niet mee aan dat nostalgisch geleuter. "Dat zijn altijd dezelfde mensen die klagen. Eigenlijk is dat omdat ze nu deftig getrouwd zijn en niet meer zoals op hun achttiende zich elke nacht lazerus kunnen zuipen en naar een lief op zoek gaan. Nee, als je eerlijk bent, moet je toegeven dat het allemaal juist veel professioneler is geworden. Het stadsbestuur heeft dat goed in handen."
Dat de Gentse Feesten in de zeventiger jaren, toen al zelfs buiten Gent, een unieke uitstraling hadden, wordt bewezen door het feit dat veel festivals in Vlaanderen zich geïnspireerd hebben op de Gentse Feesten: de Lokerse Feesten, de Paulusfeesten in Oostende, het Straatfestival in Vlissingen, het Cactusfestival in Brugge, de Savooifeesten in Ninove, de Steenfeesten in Antwerpen, enz.
Fabien Audooren: “In 1982 hebben we het gebouw aangekocht waar nu het Nieuwpoorttheater is. Vanaf 1980 hebben we die ruimte gebruikt tijdens de Gentse Feesten om er theatergezelschappen en aanverwante acts te programmeren. In de tweede helft van de jaren tachtig is Dirk Pauwels met enkele vrienden begonnen met de uitbouw van wat nu het Nieuwpoorttheater is.”
“In die tijd werd er ook altijd rond een thema gewerkt, of werd er een instrument in het daglicht gesteld. De meest uiteenlopende zaken zijn aan bod gekomen: 'Culturen als Buren', 'Wat betekent volksmuziek in de wereld van vandaag?', 'Wa gaade gij worden als ge groot zijt?', 'Het getal 13', De doedelzak, 'Het Geheim', 'De tip van de Sluier', enz. De laatste jaren werken we zonder thema. Er komen zoveel verschillende culturele aspecten aan bod tijdens de Feesten dat je voor elke editie wel tien namen kan bedenken.”
Het werd allemaal veel professioneler en voor Walter De Buck zelfs een beetje te veel. Vanaf 1985 nam Guido De Leeuw over.
Fabien Audooren: “Sinds 1985 is er een nieuwe Raad van Beheer, waarvan ook ik deel uitmaak. Door allerlei omstandigheden was er dat jaar een enorm verlies van ongeveer 3.000.000 fr. Om die put te vullen hebben we toen voor de volgende jaren voor het eerst een beleidsplan uitgewerkt. In dat plan werd alles heel strikt gebudgetteerd. Het artistieke budget werd vastgelegd, en moest strikt nageleefd worden. Het plein kreeg een nieuwe indeling, het podium werd verplaatst en er kwam een nieuwe tentenstructuur. We hebben ook moeten bezuinigen op de onkostenvergoedingen voor de medewerkers, enz. Elke frank werd twee maal omgedraaid voor we hem uitgaven. De steun die we tot dan toe van de stad kregen, beperkte zich tot het betalen van enkele groepen, die ook op de andere grote pleinen optraden, en het leveren van de podia, nadars en vlaggenmasten. Binnen deze krappe begroting werd er, naast de programmatie, toch plaats gevonden om elk jaar opnieuw opdrachten te geven aan enkele plastische kunstenaars. Als één van de hoogtepunten wil ik De Vlieger (1983) van Luc Van Haegenborgh vermelden. Hij was trouwens ook de man achter de reuzenbetonblok die we in 1980 met vzw Trefpunt aan de stad schonken.”
“Sinds 1985 heeft ook de sponsoring zijn intrede gedaan op Sint‑Jacobs. Voor die tijd kregen we hier en daar wat materiaal en een beetje geld van de brouwerij. Door de stijgende kosten voor de programmatie, de infrastructuur, de medewerkers, en niet te vergeten de BTW en de bedrijfsvoorheffing op buitenlandse artiesten, is sponsoring voor de organisatie van de Gentse Feesten onontbeerlijk geworden. De steun die we van de overheid krijgen is zelfs niet voldoende om de BTW en de bedrijfsvoorheffing te betalen. Toch proberen we in de mate van het mogelijke het pleintje zelf vrij te houden van reclamepanelen en agressieve publiciteitscampagnes. Het pleintje is er in de eerste plaats voor de concerten, voor de plastische aankleding en voor het publiek. Wij willen die sfeer proberen te behouden. Tot vandaag begrijpen en respecteren onze sponsors dit.”
In 1988 moest de laatste draaimolen aan Sint-Jacobs plaats ruimen voor de Spiegeltent.
Tot 1989 kreeg vzw Trefpunt van de stad op artistiek vlak een paar groepen
aangeboden via de Dienst Culturele Animatie. De Korenmarkt kreeg er nog eens 800.000 fr. bovenop, en het Sint‑Baafsplein werd volledig georganiseerd door de stad.
Fabien Audooren: “In datzelfde jaar hebben we toen een voorstel uitgewerkt met een nieuwe verdeelsleutel voor de subsidies en die aan het nieuwe stadsbestuur voorgesteld. Elke organisator zou subsidies ontvangen in verhouding tot het artistieke budget dat hij zelf investeerde. Het stadsbestuur is ons daar gedeeltelijk in gevolgd, in die mate dat ze voor de drie grote pleinen ongeveer evenveel subsidieerden. Voor Sint‑Jacobs betekende dit een subsidieverhoging van meer dan 1.000 %!”
“Nog in 1989 zijn Guido De Leeuw en ik naar de stad gegaan met het voorstel om in Gent een straattheaterfestival te organiseren. De stad heeft onmiddellijk enthousiast gereageerd. Ze wilden zelfs als gelijkwaardige partner mee organiseren. Vzw Trefpunt zou instaan voor de artistieke invulling, en de stad zou de praktische realisatie op zich nemen. In 1990 hebben we samen het eerste Europees Straattheaterfestival te Gent georganiseerd. Dit festival sloeg in als een bom en het wantrouwen dat voordien leefde bij sommige beleidsmensen en collega‑organisatoren, veranderde snel in een laaiend enthousiasme. Eén van de sterkste troeven van het Straattheaterfestival was dat het zeker geen elitair festival was. Het Straattheaterfestival was toegankelijk voor iedereen, en bijna alle voorstellingen waren gratis. Omdat de groepen op straat optraden, speelde ook hier de spreekwoordelijke drempelvrees, die de cultuurtempels wel met zich meebrengen, geen enkele rol.”
“Tijdens het eerste Straattheaterfestival werd al snel duidelijk dat er
ook bij ons een ruime belangstelling groeide voor openluchtvoorstellingen van hoog artistiek niveau. In 1992 werd de naam van Vzw Trefpunt dan ook aangevuld met de ondertitel: Productiecentrum voor Kunsten op Straat. We wilden naast het hoge aantal kwalitatief goede buitenvoorstellingen die beschikbaar waren uit het buitenland, zelf starten met de realisatie van volwaardige buitenproducties. Tijdens het tweede Europese Straattheaterfestival realiseerden we één eigen buitentheaterproductie, Arena, en één coproductie met het Theaterfestival aan de Werf uit Utrecht, Aero.”
“Eén van de onderdelen van het tweede Europese Straattheaterfestival werd De Grote Prijs Guido Claus, ter nagedachtenis van Guido Claus, één van de Twee Wezen, met wie wij jarenlang een prettige en vriendschappelijke samenwerking hadden. Jarenlang was hij ook medewerker op Sint‑Jacobs als schenker in ons Druppelkot. Deze wedstrijd is bedoeld voor jonge en nieuwe groepen, en voor solospelers die, met een minimum aan materiaal, toch een boeiende voorstelling weten te realiseren. De eerste prijs werd gewonnen door de Compagnie Contre‑Pour met hun voorstelling: Les Hommes en Noir."
“In 1990 zijn we tijdens de Feesten gestart met de organisatie van orgelconcerten in de Sint‑Jacobskerk. Iedereen kende de Sint‑Jacobskerk, één van de mooiste kerken van Gent, langs de buitenkant, maar de meesten onder ons waren er nooit binnen geweest. Die kerk is gedurende het jaar, buiten de kerkdiensten, niet open voor bezoekers. Er kwamen heel wat luisteraars naar de concerten; sommigen waren enkel geïnteresseerd in het interieur. Sinds 1991 geven we voor deze concerten compositieopdrachten aan hedendaagse Vlaamse componisten.”
HOLLANDERS
Alhoewel wij nooit zouden gedacht hebben dat urine een goede meststof was, dan moet het aftreksel van ettelijke Duvels blijkbaar toch erg gunstig op die voedingsbodem hebben ingewerkt, want de mensen van Trefpunt hebben uitgerekend dat er nu jaarlijks om en bij het miljoen mensen op Sint-Jacobs passeren. Daarbij groeien en bloeien er zoveel Hollanders dat een Gentse kat er haar jongen niet meer kan vinden. Of zoals Laurens De Keyzer stelt: "Het is net alsof je op bezoek bent in je eigen stad, een merkwaardig gevoel. Hinderen doen ze me echter niet, het duurt tenslotte maar tien dagen en Hollanders mogen zich toch ook amuseren, of niet soms? 't Zijn toch leuke feesten? Maar wel vuile. Op die manier ben ik altijd blij dat de Gentse Feesten achter de rug zijn, omdat de stad dan weer wat properder wordt. Vroeger was het pleintje bij Sint-Jacobs natuurlijk wel lekker vuil, maar daarrond zat je alweer in een andere wereld. Nu is het overal hetzelfde. Je kan nergens nog rust vinden. Op iedere hoek van de straat staat er wel iemand te jengelen. Ik heb dan ook zeer veel respect voor het werk van de reinigingsdienst in die periode. Ik vind het trouwens zalig om ze bezig te zien. Het is alsof je eigen bovenkamer gekuist wordt. Vooral als je teveel gedronken hebt, wat mij wel eens pleegt te overkomen. Dan is het alsof ik gezuiverd word, alsof ik naar de biecht ben geweest."
VERNIEUWING
Op 13 juli 1999 gaven zowel Walter De Buck als cultuurschepen Jaak De Poorter, die op die dag resp.65 en 60 jaar werden en met (voor de laatste: vervroegd) pensioen gingen, de fakkel door aan de jongere generatie. Deze editie werd echter met een financiële kater afgesloten, zodat vzw Trefpunt besloot om enkele zaken terug te schroeven. Zo was er in 2000 in het Baudelopark geen Spiegeltent meer. Het Wijkpaleis blijft wel staan om er zweterige tango's en andere buikdansen te euh... dansen.
Voor het eerst sinds dertig jaar werden de Feesten dus ook niet geopend door Walter De Buck, maar hij sluit ze nog wel altijd af (zij het dan net voor de haast even onvermijdelijke Raymond van het Groenewoud). In de plaats van De Buck werd als openingsact een Turkse zangeres aangetrokken om aan te geven dat de Feesten er ook zijn voor de "nieuwe Gentenaars", aldus Guido De Leeuw. Toch is ook Gents Nationalisme op zijn plaats, met het Gents Nationaal Zangfeest, waarbij Guido Naessens in samenzang met het publiek nog eens zijn Gentse "klassiekers" doorneemt...
De grote vernieuwing kwam er echter in 2002 toen de nieuwe feestenburgemeester Daniël Termont als "sterkste man van Gent" (voor een goed doel had hij deze klassieker nog eens op CD gezet) niet alleen komaf wilde maken met de traditionele programmatie op "gevestigde" pleinen als Sint-Baafs of de Korenmarkt (die programmatie ligt immers al jaren onder vuur), maar ook die van Sint-Jacobs zelf. Inderdaad, niet alleen blijkt de opkomst hier fel achteruit te gaan (al kan dat onmogelijk de enige reden tot kritiek zijn, aangezien de Groentenmarkt die met covergroepen als Chris Hageland en Zep Zupiler nog altijd enorm succes kent, toch ook geviseerd wordt), vooral de jongeren laten het afweten. Zelfs als er een avond speciaal voor hen wordt geprogrammeerd. Het mag dus duidelijk zijn: de ouwe rakkers van Trefpunt hebben de overstap naar de 21ste eeuw gemist.
Daarop werd gereageerd met twee nieuwe podia: één aan de Korenlei, waar de programmatie in handen was van de exoten van Polé Polé, en één aan de Oude Beestenmarkt, dat vooral hiphop, house, trance en wat weet ik al meer moest brengen. Werd het eerste initiatief door iedereen gesmaakt (net als het Blue Note Jazzfestival in de Bijloke en het Gravensteen), dan kwam er op het tweede wel veel kritiek vanuit de omliggende apartementsgebouwen. Typisch was dat deze in de krant "De Gentenaar" werd geformuleerd door Miel Swillens, typisch dus iemand "uit de jaren zestig/zeventig". Hij wees de journalisten op hun deontologische plicht om niet enkel euforisch te doen over de dance-acts die zich aanboden, maar om de feesten ook kritisch te benaderen, wat geluidsoverlast e.d. aangaat.
Als antwoord gaf De Gentenaar prompt hun dagelijkse Gentse Feestenprijs aan de programmatoren van de Oude Beestenmarkt. En alsof dat nog niet volstond als opgestoken middenvinger tegenover die "soixante-huitards", gaven ze 's anderendaags ook nog een prijs aan de vzw Starbot, die wegens geluidsoverlast een avondje op het schoolplein van Sint-Bavo moesten laten voorbijgaan, maar die dan maar een openluchtfuif gaven aan het beeld van Karel Waeri dat Walter De Buck op het Beverhoutplein heeft geplaatst.
Ze deden dit onder het motto: "De straten zijn van iedereen". Dit was een duidelijke verwijzing naar de "rebelse" stoet onder leiding van Eric Goeman die nà de officiële openingsstoet was opgestapt. Nochtans werd deze "rebellenclub" bijna uitsluitend bevolkt door gouwe ouwen als Walter De Buck, Patrick Cohen, Mong Rosseel en zelfs Mon Cocquyt. Hier kon men dus moeilijk van een "verjonging" spreken...
Maar verjonging of niet, in totaal zouden dat jaar anderhalf miljoen mensen de feesten bezoeken. Een recordopkomst.
Ronny De Schepper
Witlof from Belgium
ROCK'N'ROLL ONDER DE KERKTOREN
"In de jaren 70 werd aan de zangerstaal in volle groei stevige modern klinkende muziek toegevoegd en tekenen zich de resultaten af van de verspreiding van het muziekonderwijs, waar talrijke jongeren een basiskennis van muziek hebben opgedaan. Sedertdien gaat Vlaanderen stevig mee in de internationale rockscène." Minister Luc Martens gaat in zijn beleidsbrief voor muziek van 10 juli 1996 wel erg ver in zijn gevolgtrekkingen en het leggen van verbanden. In 1978 namen The Kids weliswaar hun eerste elpee op (overigens met als producer Leo “Evviva Espana” Caerts) en die hadden hun naam niet gestolen: zanger Ludo Mariman was weliswaar reeds 21, maar drummer Eddy De Haes was slechts 16 en zijn bassende broer Danny zelfs amper 12! Maar of dit een uitvloeisel van het muziekonderwijs was? Dat is alvast niet wat we in de realiteit hebben kunnen ervaren en wat evenmin tot uiting komt in het boek "Wit-lof from Belgium".
Alhoewel dit zeker niet bedoeld is als het ultieme naslagwerk over de Belgische pop, toch is het dankzij een uitermate groot streven naar volledigheid, een (helaas soms wat lukrake) index en vooral een indrukwekkende discografie (van de hand van godsdienstleraar Kris Dierckx) een werk geworden dat alvast heel wat kandidaat-auteurs van dergelijke overzichten zal afschrikken.
In de tekst zelf heeft men echter niet naar encyclopedische toestanden gestreefd, maar integendeel heeft men geopteerd voor een zeer speelse aanpak. Mijns inziens soms wat té speels, zo zijn er hoofdstukken waar in élke zin een woordspeling of iets van die strekking voorkomt. De talloze woordspelerige verwijzingen zullen het boek overigens binnen vijf jaar (of nog eerder) onleesbaar maken.
Alhoewel de schrijvers een latere herwerking niet uitsluiten, was het oorspronkelijk toch hun bedoeling om ook nu reeds iets "blijvends" over te houden. Dat is hen dus maar gedeeltelijk gelukt, al blijft het boek stukken beter dan dat welk door Guy De Pré werd uitgebracht n.a.v. de TV-reeks "De Préhistorie". Guy De Pré aast trouwens zeker op een politieke carrière? Om de twee bladzijden staat zijn foto in het boek van "De Préhistorie". Bovendien heb ik het maar zeer diagonaal gelezen, maar als alle informatie even correct is als die op p.164, waar men beweert dat "op 15 maart tijdens het wereldkampioenschap wielrennen Monseré om het leven komt" dan is het klaar voor de vuilnisbak.
De Prehistorie: jazz in België
De jazz werd in België tamelijk vlug geïntroduceerd, nl. reeds rond de eeuwwisseling, ook al was dat dan uitsluitend ragtime. Die muziek werd meestal als intermezzo gespeeld tussen het repertoire van de militaire kapellen door. Het was trouwens in het zog van John Philip Sousa dat de jazz hier ingang vond. Er bestaan uit die tijd nog partituren van Belgen die ragtime componeerden, maar de meest populaire (ene Fremaux) zijn de namen vergeten geraakt. België was een voorloper op het gebied van de jazz. Misschien was dat nog een beetje een erfenis van Adolphe Sax? Na de Eerste Wereldoorlog was in Brussel het eerste volledig zwarte orkest te horen. The Mitchell's Jazz Kings waren immers het vaste orkest van de Alhambra. De eerste Belgische jazzband ontstond in navolging daarvan in het Bistrouille A.D.O. Het is zelfs zo dat de eerste Europese jazzplaat (1927) voor een deel Belgisch is. Dat wil zeggen: ze werd weliswaar in Londen opgenomen, maar de producent (Félix Faeck) was Belgisch, evenals de uitvoerders (Chas Remue en The New Stompers). De populariteit van de jazz steeg nog meer toen Josephine Baker met haar Revue Nègre het Koninklijk Circus aandeed, waar overigens in 1931 een danswedstrijd à la "They shoot horses" plaatsvond. Een jaar eerder had de openbare omroep N.I.R. een eigen jazzorkest opgericht, geleid door Stan Brenders (een lid van The New Stompers).
Tijdens de bezetting viel er ook in België jazz te beluisteren, ondanks het feit dat de nazi's ze officieel verboden (het woord was wél taboe). Voor sommigen is Stan Brenders, de leider van de populairste big band tijdens de oorlog dan ook een held, terwijl hij voor anderen juist een collaborateur is. Opvallend is dat de muzikanten zich niet beperkten tot het spelen van jazz, maar dat ze ook dansmuziek op het repertoire namen.
Ook Etienne Verschueren ontdekte als een echte "swing kid" de jazz en de sax tijdens de oorlog. Op dat moment studeerde hij piano aan het KMC te Gent en hij vloog meteen aan de deur. Na de oorlog werd hij lid van The Belgian Bluebirds, die vooral in Duitsland voor Amerikaanse soldaten optraden. Leider was Micky Bunner en twee andere bekende leden waren bassist Roger Vanhaverbeke en een andere saxofonist Jack Sels, wiens leven in de film "Just friends" wordt geëvoceerd. In 1958 treedt Verschueren toe tot het orkest van Henry Segers van het toenmalige INR, om in 1963 over te stappen naar het zogenaamde variété-orkest van de NIR o.l.v. Fernand Terby. Nog geen jaar later kreeg hij de leiding van het BRT-dansorkest toegewezen, dat hij later als BRT-jazzorkest groot zal maken... tot het uit bezuinigingsoverwegingen wordt opgeheven.
Ook Toots Thielemans begon met de accordeon van zijn vader, waarop hij in Molenbeek de Internationale speelde. De grootste Belgische bijdrage aan de jazz is dan ook wellicht zijn "Bluesette". Aangezien van alle Belgen Thielemans de Tootste is, werd in 1992 "Bluesette" tot "hymne" van het Brusselse gewest uitgeroepen! Een andere belangrijke jazzclub was "La rose noire" waar in 1955 b.v. de big band van Jeannot Morales speelde met o.a. de Congolese zanger-gitarist Vicky Down, de violist Eddie Delatte, de saxofonisten Etienne Verschueren en Johnny Dover, de drummer Freddy Rottier, de trompettisten Louis De Haes, Bob Pauwels en Charlie Knegtel en de bassist Jean Warland.
Het belangrijkste feit is echter dat in 1955 Toots Thielemans in New York zijn eerste elpee maakt. Vijf jaar eerder, in 1950 verkocht de beloftevolle amateurwielrenner Juul Anthonissen zijn racefiets om zich met de opbrengst een platendraaier aan te schaffen. Een ongelooflijk verhaal als je hem jaren later in zijn volle glorie zag, maar wel de start van wellicht de belangrijkste collectie jazzplaten ter wereld. Juul was onder de indruk van die muziek gekomen door de bioscoop. Niet enkel door films als "Orchestra Wives" (met Glenn Miller), maar ook door de voorfilmpjes, eigenlijk de voorloper van videoclips, met muziek van Jimmy en Tommy Dorsey, Harry James, Count Basie, Duke Ellington enz. Die beïnvloedden tal van orkestjes, zoals ook een jazzorkest in Boom, waarvan Bobbejaan Schoepen, Kees Brug en de vader van Roland Van Campenhout deel uitmaakten.
De Vlaamse rock:
ze zullen hem niet temmen,
want hij is nooit wild geweest
Tussen 1953 en 1956 was België de grootste afnemer van Amerikaanse jukeboxes (b.v.Würlitzer) voor 78-toerenplaten. En dat in absolute cijfers! Maar alhoewel op 19 oktober 1958 Bill Haley de wereldtentoonstelling afsloot, bleven de hele jaren vijftig door vooral specimens als Jan Verbraeken, La Esterella, Henk De Bruin, Ray Franky en Enny Denita het mooie (?) weer maken. Zelfs een redactie als deze van Song Parade die bestond uit mensen die hun hart hadden verpand aan de Amerikaanse amusementsmuziek en de jazz nam aanvankelijk tegenover rock'n'roll een erg ambivalente houding aan. Deze muziek voerde immers een faam van geweld en straatschenderij met zich mee en waar een figuur als Bill Haley nog moeiteloos geaccepteerd werd, bleef zelfs Elvis Presley geruime tijd taboe. Zo wordt in het novembernummer van 1956 met enthousiasme bericht over de "Rock'n'roll Show" die te Brussel heeft plaatsgegrepen en die georganiseerd werd in de dancing Sint-Sauveur (sic!) door Ciné Revue, Max Factor en Columbia Films - winnaars waren Mevr.Lili Holemans uit Brussel en de heer D.Van den Berghe uit Boom, benieuwd wat er van hen is geworden - maar op een andere plaats schrijft jazz-medewerker Pierre De Bie over Elvis Presley dat hij "ten onrechte" zanger wordt genoemd.
In het nummer van 27 maart 1957 verschijnt de uitslag van de "Song Parade Popularity Poll 1956-1957", die een typisch beeld geeft van de situatie op dat ogenblik. Bij de zangers wordt Nat King Cole gelauwerd, gevolgd door Frank Sinatra en Elvis Presley; bij de vrouwelijke vocalisten wint "Miss Que Sera" Doris Day, met in haar kielzog Caterina Valente en Ella Fitzgerald; als vocale groep beleven The Platters triomfen, hierbij The Four Aces en The Four Lads achter zich latend; bij de "grote orkesten" blijkt Lionel Hampton favoriet number one, gevolgd door... Helmut Zacharias die Count Basie verslaat (!); bij de "kleine formaties" verslaat Bill Haley zijn naaste concurrenten, zijnde de Louis Armstrong All Stars en Freddie Bell and The Bellboys, een groep die destijds aan de zijde van Bill Haley debuteerde in "Rock around the clock" en waarvan sinds jaar en dag niets meer werd vernomen; bij de solisten tenslotte gaat de hoofdtrofee naar de Engelse trompetist Eddie "Zambesi" Calvert, gevolgd door Louis Armstrong en Lionel Hampton.
Typisch is dat er een aparte klassering wordt voorzien voor "rock'n'rollartisten", en hier wint Elvis Presley moeiteloos het pleit vóór Bill Haley, Little Richard, Gene Vincent, Fats Domino en The Treniers.
Dezelfde namen vinden wij grosso modo in het nummer 37 van een jaar later terug, maar vocalist nummer één is nu veelzeggend genoeg Pat Boone, gevolgd door Elvis Presley als ongelukkige tweede en Nat King Cole als grote verliezer.
Nochtans zullen wij u geen verzamelaar van de religieuze en nationalistische fanaat Pat Boone aanraden, ook al komt hij wél en King Elvis niet voor op twee ietwat dubieuze verzamelaars, die onder de titel "Heroes of rock'n'roll' (MCA) n.a.v. een TV-serie (op Veronica als wij ons niet vergissen) werd uitgegeven. Dubieus omdat onder deze titel blijkbaar ook The Mamas and The Papas, Brian Hyland en zowaar zelfs filmacteur Richard Harris thuis horen.
Hoe dan ook, de houding vanwege Song Parade tegenover vooral blanke rockers als Jerry Lee Lewis bleef moeilijk, maar zwarten als Little Richard en grote voorganger Louis Jordan konden zich in een uitgesproken sympathie verheugen, net als trouwens mr.Buona Sera Louis Prima - vanwege zijn jazzy achtergrond?
Want is de doorbraak van rock'n'roll in België redelijk laat gekomen, dan is de verbinding met de jazzwereld des te opvallender. Een de eerste figuren, Freddy Sunder met "Rio Rita", kwam net als z'n grote voorbeeld Louis Prima immers eerder uit de jazz-richting en werd zelfs als Amerikaan gepromoot. (*)
FREDDY SUNDER
Voor één keer kon men dus echter toch niet zeggen dat België het buitenland achterna huppelde als het over het ontstaan van rock'n'roll ging. Integendeel zelfs, nog voor "Rock around the clock" of "Jailhouse rock" onze kontreien zouden bereiken, had de Antwerpenaar Freddy Sunder reeds een boogie-versie van de country-klassieker "Kaw Liga" op de markt gebracht (in 1953). En die country-inbreng is nu precies wat rock'n'roll zou onderscheiden van de rhythm'n'blues die reeds vroeger bestond en die voor 90% het ritmische patroon van rock zou bepalen.
Wist Sunder echter veel! En zijn fans wisten nog minder. Zij waren immers in de waan gebracht (nog altijd in de euforie van de afloop van W.O.II) dat het hier een Amerikaans staatsburger betrof. Van zodra echter de ware nationaliteit van Sunder aan het licht kwam, riepen zijn vroegere fans in koor: "Mee iel Antwaarpe, mor nie mee maa!" Gelukkig kon Frits Sunderman aan de slag als studiogitarist (b.v. op "Kili Watch", "Eenzaam zonder jou" en "Sans toi mamie") en later zelfs als leider van de BRT-Big Band.
BURT BLANCA
Exit Sunder, welkom Burt Blanca. Ook hier deed men een beetje geheimzinnig over zijn afkomst (het was een Brusselaar met Brugse roots), maar gelukkig niet in die mate dat het publiek afkickte toen men erachter kwam dat dit niet het verloren gewaande tweelingsbroertje van Elvis Presley was. Blanca had zelfs over de zuidergrens een verdiend succes, zeker als men ermee rekening houdt dat hij ooit nog debuteerde in het beruchte baancafé "Virske de Fluitster" in Vilvoorde, waar nu een Decap-orgel speelt.
Dat heeft natuurlijk ook veel te maken met de houding die de goegemeente aannam tegenover het nieuwe rockverschijnsel, zoals Burt Blanca zo'n twintig jaar geleden in De Rode Vaan verklaarde: "Het rockfenomeen werd vooral komisch benaderd. Men vond het eigenaardig dat wij op het podium zo te keer gingen. Een orkest dat moest toch stijf blijven staan, nietwaar?"
Burt Blanca huppelde zowat over en weer tussen Engels en Frans ("Tout en fumée") en werd daardoor eigenlijk geen sant in eigen land, maar kwam wel aan de bak in Frankrijk.
DAN ELLERY
Dan Ellery van zijn kant nam onder zijn eigen naam vocale nummers op voor Philips ("Jealous tiger" is z'n bekendste) en met The Tigers instrumentals voor Newtone ("Tiger attack"). Het merkwaardige is dat daarbij vaak een hoofdrol werd vertolkt door een "naamloze" saxofonist. De composities waren meestal van Dan samen met ene Rocky Miller. Opvallend is wel dat ze veel Amerikaanser klonken (met name de invloed van de "twangy sound" van Duane Eddy op "Long Trail" is opvallend) dan de andere Europese groepen uit die tijd (behalve misschien de Franse, zoals Vince Taylor of Les Chaussettes Noires), die eigenlijk allemaal kopieën waren van The Shadows. Dat is wel jammer voor sologitarist Jeff De Visscher, die dan eerder aan de bak kan komen als begeleider van Jacky Delmone.
Nadien gaat Dan bij RCA spelen, maar buiten "Lumpin' Lips" zit daar niet veel soeps bij. Hij hervat zich echter met "Bop-a-lena" op Cardinal. Jeff De Visscher gaat dan bij Nancy & the Atlantics spelen ("We are happy" en "If you think"), een groep die in de richting van The Honeycombs gaat, maar waarin Nancy Dee reeds wordt vooruitgeschoven wat uiteindelijk zal uitmonden in een solocarrière, die evenwel weinig met rock’n’roll vandoen heeft.
Minder bekend is ene Billy Geens uit Averbode alias Bill Diddley die ondanks zijn naam eerder een Buddy Holly-kopie was die in 1958 debuteerde (Holly zong overigens ook de gelijknamige Bo Diddley-klassieker). Zijn groep, The Daltons, ging in 1963 ter ziele en daarna werd Diddley begeleid door The Hollywood Twisters of zelfs door The Pebbles! Net als Joe Meek kreeg ook Bill Diddley een slag van de molen in 1967, alleen pleegde hij gelukkig geen zelfmoord, maar integendeel: hij zag het Licht al hier op aarde! "Buddy Holly is een heilige. Hij toonde aan de jeugd hoe zich te gedragen. De Rolling Stones en dat soort groepen hebben die houding verbeestachtigd!" Alleluia.
PATER VISSER
Voor de Belgische kranten was rock'n'roll in het algemeen en Elvis Presley in het bijzonder natuurlijk de baarlijke duivel (denk aan het stukje in "De Gentenaar"). Alleen Hugo Claus kwam tegen die opvatting in opstand.
In die context is het nu wel tijd om even een misverstand recht te zetten dat nog steeds welig verder tiert. Dat de kerk rock'n'roll niet gunstig gezind is, dat kun je je namelijk wel inbeelden, maar echt hard kan men die stelling niet maken. Er zijn m.a.w. bij mijn weten, in ons land althans, nooit expliciete veroordelingen geweest van rockmuziek vanop de kansel. Tenzij door hier of daar een individu.
Maar daar stonden dan andere individuen tegenover, zoals Pater Visser van de abdij van Affligem die in het muziektijdschrift "Juke Box" verkondigt (in 1957!): "Als wij in de bladen schrijven, of op vergaderingen zeggen, dat Rock'n'Roll een zottekensspel is, dan halen die jonge gasten achter onze rug hun schouders op en lachen ze je uit. Dat negatieve in onze woorden of geschriften aanvaardt onze huidige jeugd niet meer. Zij vraagt enkel begrip voor hun leven en een hoger optillen van dat leven. Wij veroordelen te veel en wij verzorgen te weinig. Wie veroordeelt moet ook iets kunnen opbouwen. Het oude zegt de nieuwe jeugd weinig of niets meer. Er is aan deze jeugd niet veel gegeven of gezegd (in een taal, die hen aansprak) en daarom is zij haar eigen weg gegaan. Of beter gezegd niet haar eigen weg, want jeugd gaat geen eigen wegen, maar van de voorbeelden die hen aanspraken. Mij persoonlijk zegt Elvis Presley heel weinig; maar ik vind wel dat die jongeman, zowel in stem als in voordracht, de sfeer van de huidige jeugd weergeeft. Dat gebrokene, dat hese in zijn stem, het geraffineerde in zijn voordracht... En als men daarbij zijn figuur voor ogen heeft, dan kan men zich enigszins indenken, dat onze huidige jeugd zich daarin weervindt."
Wijze woorden, zeker als men deze houding vergelijkt, b.v. met die van de Communistische Partij die in die koude oorlogsjaren op die manier de kans aan zich voorbij liet gaan om de jeugd voor zich te winnen. In een licentiaatsverhandeling haalt Marniks Puype deze negatieve houding tegenover rock'n'roll zelfs aan als één van de redenen waarom de oplage van "De Rode Vaan" uiteindelijk zo klein werd dat men van een dagblad naar een weekblad moest overschakelen. Toen ik n.a.v. "20 jaar Sgt.Pepper's" er "De Rode Vaan" van 1967 op navlooide, bleek dat het uitbrengen van deze monumentale elpee de redactie totaal ontgaan was. De commentaar van toenmalig redacteur Vic Van Saarloos was ontnuchterend: "Och, wij hadden daar hoegenaamd geen belangstelling voor. Maar dat was in feite al een vooruitgang, want in de jaren vijftig hebben we werkelijk nog vurige pamfletten geschreven tegen Elvis Presley en zo."
Omdat vele platenwinkels zich nog “een opvoedende taak” voorhielden en nog liever failliet gingen dan die “beestenmuziek” uit het verderfelijke buitenland te importeren en "the real thing" dus moeilijk te krijgen was, huurden Albert Van Hoogten en Jean Van Hooren enkele mensen in om hits te coveren voor een budget-label (Teeny b.v.), plaatjes met twee A-kanten die dan tegen 39fr (i.p.v. de "normale" 66fr) werden verkocht. Ikzelf had zo "Personality"/"Keep it up" van Bell Records en natuurlijk ook tal van die fameuze Kraft-plaatjes die echter van mindere kwaliteit waren. Al zou ik wel graag weten wie deze plaatjes inspeelden en –zongen: bestaat er in Engeland niet iets dergelijks, waarbij het om de jonge Rod Stewart en Elton John blijkt te gaan?
Dat was ook de tijd dat de muziekuitgeverijen nog altijd meer te zeggen hadden dan de platenmaatschappijen, zodat het kon gebeuren dat iedere maatschappij hààr versie van een bepaalde hit liet opnemen. De hitparades werden dan ook nog altijd op basis van het lied (de muziekuitgeverij dus) en niet van de uitvoerder (de platenfirma) opgemaakt, vandaar dus die "gekke" hitparades van uit die tijd.
BOBBY SETTER
Opmerkelijk is dat reeds van bij het begin er ook Vlaamse rock wordt gemaakt: zelfs Will Tura, dé grote naam van het zogenaamde Lichte Lied in Vlaanderen, waagde zich oorspronkelijk aan The Everly Brothers, ofwel met een vertaling ("Bye Bye Love") of een soort “op de wijze van” ("Sproetje", geschreven door... Jan Theys!).
Will Tura, of beter gezegd Arthur Blanckaert, want toen had hij nog geen artiestennaam, was gedebuteerd op een “crochetwedstrijd” van Radio Kortrijk in 1955 met de toepasselijke naam “Weg met de zorgen”. Hij eindigde er tweede na de zestienjarige Bob Verhelst, die als prijs (net zoals veel later in “Idool”) een plaatje mocht opnemen, met name zijn interpretatie van “De Jodelende Fluiter” van Bobbejaan Schoepen. Bob Verhelst ging later studeren aan het Gentse Conservatorium, waar hij als Bobby Setter een rockgroepje samenstelde. In 1963 zag hij zich echter genoodzaakt de samenstelling van zijn groep helemaal om te gooien, want hij kreeg via een agentschap in Monaco de kans om een tournee te doen in Afrika, o.a. in Dakar en Abidjan en zijn conservatoriumvrienden kozen uiteindelijk toch maar voor een veilig bestaan in de klassieke richting.
Bobby Setter zou later vooral naam maken als begeleider van Fats Domino op zijn Europese tournees en door het intrappen van de deur van rockjournalist Jacky Huys, toen die een artikel geschreven had over zijn dochter (“dochter van Bobby en een Ierse”). Waarop Bobby zich onsterfelijk maakte door te repliceren: “Mijn vrouw is geen Ierse!!!”
Bobby Setter speelt ook op de originele “De Vogeltjesdans” zoals die werd uitgebracht door Louis Van Rijmenant. Aangezien het hier eigenlijk het nummer “Chip Chip” betreft van een Zwitsers accordeonist die zijn rechten had afgestaan, kreeg Setter de keuze om 1.500 fr. te incasseren als studiomuzikant ofwel mee te tekenen als componist. Hij koos voor het eerste, waardoor hij zo’n 33 miljoen door zijn neus geboord zag, als men het gebruikelijke tarief van 1 fr. per verkocht exemplaar hanteert...
INSTRUMENTALE ROCK
Maar er was ook "echte" rock met "Cecilia Rock" van The Jokers en "Protest Rock" van The Seabirds. En meteen ontbrandt ook de discussie over het gebruik van het Nederlands dat internationaal succes sowieso uitsluit. In diezelfde periode kunnen The Cousins immers wél world-wide scoren met het in een brabbeltaaltje gezongen scoutsliedje "Kili Watch", wat als het van Jan Hanlo was geweest als poëzie zou worden bestempeld. Gust Derese (bas), André en Guido Vande Meerschout (gitaar en zang) en Adrien Ransy (drums) waren als La Jeune Equipe gestart als balgroepje op de surboums van de jeunesse dorée. De naamsverandering kwam er toen ze werden gevraagd om op te treden in de gelijknamige dancing aan de Brusselse Grote Markt.
The Seabirds (oorspronkelijk een akoestische groep met de Aalsterse zanger Benny De Wilde en de Oostendse gitarist Sylvain Van Holme als Everly Brothers-kopie) waren eigenlijk nog een derivaat van de fameuze Kraft-singeltjes. Deze plaatjes hadden immers zo'n succes dat er met een heuse platenfirma (Helia) kon worden gestart. Naast The Seabirds debuteerden daar ook Danny Fisher & the Spoetniks bijvoorbeeld. Kraft-eigenaar Albert De Backer had van platen persen echter geen... kaas gegeten en door business-flaters ging het bedrijfje in 1963 reeds de fles op.
De Vlaamse muzikanten ontdekten dus de rock'n'roll pas, toen men in de V.S. en Engeland reeds meer de instrumentale toer opging. Daardoor zitten de eerste Belgische rockgroepen die de kop opstaken, helemaal in de sfeer van die instrumentale rage. Zo o.a. de Antwerpse Jokers, die op nummertjes als "Tabou" hun kunsten demonstreren.
The Jokers losten het taalprobleem inderdaad op door ook veel instrumentale nummers op te nemen. Gitarist Ronny Sigo kon er natuurlijk wel wat van! The Jokers gingen als hitparadegroep nog mee tot de twist-rage (nadien zullen zij nog lang in het - vooral Spaanse en Japanse - nightclub-circuit meedraaien). De drummer Gerald Pepermans was afkomstig van Temse (**). Zanger-gitarist Jos Clauwers (°1942) leek zozeer op Elvis dat hij in augustus 1965 even voor Elvis moest spelen in de film “Double Trouble”. Die speelde zich op een bepaald moment immers in Damme, Brugge en Antwerpen af, maar je ziet van hier dat The King zich daarvoor zou verplaatsen! In de jaren zestig was in het Waasland echter nog een groepje actief, The Jumpers, waarvan alvast één lid later carrière heeft gemaakt. Marc De Coen (°1948) werd later immers manager van o.a. Garry Hagger en Günther Neefs. Met Liliane St.Pierre stonden The Jumpers ook in voor de bijbelmusical "Glory Halleluja".
Typisch voor het Waasland is wel dat de twee beste groepen die het heeft voortgebracht, Theo and the Beat Boys en Papadock's BRC, het nooit tot een plaatopname hebben kunnen brengen. Theo en zijn makkers oefenen nu een beroep uit dat niks meer met de muziekbusiness te maken heeft, de mannen van Papadock's daarentegen zijn nog lange tijd actief gebleven. De oorspronkelijke leider, gitarist Luc Vermeulen, die de groep verliet toen deze onder impuls van drummer Erik De Volder van boogie-woogie overschakelde op parodierock-in-het-Vlaams, zit nu in een jazzgroepje zonder al te veel ambities. De gitaristen-gebroeders Vercruyssen en bassist Jean-Pierre Goossens, die ingehuurd werden om nadien de backing van De Volder en pianist Lukas De Bruycker te verzorgen, gingen naar The Bluebirds Big Band. Zowel De Volder als De Bruycker zijn ondertussen volledig het pad van het theater ingeslagen.
THE SIXTIES
In het begin van de jaren zestig scoort België zowaar een nummer één hit in de Verenigde Staten met "Dominique" van Soeur Sourire (gebaseerd op een thema uit de eerste beweging van het klarinetconcerto van Mozart), maar het is pas midden de jaren zestig dat België echt Europees gaat spelen. Niet alleen met Anderlecht op het voetbalveld maar ook op de hitparades, met mensen als Ferre Grignard, Jess & James, The Pebbles, The Wallace Collection en The New Inspiration, die o.a. Dave Berry begeleidden toen die ons land aandeed (toch is de componist met de naam "Berry" die de meeste van hun hits heeft geschreven niet Dave en zeker niet Chuck, maar het is wel een pseudoniem voor zanger Danny Sinclair, die eigenlijk Bracke heette).
The Wallace Collection kwam uit Brussel. Toch zaten er ook Vlamingen bij, zoals Sylvain Van Holmen. Sylvain Van Holmen startte bij de Oostendse beatgroep The Seabirds, waarvan naar eigen zeggen ook Reddy De Mey zou deel hebben uitgemaakt, om van daar bij de Waalse groep Sylvester's Team terecht te komen. Later werd deze groep uitgebreid tot de Wallace Collection die terecht een zeer groot succes oogstte, ook in het buitenland. The Wallace Collection scoorde een reusachtige hit met "Daydream", gebaseerd op enerzijds de wals uit het Zwanenmeer en anderzijds het andante cantabile uit het strijkkwartet, beide van Peter Tsjaikovski (***). Er spéélde bij de Wallace Collection immers ook een cellist en dan nog wel iemand uit het Nationaal Orkest van België, nl. Serge Ghazarian. In het begin van de jaren negentig is hij echter overleden. Het mag de Belgische pop weliswaar aan Jimi Hendrixen of Janis Joplinnen ontbreken, ook hier maait Pierke lustig met z'n zeis: Patrick Nebel, Koen De Bruyne, Ann Christy, Louis Neefs, Bert Bertrand, Dré Baekelant, Wilfried Devijver, Christopher Lühr, Harry Huysmans, Wim Decraene, Robert Mosuse, noem maar op.
FERRE GRIGNARD
Bij de dood van Ferre Grignard in 1982 schreef ik in De Rode Vaan wat naar mijn oordeel een ontroerend eerbetoon was, maar omdat ik mij had laten ontvallen dat het eigenlijk allemaal al lang gedaan was, kreeg ik een vlammende lezersbrief naar mijn kop (****). Alhoewel men dergelijke brieven beter naast zich neer legt, vond ik het toch een geruststelling om jaren later (19/4/2000 om precies te zijn) in Knack-Focus te lezen dat begeleider Miel Fingertips over die tijd verklaarde: "Toen woekerde zijn ziekte al. Ferre wilde nog wel zingen, maar hij kon het bijna niet meer. Het is tragisch om te zeggen, maar hij besefte niet dat het voorbij was."
Over Ferre Grignard doen allerlei stadslegenden de ronde. Zo bijvoorbeeld dat hij samen met Jimi Hendrix zou hebben gejamd in de fameuze Star Club in Hamburg, waar The Beatles ooit zijn begonnen. Het is wél waar dat Ferre in de Star Club heeft gespeeld (van 30 september tot 2 oktober 1966 om precies te zijn), maar Jimi Hendrix heeft zich daar toen niet laten zien. Anderzijds kan het wel zijn dat Ferre in die periode Jimi heeft ontmoet, toen zij allebei (maar los van elkaar uiteraard) in de studio's van de Duitse radio werden verwacht.
Daarnaast is er nog dit merkwaardige verhaal dat Wim Van Gansbeke me ooit eens heeft verteld in het Gentse Nieuwpoorttheater na een optreden van Jos Van Immerseel met zijn toenmalige echtgenote Maria Lindal. Onze Antwerpse pianovirtuoos zou samen met zijn Nederlandse collega Ton Koopman iets te maken gehad hebben met de provobeweging in Antwerpen, aldus Van Gansbeke. Het is echter ook mogelijk dat hij verwart met een andere Nederlander met de naam Koopman, die De Muze openhield en zijn Rolls Royce uitleende aan Ferre Grignard als deze een optreden had versierd in de Parijse Olympia. Maar volgens Van Gansbeke was het dus net omgekeerd: Ferre Grignard zou zijn Rolls hebben uitgeleend aan Ton Koopman om een recital te gaan geven in Parijs. En al lijkt dit dus onwaarschijnlijker dan de eerste versie, dan heb ik het ernstige radioprogramma "Gezocht Verleden" (26/10/97) cellist Jaap ter Linden toch een anekdote horen vertellen hoe men het clavecimbel van Koopman door het dak van die wagen trachtte te vervoeren!
En dan is er ook nog de ongelooflijke story van professor Chris Van den Wyngaert, die in 2004 werd benoemd als rechter aan het Joegoslavië-tribunaal. Die was in de jaren zestig immers "bevriend" met Ferre Grignard en heeft zelfs nog een elpee opgenomen!
MEISJES, ZE KOMEN GOED VAN PAS, MENEER
Nu goed, buiten deze laatste anekdote, zal in wat voorafging vooral de afwezigheid van ons vrouwelijk heir zijn opgevallen. Ook zij hebben immers weinig bijgedragen tot het welslagen van de onderneming. Het volstaat immers niet met te zéggen dat je je als Janis Joplin voelt (Della Bosiers), of een rockband achter je rokken te plaatsen (Leen Persijn met Hatch), of gewoon maar de vrouw van Roel van Bambost te zijn (Miek). Dat alles is volgens ons niet voldoende om te spreken van "rock". Het meest ondernemende meisje was ongetwijfeld Griet De Bock (°1943) die als Kate (van de Kennel en Clee's Five) in Salome's zeven sluiers de podia van de Vlaamse onderpastoors onveilig maakte. In de platenkoffer "Twintig jaar kleinkunst in Vlaanderen" werd, gezien de optiek van de samenstellers, van haar enkel "In het huis der schande" van Drs.P. opgenomen, waarbij het ons een troost is te weten dat haar vaste begeleider, Jean Blaute, toch van de partij is. Griet De Bock heeft nadien nog als actrice opgetreden in "De bittere tranen van Petra von Kant", "Vrouwen" (van Jan Decorte) en "Ulrike", de opera van Leo Geerts, maar in 1981 verdween ze (volgens de website van de Kennel) van de aardbodem. In werkelijkheid zat ze in Italië, samen met acteur Loet Hanekroot, die wij, gewone stervelingen, kennen als de grote directeur uit "De Collega's", maar zij zal hem wel hebben leren kennen (in de bijbelse betekenis van het woord) als regisseur van "Ulrike”. Nu wonen ze in Gent.
Jean Blaute zelf speelde vóór Clee’s Five en Kate’s Kennel bij The Eagles, een beatgroepje uit Zottegem dat o.m. Marino Falco (Marijn De Valck dus) begeleidde. Zij mogen dus niet worden verwacht met een andere groep uit ons land die onder die naam actief was over de taalgrens en o.m. Marc Aryan begeleidde (*****). Bij déze groep vonden we o.m. de later heel erg bekende jazzdrummer Bruno Castelucci terug en Ralph Benatar die in de discoperiode een internationaal gereputeerd producer werd. In de Verenigde Staten was er ook nog een groepje dat zich The Eagles noemde, maar dat is binnen deze context uiteraard totaal onbelangrijk.
JAZZ BILZEN
Jazz Bilzen was, zoals de naam het eigenlijk zelf al aangeeft, oorspronkelijk geïnspireerd was op het jazzfestival in het Waalse Comblain-la-Tour. Organisator Jan Coch in Het Belang van Limburg van 26/9/1986: "Wij hadden in die jaren een vzw gevormd die meer dan 130 leden telde en waarin zowel zestigers als tieners zaten. Zo goed als elke familie in Bilzen had wel een zoon of dochter die aan Jazz Bilzen meewerkte. Jazz Bilzen is eigenlijk uit het Davidsfonds en de Vlaamse Toeristenbodn ontstaan! In die groep zat zowat iedereen: leraars, middenstanders, arbeiders, bedienden, studenten... tot zelfs een priester en een topmanager van een groot Limburgs bedrijf toe."
Maar ook deze laatste kon blijkbaar niet voor voldoende financies zorgen om bijvoorbeeld The Stones en Jimi Hendrix naar Bilzen te halen. En let wel, we spreken hier niet over astronomische bedragen! The Rolling Stones vroegen welgeteld 375.000 fr., terwijl Jimi Hendrix voor 80.000 fr. twee keer naar Bilzen wou komen.
Ook het einde van het interview (overigens afgenomen door Jaak Smeets) is typisch Vlaams. Coch, nu een gesettelde advocaat, zucht: "Begin juli heb ik nog een keer de kriebels gehad. Ik wou naar het bluesfestival in Peer, terwijl mijn vrouw en mijn kinderen naar een pretpark wilden. Ik ben dus uiteindelijk met mijn bengels naar Molenheide geweest. En ik weet dat het een schande is, maar 's avonds dacht ik: ik heb me goed geamuseerd vandaag..."
TACHTIG WERD PRACHTIG
Op het einde van de jaren zeventig was er opnieuw een opleving van de Belgische pop en alhoewel het zoals altijd een samenspel van factoren betrof, was er toch één opmerkelijk verschijnsel: het BRT-programma "Hitring", gepresenteerd door Kurt Van Eeghem (herinner je zijn slogan "Tachtig wordt prachtig"). Eigenlijk is het befaamde (beruchte?) VTM-effect niets anders dan een tienvoudig "Hitring"-effect.
Sindsdien gaat het dus goed met de Belgenpop. En dat zeg ik dan niet omdat er in die tijd nogal wat verzamelelpees verschenen onder het motto "Dit is Belgisch", wat later een heus kwaliteitslabel voor de mode-industrie werd, want- eerlijk gezegd - er werd toen meer vinyl aan lokale producties verkwist dan goed was voor het ecologisch evenwicht. Dat zeg ik echter wél omdat de jeugdige leeftijd van het gros van de artiesten een wissel op de toekomst inhield.
Laten we beginnen met de elpee samengesteld voor de ASLK. Die eer komt haar zeker toe, want "Get sprouts" ("Haal die spruitjes!") is gewoonweg een superieur product, één van de beste verzamelelpees aller tijden. Technisch had de plaat een iets vollere klank mogen krijgen en om de homogeniteit niet te schaden hand The Plant (ex-Kommeniste) eruit gemogen, maar verder was het gewoon al wierook dat uit onze toenmalige (nog niet eens elektrische) schrijfmachine opsteeg. Namen noemen heeft weinig zin, al vermeld ik graag dat Toy mijn persoonlijke voorkeur wegdroeg, wat misschien ook wel een beetje te maken had met het feit dat drummer Marc Bonne voor hetzelfde regionale blad werkte als ik.
In de loop van de jaren tachtig bleek dat er toch een aantal belangrijke namen zouden standhouden: Dirk Blanchart van Luna Twist, Ludo Mariman van The Kids en natuurlijk Arno Hintjens van TC-Matic. Tien jaar eerder was ik totaal van de kaart van een groep genaamd Freckle Face. Op een week tijd ging ik naar twee optredens van hen kijken en vooral luisteren (beide in Gent: een benefietavond voor Release en een "gig" in een dancing op de Kuiperskaai) maar dan was Freckle Face ineens ook "weg". Zo'n vijf jaar later duikt dan in Gent (onder het patronaat van Karel Bogaert) een nieuwe groep op: Tjens-Couter. Op hun eerste elpee hoort men o.a. in "I can dance" nog die harde, wilde, ruwe rootsrock, veel harder en wilder als Freckle Face, maar wel met diezelfde ruwheid. En dat was niet te verwonderen. Achteraf blijkt Freckle Face namelijk de groep te zijn waarin Tjens-Couter debuteerde. Sindsdien kan alles, er zijn geen regels meer. Niet bij het koken (waardoor mijn moeder zowaar een fan van Arno werd) als wat het zingen van nummers van Brel en Ferré (over zijn geboorteplaats Oostende) betreft. Zelfs invloeden van Brecht, Weill en Tom Waits zijn hem niet vreemd, maar de basis blijft blues en rock, verdriet en liefde.
Voor de tweede elpee die tot stand kwam door een samenwerking tussen het popblad Riff, de opnamestudio Simnus en de platenmaatschappij Harvest (EMI), had ik iets meer reserves, maar toch lagen de kaarten ook hier nog goed. Die reserves kwamen dan ook hoofdzakelijk voort uit het feit dat als op de vorige elpee dan al jonge groepen stonden, ze hier nog een flink stuk jonger zijn. Of toch nog niet helemaal rijp. Ik zal niet ontkennen dat een aantal groepen mij zelfs als totaal onbekend voorkwam, maar dat leidde dan soms toch tot prettige verrassingen (zoals b.v. met The Bet uit Meise).
Verder is het wel zo dat olie bovendrijft, daarmee bedoel ik dat de meest bekende groepen ook de beste zijn, zoals The Employees en Lavvi Ebbel (de enigen die ook op de spruitjeselpee staan), Chester Vavenue, Bucks Danny enz. Ook hier weer een miskleun (en véél erger dan The Plant): ene Benjamin Lew, geknipt voor Hara Krishna of Baghwan, mag gedurende een aantal minuten zijn gang gaan. En dat op een elpee die "Beat Boys" heet!
Anderzijds dient wel opgemerkt dat dergelijke verzamelelpees misleidend kunnen werken. Indien bv. de nieuwe single en openingstrack de vijfde elpee van Machiavel, "Fly", erop had gestaan, had ik deze groep vast bij de "goeden" geteld. Helaas blijkt ook "New Lines" alweer de verwachtingen niet in te lossen. Over de eerste twee elpees kan ik geen oordeel vellen omdat ik ze nooit heb gehoord, maar nadat de derde ("Mechanical Moonbeams") zwaar beladen was met een achterhaalde Deep Purple-sound uit de late jaren zestig en ze op de vierde ("Urban games") hadden ontdekt dat ondertussen iedereen op reggae was overgeschakeld, gingen ze met “New Lines” weer een andere (hardere) toer op. "Een groep heeft het recht steeds iets nieuws te brengen," aldus een Machiavellist tijdens een interview op RTL, en dat is juist, maar bij Machiavel lijkt het ons te zeer een krampachtig zoeken naar een eigen sound.
The Kids en Toy verdwenen in 1982 in de quasi-anonimiteit, The Bet bracht een aanvaardbare, maar toch ietwat ontgoochelende elpee uit (nr.3 van De Rode Vaan uit dat jaar), die weliswaar werd overtroffen door de Beatles-persiflage, "A world of Machines" (21, 29), maar geen van deze groepen drukte echt z'n stempel op het voorbije jaar. Evenmin zit die kans erin voor De Kommeniste, Harry & C enz., de talloze jongeren die zich aan het succes van Raymond hebben opgetrokken om het in hun moedertaal te proberen. Terecht wees een (zij het niet onpartijdige) lezer er ons dan ook op (toenmalig manager Herman Schuermans in de RV nr. 4) dat het wel eens De Kreuners zouden kunnen zijn die met de palm zouden gaan lopen. De Meester zelf (RVHG, dus) dook zijdelings hier en daar nog eens op : ofwel in de Young Lovers-tournee van Jean Blaute (13, 41, 44), ofwel op de goede singel van De Waterlanders (25) of de mini-elpee van Kamagurka (50). Voor echte vernieuwing zorgden echter Allez Allez (13) en Luna Twist (7, 50).
Die nieuwe sound vond men in die tijd echter vooral in het New Beat-wereldje. Nog steeds wordt ons landje op die manier hoog aangeslagen in de wereldwijde evolutie naar dance en house. Men kan zich afvragen hoe dat op die manier is kunnen evolueren. Soms geeft men een heel ingewikkelde uitleg gaande van Telex en Front 242 om zo uiteindelijk bij de Confetti's te arriveren. Voor mij is het een uitleg als een andere. Geef mij maar eerder die van Luc De Vos, de zanger van Gorki, in zijn boek “De rest is geschiedenis”: “We schrijven het einde van de jaren tachtig, de beginperiode van de New Beat. Eerst wist ik niet wat ik hoorde. Er dreunde in deze gelagzaal (de Boccaccio, RDS) een dreun die eindeloos voortging (…) Een decennium later zou dit medium, de dance, uitgroeien tot de ene ware soundtrack voor de film van het leven van de jongeren van vandaag. (…) De dance verdrong de popmuziek. Popmuziek was te ver doorgedrongen op het terrein van de communicatie en de metacommunicatie. Popmuziek was louter commentaar gewroden en op den duur naast het leven gaan staan. Dat kon niet blijven duren. Doodvermoeiend was het.” (p.51)
Als de cijfers bekendgemaakt worden over de platenverkoop in ons land gedurende de periode 1979-1983, blijkt hieruit o.m. dat de verkoop van langspeelplaten van bijna twaalf miljoen in 1979 was teruggelopen tot nog geen zeven miljoen in 1983. Een daling dus met veertig procent, voor de platenindustrie hoog genoeg om zelf eens bij de regering aan de bel te gaan hangen. De nooit goed doorgedrongen verkoop van voorbespeelde cassettes volgde "uiteraard" deze curve, maar verrassend steeg de verkoop van singles met ongeveer één miljoen (van 11.931.000 naar 12.643.000). Het is duidelijk: de mensen, en dan vooral de jongeren, hebben nog steeds behoefte aan fonoplaten maar ze zijn in deze crisistijd gewoon te duur geworden. Vandaar dat er prijsbewust wordt gewinkeld. Een single mag dan nog relatief erg duur zijn, ten opzichte van een elpee (die toch vaak "opgevuld" wordt met minderwaardig werk) is ze nog best te betalen.
WANNEER KOMT DE MESSIAS TERUG?
In de jaren zeventig plugden in het hele land Nederlandszingende groepen hun gitaren al eens in een versterker, maar meestal zonder succes: platenmaken was er zelfs nauwelijks bij. Toch konden in het Leuvense groepen als Freakadel, met Wilfried De Vijver, en de groep waaruit hij overgestapt was, Het Luk Tegenbos' Smartensemble, een publiek vinden voor een soort rock’n’roll die, vooral bij Luk Tegenbos, sterk visuele, en vaak ook echt leuke kantjes had. Een hoogtepunt van veel Smartensemble-shows was de Leuvense blues ("Stoasse Blues") die Big Bill (toen nog Krakkebaas) telkens bracht, maar omdat de groep nooit echt kon kiezen tussen professionaliteit en amateurisme, en er anderzijds in het ernstige Vlaanderen toch maar weinig mensen bereid zijn te lachen, ging de groep eind '75, op de fles. Big Bill ging solo verder en bassist Mich Verbelen zou uiteindelijk bij Raymond van het Groenewoud terechtkomen.
De Vlaamse rock zou immers niet echt van de grond komen voor hij zijn Messias gevonden had, en die kwam dan in de persoon van de gewezen Verminnen-begeleider Raymond van het Groenewoud, die samen met de uit Pendulum gevallen Erik Van Neygen en ex-Mad Curry-ritmesectie Eddy Verdonk en Jean Vandooren "Louisette" opzette, de eerste echte Vlaamse rockgroep. Hun debuutsingle ("Maria, Maria, ik hou van jou") was meteen klassieker, maar omdat niemand dat inzag flopte hij. Later, nadat “Meisjes” op de goegemeente was losgelaten, zou het een echte cultklassieker worden, maar dat is weer een ander verhaal...
Ronny De Schepper
(met heel veel dank aan Jan Mestdagh voor het ooggetuigeverslag uit de jaren vijftig en aan Luc De Ryck voor geheugensteuntjes voor wat de jaren zestig en zeventig betreft)
(*) Louis Prima zou trouwens ook later nog z'n invloed doen gelden, o.a. op Marino Falco (Marijn De Valck) met "Hopla met de beentjes, Marie", Salix Alba ("I can't resist") of Two Men Sound ("Feeling better"). In navolging van de toen heersende rage van spaghetti-westerns sprak men in het begin van de jaren zeventig dan van spaghetti-rock.
(**) Danny Fisher had begin jaren zeventig nog een hit in Vlaanderen met ‘Just another guy’, een nummer dat oorspronkelijk de B-zijde sierde van ‘The minute you’re gone’ van Cliff Richard. ‘Just another guy’ werd dan ook geschreven door Neil Diamond. Anno 2007 treedt Danny Fisher nog steeds op, deze keer met The Old Jokers. Of er buiten Gerald Pepermans nog andere leden van de vroegere Jokers meespeelden, weet ik niet.
(***) Toen de groep over zijn hoogtepunt was, stapte Sylvain eruit en dook de studio in om zich te ontfermen over zeer verschillende stijlen, zoals Marijn De Valck, The Kids en The Machines. Zelf bleef hij actief bij Two Men Sound, samen met Lou Deprijck en Pipou.
(****) In die tijd werkte ik samen met de reeds genoemde Bluebirds aan een rock-opera en zo had ik een optreden van Ferre in jeugdhuis ’t Centrum in Sint-Niklaas bijgewoond. The Bluebirds verzorgden immers het voorprogramma. En tegelijk vormden wij op die manier ook het enige publiek, want er was geen kat op afgekomen.
(*****) De eerste begeleidingsgroep van Aryan heette Les Chabrolls. Zijn thuisbasis was toen nog Knokke, een Franstalige enclave aan de rand van Vlaanderen. Het is niet duidelijk of de groep gewoon van naam veranderde of dat het ook om totaal andere muzikanten gaat. Evenmin kan ik bevestigen of de naam afkomstig is van de Franse filmregisseur Claude Chabrol.
"In de jaren 70 werd aan de zangerstaal in volle groei stevige modern klinkende muziek toegevoegd en tekenen zich de resultaten af van de verspreiding van het muziekonderwijs, waar talrijke jongeren een basiskennis van muziek hebben opgedaan. Sedertdien gaat Vlaanderen stevig mee in de internationale rockscène." Minister Luc Martens gaat in zijn beleidsbrief voor muziek van 10 juli 1996 wel erg ver in zijn gevolgtrekkingen en het leggen van verbanden. In 1978 namen The Kids weliswaar hun eerste elpee op (overigens met als producer Leo “Evviva Espana” Caerts) en die hadden hun naam niet gestolen: zanger Ludo Mariman was weliswaar reeds 21, maar drummer Eddy De Haes was slechts 16 en zijn bassende broer Danny zelfs amper 12! Maar of dit een uitvloeisel van het muziekonderwijs was? Dat is alvast niet wat we in de realiteit hebben kunnen ervaren en wat evenmin tot uiting komt in het boek "Wit-lof from Belgium".
Alhoewel dit zeker niet bedoeld is als het ultieme naslagwerk over de Belgische pop, toch is het dankzij een uitermate groot streven naar volledigheid, een (helaas soms wat lukrake) index en vooral een indrukwekkende discografie (van de hand van godsdienstleraar Kris Dierckx) een werk geworden dat alvast heel wat kandidaat-auteurs van dergelijke overzichten zal afschrikken.
In de tekst zelf heeft men echter niet naar encyclopedische toestanden gestreefd, maar integendeel heeft men geopteerd voor een zeer speelse aanpak. Mijns inziens soms wat té speels, zo zijn er hoofdstukken waar in élke zin een woordspeling of iets van die strekking voorkomt. De talloze woordspelerige verwijzingen zullen het boek overigens binnen vijf jaar (of nog eerder) onleesbaar maken.
Alhoewel de schrijvers een latere herwerking niet uitsluiten, was het oorspronkelijk toch hun bedoeling om ook nu reeds iets "blijvends" over te houden. Dat is hen dus maar gedeeltelijk gelukt, al blijft het boek stukken beter dan dat welk door Guy De Pré werd uitgebracht n.a.v. de TV-reeks "De Préhistorie". Guy De Pré aast trouwens zeker op een politieke carrière? Om de twee bladzijden staat zijn foto in het boek van "De Préhistorie". Bovendien heb ik het maar zeer diagonaal gelezen, maar als alle informatie even correct is als die op p.164, waar men beweert dat "op 15 maart tijdens het wereldkampioenschap wielrennen Monseré om het leven komt" dan is het klaar voor de vuilnisbak.
De Prehistorie: jazz in België
De jazz werd in België tamelijk vlug geïntroduceerd, nl. reeds rond de eeuwwisseling, ook al was dat dan uitsluitend ragtime. Die muziek werd meestal als intermezzo gespeeld tussen het repertoire van de militaire kapellen door. Het was trouwens in het zog van John Philip Sousa dat de jazz hier ingang vond. Er bestaan uit die tijd nog partituren van Belgen die ragtime componeerden, maar de meest populaire (ene Fremaux) zijn de namen vergeten geraakt. België was een voorloper op het gebied van de jazz. Misschien was dat nog een beetje een erfenis van Adolphe Sax? Na de Eerste Wereldoorlog was in Brussel het eerste volledig zwarte orkest te horen. The Mitchell's Jazz Kings waren immers het vaste orkest van de Alhambra. De eerste Belgische jazzband ontstond in navolging daarvan in het Bistrouille A.D.O. Het is zelfs zo dat de eerste Europese jazzplaat (1927) voor een deel Belgisch is. Dat wil zeggen: ze werd weliswaar in Londen opgenomen, maar de producent (Félix Faeck) was Belgisch, evenals de uitvoerders (Chas Remue en The New Stompers). De populariteit van de jazz steeg nog meer toen Josephine Baker met haar Revue Nègre het Koninklijk Circus aandeed, waar overigens in 1931 een danswedstrijd à la "They shoot horses" plaatsvond. Een jaar eerder had de openbare omroep N.I.R. een eigen jazzorkest opgericht, geleid door Stan Brenders (een lid van The New Stompers).
Tijdens de bezetting viel er ook in België jazz te beluisteren, ondanks het feit dat de nazi's ze officieel verboden (het woord was wél taboe). Voor sommigen is Stan Brenders, de leider van de populairste big band tijdens de oorlog dan ook een held, terwijl hij voor anderen juist een collaborateur is. Opvallend is dat de muzikanten zich niet beperkten tot het spelen van jazz, maar dat ze ook dansmuziek op het repertoire namen.
Ook Etienne Verschueren ontdekte als een echte "swing kid" de jazz en de sax tijdens de oorlog. Op dat moment studeerde hij piano aan het KMC te Gent en hij vloog meteen aan de deur. Na de oorlog werd hij lid van The Belgian Bluebirds, die vooral in Duitsland voor Amerikaanse soldaten optraden. Leider was Micky Bunner en twee andere bekende leden waren bassist Roger Vanhaverbeke en een andere saxofonist Jack Sels, wiens leven in de film "Just friends" wordt geëvoceerd. In 1958 treedt Verschueren toe tot het orkest van Henry Segers van het toenmalige INR, om in 1963 over te stappen naar het zogenaamde variété-orkest van de NIR o.l.v. Fernand Terby. Nog geen jaar later kreeg hij de leiding van het BRT-dansorkest toegewezen, dat hij later als BRT-jazzorkest groot zal maken... tot het uit bezuinigingsoverwegingen wordt opgeheven.
Ook Toots Thielemans begon met de accordeon van zijn vader, waarop hij in Molenbeek de Internationale speelde. De grootste Belgische bijdrage aan de jazz is dan ook wellicht zijn "Bluesette". Aangezien van alle Belgen Thielemans de Tootste is, werd in 1992 "Bluesette" tot "hymne" van het Brusselse gewest uitgeroepen! Een andere belangrijke jazzclub was "La rose noire" waar in 1955 b.v. de big band van Jeannot Morales speelde met o.a. de Congolese zanger-gitarist Vicky Down, de violist Eddie Delatte, de saxofonisten Etienne Verschueren en Johnny Dover, de drummer Freddy Rottier, de trompettisten Louis De Haes, Bob Pauwels en Charlie Knegtel en de bassist Jean Warland.
Het belangrijkste feit is echter dat in 1955 Toots Thielemans in New York zijn eerste elpee maakt. Vijf jaar eerder, in 1950 verkocht de beloftevolle amateurwielrenner Juul Anthonissen zijn racefiets om zich met de opbrengst een platendraaier aan te schaffen. Een ongelooflijk verhaal als je hem jaren later in zijn volle glorie zag, maar wel de start van wellicht de belangrijkste collectie jazzplaten ter wereld. Juul was onder de indruk van die muziek gekomen door de bioscoop. Niet enkel door films als "Orchestra Wives" (met Glenn Miller), maar ook door de voorfilmpjes, eigenlijk de voorloper van videoclips, met muziek van Jimmy en Tommy Dorsey, Harry James, Count Basie, Duke Ellington enz. Die beïnvloedden tal van orkestjes, zoals ook een jazzorkest in Boom, waarvan Bobbejaan Schoepen, Kees Brug en de vader van Roland Van Campenhout deel uitmaakten.
De Vlaamse rock:
ze zullen hem niet temmen,
want hij is nooit wild geweest
Tussen 1953 en 1956 was België de grootste afnemer van Amerikaanse jukeboxes (b.v.Würlitzer) voor 78-toerenplaten. En dat in absolute cijfers! Maar alhoewel op 19 oktober 1958 Bill Haley de wereldtentoonstelling afsloot, bleven de hele jaren vijftig door vooral specimens als Jan Verbraeken, La Esterella, Henk De Bruin, Ray Franky en Enny Denita het mooie (?) weer maken. Zelfs een redactie als deze van Song Parade die bestond uit mensen die hun hart hadden verpand aan de Amerikaanse amusementsmuziek en de jazz nam aanvankelijk tegenover rock'n'roll een erg ambivalente houding aan. Deze muziek voerde immers een faam van geweld en straatschenderij met zich mee en waar een figuur als Bill Haley nog moeiteloos geaccepteerd werd, bleef zelfs Elvis Presley geruime tijd taboe. Zo wordt in het novembernummer van 1956 met enthousiasme bericht over de "Rock'n'roll Show" die te Brussel heeft plaatsgegrepen en die georganiseerd werd in de dancing Sint-Sauveur (sic!) door Ciné Revue, Max Factor en Columbia Films - winnaars waren Mevr.Lili Holemans uit Brussel en de heer D.Van den Berghe uit Boom, benieuwd wat er van hen is geworden - maar op een andere plaats schrijft jazz-medewerker Pierre De Bie over Elvis Presley dat hij "ten onrechte" zanger wordt genoemd.
In het nummer van 27 maart 1957 verschijnt de uitslag van de "Song Parade Popularity Poll 1956-1957", die een typisch beeld geeft van de situatie op dat ogenblik. Bij de zangers wordt Nat King Cole gelauwerd, gevolgd door Frank Sinatra en Elvis Presley; bij de vrouwelijke vocalisten wint "Miss Que Sera" Doris Day, met in haar kielzog Caterina Valente en Ella Fitzgerald; als vocale groep beleven The Platters triomfen, hierbij The Four Aces en The Four Lads achter zich latend; bij de "grote orkesten" blijkt Lionel Hampton favoriet number one, gevolgd door... Helmut Zacharias die Count Basie verslaat (!); bij de "kleine formaties" verslaat Bill Haley zijn naaste concurrenten, zijnde de Louis Armstrong All Stars en Freddie Bell and The Bellboys, een groep die destijds aan de zijde van Bill Haley debuteerde in "Rock around the clock" en waarvan sinds jaar en dag niets meer werd vernomen; bij de solisten tenslotte gaat de hoofdtrofee naar de Engelse trompetist Eddie "Zambesi" Calvert, gevolgd door Louis Armstrong en Lionel Hampton.
Typisch is dat er een aparte klassering wordt voorzien voor "rock'n'rollartisten", en hier wint Elvis Presley moeiteloos het pleit vóór Bill Haley, Little Richard, Gene Vincent, Fats Domino en The Treniers.
Dezelfde namen vinden wij grosso modo in het nummer 37 van een jaar later terug, maar vocalist nummer één is nu veelzeggend genoeg Pat Boone, gevolgd door Elvis Presley als ongelukkige tweede en Nat King Cole als grote verliezer.
Nochtans zullen wij u geen verzamelaar van de religieuze en nationalistische fanaat Pat Boone aanraden, ook al komt hij wél en King Elvis niet voor op twee ietwat dubieuze verzamelaars, die onder de titel "Heroes of rock'n'roll' (MCA) n.a.v. een TV-serie (op Veronica als wij ons niet vergissen) werd uitgegeven. Dubieus omdat onder deze titel blijkbaar ook The Mamas and The Papas, Brian Hyland en zowaar zelfs filmacteur Richard Harris thuis horen.
Hoe dan ook, de houding vanwege Song Parade tegenover vooral blanke rockers als Jerry Lee Lewis bleef moeilijk, maar zwarten als Little Richard en grote voorganger Louis Jordan konden zich in een uitgesproken sympathie verheugen, net als trouwens mr.Buona Sera Louis Prima - vanwege zijn jazzy achtergrond?
Want is de doorbraak van rock'n'roll in België redelijk laat gekomen, dan is de verbinding met de jazzwereld des te opvallender. Een de eerste figuren, Freddy Sunder met "Rio Rita", kwam net als z'n grote voorbeeld Louis Prima immers eerder uit de jazz-richting en werd zelfs als Amerikaan gepromoot. (*)
FREDDY SUNDER
Voor één keer kon men dus echter toch niet zeggen dat België het buitenland achterna huppelde als het over het ontstaan van rock'n'roll ging. Integendeel zelfs, nog voor "Rock around the clock" of "Jailhouse rock" onze kontreien zouden bereiken, had de Antwerpenaar Freddy Sunder reeds een boogie-versie van de country-klassieker "Kaw Liga" op de markt gebracht (in 1953). En die country-inbreng is nu precies wat rock'n'roll zou onderscheiden van de rhythm'n'blues die reeds vroeger bestond en die voor 90% het ritmische patroon van rock zou bepalen.
Wist Sunder echter veel! En zijn fans wisten nog minder. Zij waren immers in de waan gebracht (nog altijd in de euforie van de afloop van W.O.II) dat het hier een Amerikaans staatsburger betrof. Van zodra echter de ware nationaliteit van Sunder aan het licht kwam, riepen zijn vroegere fans in koor: "Mee iel Antwaarpe, mor nie mee maa!" Gelukkig kon Frits Sunderman aan de slag als studiogitarist (b.v. op "Kili Watch", "Eenzaam zonder jou" en "Sans toi mamie") en later zelfs als leider van de BRT-Big Band.
BURT BLANCA
Exit Sunder, welkom Burt Blanca. Ook hier deed men een beetje geheimzinnig over zijn afkomst (het was een Brusselaar met Brugse roots), maar gelukkig niet in die mate dat het publiek afkickte toen men erachter kwam dat dit niet het verloren gewaande tweelingsbroertje van Elvis Presley was. Blanca had zelfs over de zuidergrens een verdiend succes, zeker als men ermee rekening houdt dat hij ooit nog debuteerde in het beruchte baancafé "Virske de Fluitster" in Vilvoorde, waar nu een Decap-orgel speelt.
Dat heeft natuurlijk ook veel te maken met de houding die de goegemeente aannam tegenover het nieuwe rockverschijnsel, zoals Burt Blanca zo'n twintig jaar geleden in De Rode Vaan verklaarde: "Het rockfenomeen werd vooral komisch benaderd. Men vond het eigenaardig dat wij op het podium zo te keer gingen. Een orkest dat moest toch stijf blijven staan, nietwaar?"
Burt Blanca huppelde zowat over en weer tussen Engels en Frans ("Tout en fumée") en werd daardoor eigenlijk geen sant in eigen land, maar kwam wel aan de bak in Frankrijk.
DAN ELLERY
Dan Ellery van zijn kant nam onder zijn eigen naam vocale nummers op voor Philips ("Jealous tiger" is z'n bekendste) en met The Tigers instrumentals voor Newtone ("Tiger attack"). Het merkwaardige is dat daarbij vaak een hoofdrol werd vertolkt door een "naamloze" saxofonist. De composities waren meestal van Dan samen met ene Rocky Miller. Opvallend is wel dat ze veel Amerikaanser klonken (met name de invloed van de "twangy sound" van Duane Eddy op "Long Trail" is opvallend) dan de andere Europese groepen uit die tijd (behalve misschien de Franse, zoals Vince Taylor of Les Chaussettes Noires), die eigenlijk allemaal kopieën waren van The Shadows. Dat is wel jammer voor sologitarist Jeff De Visscher, die dan eerder aan de bak kan komen als begeleider van Jacky Delmone.
Nadien gaat Dan bij RCA spelen, maar buiten "Lumpin' Lips" zit daar niet veel soeps bij. Hij hervat zich echter met "Bop-a-lena" op Cardinal. Jeff De Visscher gaat dan bij Nancy & the Atlantics spelen ("We are happy" en "If you think"), een groep die in de richting van The Honeycombs gaat, maar waarin Nancy Dee reeds wordt vooruitgeschoven wat uiteindelijk zal uitmonden in een solocarrière, die evenwel weinig met rock’n’roll vandoen heeft.
Minder bekend is ene Billy Geens uit Averbode alias Bill Diddley die ondanks zijn naam eerder een Buddy Holly-kopie was die in 1958 debuteerde (Holly zong overigens ook de gelijknamige Bo Diddley-klassieker). Zijn groep, The Daltons, ging in 1963 ter ziele en daarna werd Diddley begeleid door The Hollywood Twisters of zelfs door The Pebbles! Net als Joe Meek kreeg ook Bill Diddley een slag van de molen in 1967, alleen pleegde hij gelukkig geen zelfmoord, maar integendeel: hij zag het Licht al hier op aarde! "Buddy Holly is een heilige. Hij toonde aan de jeugd hoe zich te gedragen. De Rolling Stones en dat soort groepen hebben die houding verbeestachtigd!" Alleluia.
PATER VISSER
Voor de Belgische kranten was rock'n'roll in het algemeen en Elvis Presley in het bijzonder natuurlijk de baarlijke duivel (denk aan het stukje in "De Gentenaar"). Alleen Hugo Claus kwam tegen die opvatting in opstand.
In die context is het nu wel tijd om even een misverstand recht te zetten dat nog steeds welig verder tiert. Dat de kerk rock'n'roll niet gunstig gezind is, dat kun je je namelijk wel inbeelden, maar echt hard kan men die stelling niet maken. Er zijn m.a.w. bij mijn weten, in ons land althans, nooit expliciete veroordelingen geweest van rockmuziek vanop de kansel. Tenzij door hier of daar een individu.
Maar daar stonden dan andere individuen tegenover, zoals Pater Visser van de abdij van Affligem die in het muziektijdschrift "Juke Box" verkondigt (in 1957!): "Als wij in de bladen schrijven, of op vergaderingen zeggen, dat Rock'n'Roll een zottekensspel is, dan halen die jonge gasten achter onze rug hun schouders op en lachen ze je uit. Dat negatieve in onze woorden of geschriften aanvaardt onze huidige jeugd niet meer. Zij vraagt enkel begrip voor hun leven en een hoger optillen van dat leven. Wij veroordelen te veel en wij verzorgen te weinig. Wie veroordeelt moet ook iets kunnen opbouwen. Het oude zegt de nieuwe jeugd weinig of niets meer. Er is aan deze jeugd niet veel gegeven of gezegd (in een taal, die hen aansprak) en daarom is zij haar eigen weg gegaan. Of beter gezegd niet haar eigen weg, want jeugd gaat geen eigen wegen, maar van de voorbeelden die hen aanspraken. Mij persoonlijk zegt Elvis Presley heel weinig; maar ik vind wel dat die jongeman, zowel in stem als in voordracht, de sfeer van de huidige jeugd weergeeft. Dat gebrokene, dat hese in zijn stem, het geraffineerde in zijn voordracht... En als men daarbij zijn figuur voor ogen heeft, dan kan men zich enigszins indenken, dat onze huidige jeugd zich daarin weervindt."
Wijze woorden, zeker als men deze houding vergelijkt, b.v. met die van de Communistische Partij die in die koude oorlogsjaren op die manier de kans aan zich voorbij liet gaan om de jeugd voor zich te winnen. In een licentiaatsverhandeling haalt Marniks Puype deze negatieve houding tegenover rock'n'roll zelfs aan als één van de redenen waarom de oplage van "De Rode Vaan" uiteindelijk zo klein werd dat men van een dagblad naar een weekblad moest overschakelen. Toen ik n.a.v. "20 jaar Sgt.Pepper's" er "De Rode Vaan" van 1967 op navlooide, bleek dat het uitbrengen van deze monumentale elpee de redactie totaal ontgaan was. De commentaar van toenmalig redacteur Vic Van Saarloos was ontnuchterend: "Och, wij hadden daar hoegenaamd geen belangstelling voor. Maar dat was in feite al een vooruitgang, want in de jaren vijftig hebben we werkelijk nog vurige pamfletten geschreven tegen Elvis Presley en zo."
Omdat vele platenwinkels zich nog “een opvoedende taak” voorhielden en nog liever failliet gingen dan die “beestenmuziek” uit het verderfelijke buitenland te importeren en "the real thing" dus moeilijk te krijgen was, huurden Albert Van Hoogten en Jean Van Hooren enkele mensen in om hits te coveren voor een budget-label (Teeny b.v.), plaatjes met twee A-kanten die dan tegen 39fr (i.p.v. de "normale" 66fr) werden verkocht. Ikzelf had zo "Personality"/"Keep it up" van Bell Records en natuurlijk ook tal van die fameuze Kraft-plaatjes die echter van mindere kwaliteit waren. Al zou ik wel graag weten wie deze plaatjes inspeelden en –zongen: bestaat er in Engeland niet iets dergelijks, waarbij het om de jonge Rod Stewart en Elton John blijkt te gaan?
Dat was ook de tijd dat de muziekuitgeverijen nog altijd meer te zeggen hadden dan de platenmaatschappijen, zodat het kon gebeuren dat iedere maatschappij hààr versie van een bepaalde hit liet opnemen. De hitparades werden dan ook nog altijd op basis van het lied (de muziekuitgeverij dus) en niet van de uitvoerder (de platenfirma) opgemaakt, vandaar dus die "gekke" hitparades van uit die tijd.
BOBBY SETTER
Opmerkelijk is dat reeds van bij het begin er ook Vlaamse rock wordt gemaakt: zelfs Will Tura, dé grote naam van het zogenaamde Lichte Lied in Vlaanderen, waagde zich oorspronkelijk aan The Everly Brothers, ofwel met een vertaling ("Bye Bye Love") of een soort “op de wijze van” ("Sproetje", geschreven door... Jan Theys!).
Will Tura, of beter gezegd Arthur Blanckaert, want toen had hij nog geen artiestennaam, was gedebuteerd op een “crochetwedstrijd” van Radio Kortrijk in 1955 met de toepasselijke naam “Weg met de zorgen”. Hij eindigde er tweede na de zestienjarige Bob Verhelst, die als prijs (net zoals veel later in “Idool”) een plaatje mocht opnemen, met name zijn interpretatie van “De Jodelende Fluiter” van Bobbejaan Schoepen. Bob Verhelst ging later studeren aan het Gentse Conservatorium, waar hij als Bobby Setter een rockgroepje samenstelde. In 1963 zag hij zich echter genoodzaakt de samenstelling van zijn groep helemaal om te gooien, want hij kreeg via een agentschap in Monaco de kans om een tournee te doen in Afrika, o.a. in Dakar en Abidjan en zijn conservatoriumvrienden kozen uiteindelijk toch maar voor een veilig bestaan in de klassieke richting.
Bobby Setter zou later vooral naam maken als begeleider van Fats Domino op zijn Europese tournees en door het intrappen van de deur van rockjournalist Jacky Huys, toen die een artikel geschreven had over zijn dochter (“dochter van Bobby en een Ierse”). Waarop Bobby zich onsterfelijk maakte door te repliceren: “Mijn vrouw is geen Ierse!!!”
Bobby Setter speelt ook op de originele “De Vogeltjesdans” zoals die werd uitgebracht door Louis Van Rijmenant. Aangezien het hier eigenlijk het nummer “Chip Chip” betreft van een Zwitsers accordeonist die zijn rechten had afgestaan, kreeg Setter de keuze om 1.500 fr. te incasseren als studiomuzikant ofwel mee te tekenen als componist. Hij koos voor het eerste, waardoor hij zo’n 33 miljoen door zijn neus geboord zag, als men het gebruikelijke tarief van 1 fr. per verkocht exemplaar hanteert...
INSTRUMENTALE ROCK
Maar er was ook "echte" rock met "Cecilia Rock" van The Jokers en "Protest Rock" van The Seabirds. En meteen ontbrandt ook de discussie over het gebruik van het Nederlands dat internationaal succes sowieso uitsluit. In diezelfde periode kunnen The Cousins immers wél world-wide scoren met het in een brabbeltaaltje gezongen scoutsliedje "Kili Watch", wat als het van Jan Hanlo was geweest als poëzie zou worden bestempeld. Gust Derese (bas), André en Guido Vande Meerschout (gitaar en zang) en Adrien Ransy (drums) waren als La Jeune Equipe gestart als balgroepje op de surboums van de jeunesse dorée. De naamsverandering kwam er toen ze werden gevraagd om op te treden in de gelijknamige dancing aan de Brusselse Grote Markt.
The Seabirds (oorspronkelijk een akoestische groep met de Aalsterse zanger Benny De Wilde en de Oostendse gitarist Sylvain Van Holme als Everly Brothers-kopie) waren eigenlijk nog een derivaat van de fameuze Kraft-singeltjes. Deze plaatjes hadden immers zo'n succes dat er met een heuse platenfirma (Helia) kon worden gestart. Naast The Seabirds debuteerden daar ook Danny Fisher & the Spoetniks bijvoorbeeld. Kraft-eigenaar Albert De Backer had van platen persen echter geen... kaas gegeten en door business-flaters ging het bedrijfje in 1963 reeds de fles op.
De Vlaamse muzikanten ontdekten dus de rock'n'roll pas, toen men in de V.S. en Engeland reeds meer de instrumentale toer opging. Daardoor zitten de eerste Belgische rockgroepen die de kop opstaken, helemaal in de sfeer van die instrumentale rage. Zo o.a. de Antwerpse Jokers, die op nummertjes als "Tabou" hun kunsten demonstreren.
The Jokers losten het taalprobleem inderdaad op door ook veel instrumentale nummers op te nemen. Gitarist Ronny Sigo kon er natuurlijk wel wat van! The Jokers gingen als hitparadegroep nog mee tot de twist-rage (nadien zullen zij nog lang in het - vooral Spaanse en Japanse - nightclub-circuit meedraaien). De drummer Gerald Pepermans was afkomstig van Temse (**). Zanger-gitarist Jos Clauwers (°1942) leek zozeer op Elvis dat hij in augustus 1965 even voor Elvis moest spelen in de film “Double Trouble”. Die speelde zich op een bepaald moment immers in Damme, Brugge en Antwerpen af, maar je ziet van hier dat The King zich daarvoor zou verplaatsen! In de jaren zestig was in het Waasland echter nog een groepje actief, The Jumpers, waarvan alvast één lid later carrière heeft gemaakt. Marc De Coen (°1948) werd later immers manager van o.a. Garry Hagger en Günther Neefs. Met Liliane St.Pierre stonden The Jumpers ook in voor de bijbelmusical "Glory Halleluja".
Typisch voor het Waasland is wel dat de twee beste groepen die het heeft voortgebracht, Theo and the Beat Boys en Papadock's BRC, het nooit tot een plaatopname hebben kunnen brengen. Theo en zijn makkers oefenen nu een beroep uit dat niks meer met de muziekbusiness te maken heeft, de mannen van Papadock's daarentegen zijn nog lange tijd actief gebleven. De oorspronkelijke leider, gitarist Luc Vermeulen, die de groep verliet toen deze onder impuls van drummer Erik De Volder van boogie-woogie overschakelde op parodierock-in-het-Vlaams, zit nu in een jazzgroepje zonder al te veel ambities. De gitaristen-gebroeders Vercruyssen en bassist Jean-Pierre Goossens, die ingehuurd werden om nadien de backing van De Volder en pianist Lukas De Bruycker te verzorgen, gingen naar The Bluebirds Big Band. Zowel De Volder als De Bruycker zijn ondertussen volledig het pad van het theater ingeslagen.
THE SIXTIES
In het begin van de jaren zestig scoort België zowaar een nummer één hit in de Verenigde Staten met "Dominique" van Soeur Sourire (gebaseerd op een thema uit de eerste beweging van het klarinetconcerto van Mozart), maar het is pas midden de jaren zestig dat België echt Europees gaat spelen. Niet alleen met Anderlecht op het voetbalveld maar ook op de hitparades, met mensen als Ferre Grignard, Jess & James, The Pebbles, The Wallace Collection en The New Inspiration, die o.a. Dave Berry begeleidden toen die ons land aandeed (toch is de componist met de naam "Berry" die de meeste van hun hits heeft geschreven niet Dave en zeker niet Chuck, maar het is wel een pseudoniem voor zanger Danny Sinclair, die eigenlijk Bracke heette).
The Wallace Collection kwam uit Brussel. Toch zaten er ook Vlamingen bij, zoals Sylvain Van Holmen. Sylvain Van Holmen startte bij de Oostendse beatgroep The Seabirds, waarvan naar eigen zeggen ook Reddy De Mey zou deel hebben uitgemaakt, om van daar bij de Waalse groep Sylvester's Team terecht te komen. Later werd deze groep uitgebreid tot de Wallace Collection die terecht een zeer groot succes oogstte, ook in het buitenland. The Wallace Collection scoorde een reusachtige hit met "Daydream", gebaseerd op enerzijds de wals uit het Zwanenmeer en anderzijds het andante cantabile uit het strijkkwartet, beide van Peter Tsjaikovski (***). Er spéélde bij de Wallace Collection immers ook een cellist en dan nog wel iemand uit het Nationaal Orkest van België, nl. Serge Ghazarian. In het begin van de jaren negentig is hij echter overleden. Het mag de Belgische pop weliswaar aan Jimi Hendrixen of Janis Joplinnen ontbreken, ook hier maait Pierke lustig met z'n zeis: Patrick Nebel, Koen De Bruyne, Ann Christy, Louis Neefs, Bert Bertrand, Dré Baekelant, Wilfried Devijver, Christopher Lühr, Harry Huysmans, Wim Decraene, Robert Mosuse, noem maar op.
FERRE GRIGNARD
Bij de dood van Ferre Grignard in 1982 schreef ik in De Rode Vaan wat naar mijn oordeel een ontroerend eerbetoon was, maar omdat ik mij had laten ontvallen dat het eigenlijk allemaal al lang gedaan was, kreeg ik een vlammende lezersbrief naar mijn kop (****). Alhoewel men dergelijke brieven beter naast zich neer legt, vond ik het toch een geruststelling om jaren later (19/4/2000 om precies te zijn) in Knack-Focus te lezen dat begeleider Miel Fingertips over die tijd verklaarde: "Toen woekerde zijn ziekte al. Ferre wilde nog wel zingen, maar hij kon het bijna niet meer. Het is tragisch om te zeggen, maar hij besefte niet dat het voorbij was."
Over Ferre Grignard doen allerlei stadslegenden de ronde. Zo bijvoorbeeld dat hij samen met Jimi Hendrix zou hebben gejamd in de fameuze Star Club in Hamburg, waar The Beatles ooit zijn begonnen. Het is wél waar dat Ferre in de Star Club heeft gespeeld (van 30 september tot 2 oktober 1966 om precies te zijn), maar Jimi Hendrix heeft zich daar toen niet laten zien. Anderzijds kan het wel zijn dat Ferre in die periode Jimi heeft ontmoet, toen zij allebei (maar los van elkaar uiteraard) in de studio's van de Duitse radio werden verwacht.
Daarnaast is er nog dit merkwaardige verhaal dat Wim Van Gansbeke me ooit eens heeft verteld in het Gentse Nieuwpoorttheater na een optreden van Jos Van Immerseel met zijn toenmalige echtgenote Maria Lindal. Onze Antwerpse pianovirtuoos zou samen met zijn Nederlandse collega Ton Koopman iets te maken gehad hebben met de provobeweging in Antwerpen, aldus Van Gansbeke. Het is echter ook mogelijk dat hij verwart met een andere Nederlander met de naam Koopman, die De Muze openhield en zijn Rolls Royce uitleende aan Ferre Grignard als deze een optreden had versierd in de Parijse Olympia. Maar volgens Van Gansbeke was het dus net omgekeerd: Ferre Grignard zou zijn Rolls hebben uitgeleend aan Ton Koopman om een recital te gaan geven in Parijs. En al lijkt dit dus onwaarschijnlijker dan de eerste versie, dan heb ik het ernstige radioprogramma "Gezocht Verleden" (26/10/97) cellist Jaap ter Linden toch een anekdote horen vertellen hoe men het clavecimbel van Koopman door het dak van die wagen trachtte te vervoeren!
En dan is er ook nog de ongelooflijke story van professor Chris Van den Wyngaert, die in 2004 werd benoemd als rechter aan het Joegoslavië-tribunaal. Die was in de jaren zestig immers "bevriend" met Ferre Grignard en heeft zelfs nog een elpee opgenomen!
MEISJES, ZE KOMEN GOED VAN PAS, MENEER
Nu goed, buiten deze laatste anekdote, zal in wat voorafging vooral de afwezigheid van ons vrouwelijk heir zijn opgevallen. Ook zij hebben immers weinig bijgedragen tot het welslagen van de onderneming. Het volstaat immers niet met te zéggen dat je je als Janis Joplin voelt (Della Bosiers), of een rockband achter je rokken te plaatsen (Leen Persijn met Hatch), of gewoon maar de vrouw van Roel van Bambost te zijn (Miek). Dat alles is volgens ons niet voldoende om te spreken van "rock". Het meest ondernemende meisje was ongetwijfeld Griet De Bock (°1943) die als Kate (van de Kennel en Clee's Five) in Salome's zeven sluiers de podia van de Vlaamse onderpastoors onveilig maakte. In de platenkoffer "Twintig jaar kleinkunst in Vlaanderen" werd, gezien de optiek van de samenstellers, van haar enkel "In het huis der schande" van Drs.P. opgenomen, waarbij het ons een troost is te weten dat haar vaste begeleider, Jean Blaute, toch van de partij is. Griet De Bock heeft nadien nog als actrice opgetreden in "De bittere tranen van Petra von Kant", "Vrouwen" (van Jan Decorte) en "Ulrike", de opera van Leo Geerts, maar in 1981 verdween ze (volgens de website van de Kennel) van de aardbodem. In werkelijkheid zat ze in Italië, samen met acteur Loet Hanekroot, die wij, gewone stervelingen, kennen als de grote directeur uit "De Collega's", maar zij zal hem wel hebben leren kennen (in de bijbelse betekenis van het woord) als regisseur van "Ulrike”. Nu wonen ze in Gent.
Jean Blaute zelf speelde vóór Clee’s Five en Kate’s Kennel bij The Eagles, een beatgroepje uit Zottegem dat o.m. Marino Falco (Marijn De Valck dus) begeleidde. Zij mogen dus niet worden verwacht met een andere groep uit ons land die onder die naam actief was over de taalgrens en o.m. Marc Aryan begeleidde (*****). Bij déze groep vonden we o.m. de later heel erg bekende jazzdrummer Bruno Castelucci terug en Ralph Benatar die in de discoperiode een internationaal gereputeerd producer werd. In de Verenigde Staten was er ook nog een groepje dat zich The Eagles noemde, maar dat is binnen deze context uiteraard totaal onbelangrijk.
JAZZ BILZEN
Jazz Bilzen was, zoals de naam het eigenlijk zelf al aangeeft, oorspronkelijk geïnspireerd was op het jazzfestival in het Waalse Comblain-la-Tour. Organisator Jan Coch in Het Belang van Limburg van 26/9/1986: "Wij hadden in die jaren een vzw gevormd die meer dan 130 leden telde en waarin zowel zestigers als tieners zaten. Zo goed als elke familie in Bilzen had wel een zoon of dochter die aan Jazz Bilzen meewerkte. Jazz Bilzen is eigenlijk uit het Davidsfonds en de Vlaamse Toeristenbodn ontstaan! In die groep zat zowat iedereen: leraars, middenstanders, arbeiders, bedienden, studenten... tot zelfs een priester en een topmanager van een groot Limburgs bedrijf toe."
Maar ook deze laatste kon blijkbaar niet voor voldoende financies zorgen om bijvoorbeeld The Stones en Jimi Hendrix naar Bilzen te halen. En let wel, we spreken hier niet over astronomische bedragen! The Rolling Stones vroegen welgeteld 375.000 fr., terwijl Jimi Hendrix voor 80.000 fr. twee keer naar Bilzen wou komen.
Ook het einde van het interview (overigens afgenomen door Jaak Smeets) is typisch Vlaams. Coch, nu een gesettelde advocaat, zucht: "Begin juli heb ik nog een keer de kriebels gehad. Ik wou naar het bluesfestival in Peer, terwijl mijn vrouw en mijn kinderen naar een pretpark wilden. Ik ben dus uiteindelijk met mijn bengels naar Molenheide geweest. En ik weet dat het een schande is, maar 's avonds dacht ik: ik heb me goed geamuseerd vandaag..."
TACHTIG WERD PRACHTIG
Op het einde van de jaren zeventig was er opnieuw een opleving van de Belgische pop en alhoewel het zoals altijd een samenspel van factoren betrof, was er toch één opmerkelijk verschijnsel: het BRT-programma "Hitring", gepresenteerd door Kurt Van Eeghem (herinner je zijn slogan "Tachtig wordt prachtig"). Eigenlijk is het befaamde (beruchte?) VTM-effect niets anders dan een tienvoudig "Hitring"-effect.
Sindsdien gaat het dus goed met de Belgenpop. En dat zeg ik dan niet omdat er in die tijd nogal wat verzamelelpees verschenen onder het motto "Dit is Belgisch", wat later een heus kwaliteitslabel voor de mode-industrie werd, want- eerlijk gezegd - er werd toen meer vinyl aan lokale producties verkwist dan goed was voor het ecologisch evenwicht. Dat zeg ik echter wél omdat de jeugdige leeftijd van het gros van de artiesten een wissel op de toekomst inhield.
Laten we beginnen met de elpee samengesteld voor de ASLK. Die eer komt haar zeker toe, want "Get sprouts" ("Haal die spruitjes!") is gewoonweg een superieur product, één van de beste verzamelelpees aller tijden. Technisch had de plaat een iets vollere klank mogen krijgen en om de homogeniteit niet te schaden hand The Plant (ex-Kommeniste) eruit gemogen, maar verder was het gewoon al wierook dat uit onze toenmalige (nog niet eens elektrische) schrijfmachine opsteeg. Namen noemen heeft weinig zin, al vermeld ik graag dat Toy mijn persoonlijke voorkeur wegdroeg, wat misschien ook wel een beetje te maken had met het feit dat drummer Marc Bonne voor hetzelfde regionale blad werkte als ik.
In de loop van de jaren tachtig bleek dat er toch een aantal belangrijke namen zouden standhouden: Dirk Blanchart van Luna Twist, Ludo Mariman van The Kids en natuurlijk Arno Hintjens van TC-Matic. Tien jaar eerder was ik totaal van de kaart van een groep genaamd Freckle Face. Op een week tijd ging ik naar twee optredens van hen kijken en vooral luisteren (beide in Gent: een benefietavond voor Release en een "gig" in een dancing op de Kuiperskaai) maar dan was Freckle Face ineens ook "weg". Zo'n vijf jaar later duikt dan in Gent (onder het patronaat van Karel Bogaert) een nieuwe groep op: Tjens-Couter. Op hun eerste elpee hoort men o.a. in "I can dance" nog die harde, wilde, ruwe rootsrock, veel harder en wilder als Freckle Face, maar wel met diezelfde ruwheid. En dat was niet te verwonderen. Achteraf blijkt Freckle Face namelijk de groep te zijn waarin Tjens-Couter debuteerde. Sindsdien kan alles, er zijn geen regels meer. Niet bij het koken (waardoor mijn moeder zowaar een fan van Arno werd) als wat het zingen van nummers van Brel en Ferré (over zijn geboorteplaats Oostende) betreft. Zelfs invloeden van Brecht, Weill en Tom Waits zijn hem niet vreemd, maar de basis blijft blues en rock, verdriet en liefde.
Voor de tweede elpee die tot stand kwam door een samenwerking tussen het popblad Riff, de opnamestudio Simnus en de platenmaatschappij Harvest (EMI), had ik iets meer reserves, maar toch lagen de kaarten ook hier nog goed. Die reserves kwamen dan ook hoofdzakelijk voort uit het feit dat als op de vorige elpee dan al jonge groepen stonden, ze hier nog een flink stuk jonger zijn. Of toch nog niet helemaal rijp. Ik zal niet ontkennen dat een aantal groepen mij zelfs als totaal onbekend voorkwam, maar dat leidde dan soms toch tot prettige verrassingen (zoals b.v. met The Bet uit Meise).
Verder is het wel zo dat olie bovendrijft, daarmee bedoel ik dat de meest bekende groepen ook de beste zijn, zoals The Employees en Lavvi Ebbel (de enigen die ook op de spruitjeselpee staan), Chester Vavenue, Bucks Danny enz. Ook hier weer een miskleun (en véél erger dan The Plant): ene Benjamin Lew, geknipt voor Hara Krishna of Baghwan, mag gedurende een aantal minuten zijn gang gaan. En dat op een elpee die "Beat Boys" heet!
Anderzijds dient wel opgemerkt dat dergelijke verzamelelpees misleidend kunnen werken. Indien bv. de nieuwe single en openingstrack de vijfde elpee van Machiavel, "Fly", erop had gestaan, had ik deze groep vast bij de "goeden" geteld. Helaas blijkt ook "New Lines" alweer de verwachtingen niet in te lossen. Over de eerste twee elpees kan ik geen oordeel vellen omdat ik ze nooit heb gehoord, maar nadat de derde ("Mechanical Moonbeams") zwaar beladen was met een achterhaalde Deep Purple-sound uit de late jaren zestig en ze op de vierde ("Urban games") hadden ontdekt dat ondertussen iedereen op reggae was overgeschakeld, gingen ze met “New Lines” weer een andere (hardere) toer op. "Een groep heeft het recht steeds iets nieuws te brengen," aldus een Machiavellist tijdens een interview op RTL, en dat is juist, maar bij Machiavel lijkt het ons te zeer een krampachtig zoeken naar een eigen sound.
The Kids en Toy verdwenen in 1982 in de quasi-anonimiteit, The Bet bracht een aanvaardbare, maar toch ietwat ontgoochelende elpee uit (nr.3 van De Rode Vaan uit dat jaar), die weliswaar werd overtroffen door de Beatles-persiflage, "A world of Machines" (21, 29), maar geen van deze groepen drukte echt z'n stempel op het voorbije jaar. Evenmin zit die kans erin voor De Kommeniste, Harry & C enz., de talloze jongeren die zich aan het succes van Raymond hebben opgetrokken om het in hun moedertaal te proberen. Terecht wees een (zij het niet onpartijdige) lezer er ons dan ook op (toenmalig manager Herman Schuermans in de RV nr. 4) dat het wel eens De Kreuners zouden kunnen zijn die met de palm zouden gaan lopen. De Meester zelf (RVHG, dus) dook zijdelings hier en daar nog eens op : ofwel in de Young Lovers-tournee van Jean Blaute (13, 41, 44), ofwel op de goede singel van De Waterlanders (25) of de mini-elpee van Kamagurka (50). Voor echte vernieuwing zorgden echter Allez Allez (13) en Luna Twist (7, 50).
Die nieuwe sound vond men in die tijd echter vooral in het New Beat-wereldje. Nog steeds wordt ons landje op die manier hoog aangeslagen in de wereldwijde evolutie naar dance en house. Men kan zich afvragen hoe dat op die manier is kunnen evolueren. Soms geeft men een heel ingewikkelde uitleg gaande van Telex en Front 242 om zo uiteindelijk bij de Confetti's te arriveren. Voor mij is het een uitleg als een andere. Geef mij maar eerder die van Luc De Vos, de zanger van Gorki, in zijn boek “De rest is geschiedenis”: “We schrijven het einde van de jaren tachtig, de beginperiode van de New Beat. Eerst wist ik niet wat ik hoorde. Er dreunde in deze gelagzaal (de Boccaccio, RDS) een dreun die eindeloos voortging (…) Een decennium later zou dit medium, de dance, uitgroeien tot de ene ware soundtrack voor de film van het leven van de jongeren van vandaag. (…) De dance verdrong de popmuziek. Popmuziek was te ver doorgedrongen op het terrein van de communicatie en de metacommunicatie. Popmuziek was louter commentaar gewroden en op den duur naast het leven gaan staan. Dat kon niet blijven duren. Doodvermoeiend was het.” (p.51)
Als de cijfers bekendgemaakt worden over de platenverkoop in ons land gedurende de periode 1979-1983, blijkt hieruit o.m. dat de verkoop van langspeelplaten van bijna twaalf miljoen in 1979 was teruggelopen tot nog geen zeven miljoen in 1983. Een daling dus met veertig procent, voor de platenindustrie hoog genoeg om zelf eens bij de regering aan de bel te gaan hangen. De nooit goed doorgedrongen verkoop van voorbespeelde cassettes volgde "uiteraard" deze curve, maar verrassend steeg de verkoop van singles met ongeveer één miljoen (van 11.931.000 naar 12.643.000). Het is duidelijk: de mensen, en dan vooral de jongeren, hebben nog steeds behoefte aan fonoplaten maar ze zijn in deze crisistijd gewoon te duur geworden. Vandaar dat er prijsbewust wordt gewinkeld. Een single mag dan nog relatief erg duur zijn, ten opzichte van een elpee (die toch vaak "opgevuld" wordt met minderwaardig werk) is ze nog best te betalen.
WANNEER KOMT DE MESSIAS TERUG?
In de jaren zeventig plugden in het hele land Nederlandszingende groepen hun gitaren al eens in een versterker, maar meestal zonder succes: platenmaken was er zelfs nauwelijks bij. Toch konden in het Leuvense groepen als Freakadel, met Wilfried De Vijver, en de groep waaruit hij overgestapt was, Het Luk Tegenbos' Smartensemble, een publiek vinden voor een soort rock’n’roll die, vooral bij Luk Tegenbos, sterk visuele, en vaak ook echt leuke kantjes had. Een hoogtepunt van veel Smartensemble-shows was de Leuvense blues ("Stoasse Blues") die Big Bill (toen nog Krakkebaas) telkens bracht, maar omdat de groep nooit echt kon kiezen tussen professionaliteit en amateurisme, en er anderzijds in het ernstige Vlaanderen toch maar weinig mensen bereid zijn te lachen, ging de groep eind '75, op de fles. Big Bill ging solo verder en bassist Mich Verbelen zou uiteindelijk bij Raymond van het Groenewoud terechtkomen.
De Vlaamse rock zou immers niet echt van de grond komen voor hij zijn Messias gevonden had, en die kwam dan in de persoon van de gewezen Verminnen-begeleider Raymond van het Groenewoud, die samen met de uit Pendulum gevallen Erik Van Neygen en ex-Mad Curry-ritmesectie Eddy Verdonk en Jean Vandooren "Louisette" opzette, de eerste echte Vlaamse rockgroep. Hun debuutsingle ("Maria, Maria, ik hou van jou") was meteen klassieker, maar omdat niemand dat inzag flopte hij. Later, nadat “Meisjes” op de goegemeente was losgelaten, zou het een echte cultklassieker worden, maar dat is weer een ander verhaal...
Ronny De Schepper
(met heel veel dank aan Jan Mestdagh voor het ooggetuigeverslag uit de jaren vijftig en aan Luc De Ryck voor geheugensteuntjes voor wat de jaren zestig en zeventig betreft)
(*) Louis Prima zou trouwens ook later nog z'n invloed doen gelden, o.a. op Marino Falco (Marijn De Valck) met "Hopla met de beentjes, Marie", Salix Alba ("I can't resist") of Two Men Sound ("Feeling better"). In navolging van de toen heersende rage van spaghetti-westerns sprak men in het begin van de jaren zeventig dan van spaghetti-rock.
(**) Danny Fisher had begin jaren zeventig nog een hit in Vlaanderen met ‘Just another guy’, een nummer dat oorspronkelijk de B-zijde sierde van ‘The minute you’re gone’ van Cliff Richard. ‘Just another guy’ werd dan ook geschreven door Neil Diamond. Anno 2007 treedt Danny Fisher nog steeds op, deze keer met The Old Jokers. Of er buiten Gerald Pepermans nog andere leden van de vroegere Jokers meespeelden, weet ik niet.
(***) Toen de groep over zijn hoogtepunt was, stapte Sylvain eruit en dook de studio in om zich te ontfermen over zeer verschillende stijlen, zoals Marijn De Valck, The Kids en The Machines. Zelf bleef hij actief bij Two Men Sound, samen met Lou Deprijck en Pipou.
(****) In die tijd werkte ik samen met de reeds genoemde Bluebirds aan een rock-opera en zo had ik een optreden van Ferre in jeugdhuis ’t Centrum in Sint-Niklaas bijgewoond. The Bluebirds verzorgden immers het voorprogramma. En tegelijk vormden wij op die manier ook het enige publiek, want er was geen kat op afgekomen.
(*****) De eerste begeleidingsgroep van Aryan heette Les Chabrolls. Zijn thuisbasis was toen nog Knokke, een Franstalige enclave aan de rand van Vlaanderen. Het is niet duidelijk of de groep gewoon van naam veranderde of dat het ook om totaal andere muzikanten gaat. Evenmin kan ik bevestigen of de naam afkomstig is van de Franse filmregisseur Claude Chabrol.
Woodstock
Op 15, 16 en 17 augustus 2009 zal het precies veertig jaar geleden zijn dat het fameuze Woodstock-festival plaatsvond. Wie, zeker hier in Europa, Woodstock zegt, denkt niet zozeer aan het festival zelf, maar wel aan de film die door Michael Wadleigh werd gedraaid. Dat geeft soms een vertekend beeld. Er traden in Woodstock immers meer groepen op dan in de film te zien zijn.
De redenen zijn divers: ofwel eiste men te hoge royalties om in de film te mogen verschijnen, ofwel was men te stoned. Je kan zelf uitzoeken welke van de twee redenen van toepassing was op Johnny Winter, Quill, Dan Sommers, Janis Joplin, The Keef Hartley Band, Creedence Clearwater Revival, The Incredible String Band (nu Scientology-aanhangers), Tim Hardin (stierf in 1980 op 39-jarige leeftijd aan een overdosis), Blood Sweat & Tears, The Grateful Dead en The Band. The Paul Butterfield Blues Band (Butterfield overleed in 1987 op 44-jarige leeftijd), Jefferson Airplane ("Somebody to love" was als "Someone to love" oorspronkelijk de B-kant van "Free advice", de enige single die de groep onder de naam The Great Society had opgenomen, de producer was Sylvester Stewart, beter bekend als Sly Stone), Canned Heat (gitarist Al Wilson stierf een jaar na Woodstock aan een overdosis; de zwaarlijvige zanger Bob "The Bear" Hite overleed in 1981 op 36-jarige leeftijd aan een hartaanval), Melanie en Mountain (leider Pappalardi werd in 1983 op 44-jarige leeftijd neergeschoten door zijn vrouw) zijn wel op de albums te horen die werden uitgebracht. Canned Heat is zelfs in de film te hóren (als opener nog wel, met de fameuze zin “I sure got to pee”), maar niet te zien.
Een deel van hen komt wél voor op de tweede film die over Woodstock werd uitgebracht, t.g.v. de 25ste verjaardag, maar het merkwaardigste is iets wat ikzelf nog heb beleefd. In mijn geboortedorp Temse was er in het begin van de jaren zeventig immers een wijkbioscoop (British Palace) die net als zovele andere op de vertoning van seksfilms was overgeschakeld om te overleven. Daar is men er eens in geslaagd om "Woodstock" als zogenaamde "voorfilm" te geven. Kenners zullen zich afvragen hoe dit mogelijk is, aangezien de "officiële" versie niet minder dan drie uur lang is. Voor deze “voorfilm” had men dan ook duchtig de schaar gehanteerd. En gezien de context is het onnodig erop te wijzen dat de fragmenten over het naaktzwemmen en -dansen of de "vlugge wip in het bos" er zeker niet waren uit verwijderd. Maar het allermerkwaardigste was nog dat men erin geslaagd was in deze ultrakorte (een goed uur) "seksversie" zal ik maar zeggen niet minder dan twee fragmenten te steken die in de "lange" versie niet voorkwamen, met name een extra nummer van Country Joe & the Fish en één van Sly & the Family Stone!
De Woodstock-film diende overigens vooral om het verlies van 85 miljoen goed te maken (de kaartenverkoop werd immers gestaakt, maar de groepen dienden wél te worden betaald, zij het dat sommige meer begrip hadden voor de organisatoren dan andere).
Oorspronkelijk was ook een optreden van Rod Stewart voorzien, die toen met de Jeff Beck Group een tournee door de Verenigde Staten maakte, maar de groep splitte nog voor het zover was (na het bekende incident met de Amerikaanse promotor, die Rod Stewart op de schouder klopte en zei: "That's quite a good guitar player you have there, Jeff"). Pianist Nicky Hopkins ging dan maar op zijn eentje naar Woodstock en voegde zich daar voor de gelegenheid bij Jefferson Airplane. Met zijn klassieke opleiding was Hopkins, die op 6 september 1994 op 50-jarige leeftijd in Nashville overleed, ook een veel gevraagd sessiemuzikant, zo o.a. voor "Revolver" van The Beatles, voor "Jumpin' Jack Flash", "Sympathy for the devil" en "Tumblin' dice" van The Rolling Stones en voor The Who. Ook de supergroep Blind Faith (met Eric Clapton) was voorzien in Woodstock, maar zou er nooit geraken.
Herdenkingen van tien en twintig jaar Woodstock gingen niet door (tenzij merkwaardig genoeg in het fameuze Gorki-park in Moscou, ik heb er nog met de organisatoren gesproken) en die van 25 jaar kampte met enorme problemen. Het was ondertussen immers duidelijk dat rockmuziek op de eerste plaats business is geworden. Volgens "oudstrijder" John Sebastian is het keerpunt in die evolutie precies aan Woodstock zelf te wijten: "Plots begrepen mensen die niets met rock'n'roll te maken hadden welk een macht die muziek had. Ze realiseerden zich dat de muziek van de counterculture bij een hele generatie aansloeg, op hetzelfde ogenblik waarop wij het begrepen. En ze begrepen dat er met die muziek veel geld te verdienen was. Dat veranderde alles. Tot dan werd je van rock niet rijk. Een song in de top-tien betekende pakweg dertigduizend dollar, geen miljoen. Niemand die in Woodstock optrad maakte muziek om rijk te worden. We waren verschrikkelijk naief in geldzaken. Velen onder ons werden dan ook gepluimd door gewetenloze managers. Ik inbegrepen." (Tegen Tom Ronsse in De Morgen van 13/8/1994)
Kaarten voor 25 jaar Woodstock kostten niet minder dan 5000fr! (ze geraakten dan ook niet uitverkocht). Alhoewel het de bedoeling was met de programmatie de jongeren van 1994 aan te spreken (met groepen gaande van Porno for Pyros en Red Hot Chili Peppers tot Aerosmith en Metallica), waren toch een aantal veteranen van Woodstock '69 present: Joe Cocker, Crosby Stills & Nash en The Band, maar dan zonder Robbie Robertson (en met een nieuwe vervanger, want degene die hem eerst verving, heeft ondertussen zelfmoord gepleegd). Het gekke is ook dat er nu een aantal oudjes van de partij waren die er in '69 niet bij waren: Traffic, The Allman Brothers en Bob Dylan, die nochtans in Woodstock woonde.
Een teken des tijds is wel dat tal van mensen liever thuis bleven en het concert via de kabeltelevisie bekeken. Voor de speciale doorstraling moesten ze dan wel 1500fr betalen. De organisator was opnieuw Michael Lang en alleen al voor de verzekering (100 miljoen dollar) betaalde hij méér dan destijds voor het hele festival. Anderzijds zorgden grote sponsors als Pepsi en Polygram ervoor dat hij deze keer zeker zijn broek niet scheurde. Bovendien leeft hij zelf al jaren goed door het feit dat hij al die tijd manager is geweest van Joe Cocker (toegegeven, hij heeft Cocker van zijn alcoholverslaving afgeholpen).
Eigenlijk had dit festival plaats in Saugerties, zo'n 90km van Woodstock, wat niet écht een probleem mocht zijn, want Woodstock zélf ging ook niet in Woodstock door, maar in Bethel. Daar waren tijdens datzelfde weekend Melanie, Richie Havens en Arlo Guthrie present tijdens een kleinschaliger festival. Wie echter niet van de partij was, op geen van beide festivals, was The Middle Aged Men With Electric Guitars, de groep gevormd door Barry Melton, de gitarist van The Fish (degene die de "No Rain" kreet lanceerde; hij is nu advocaat - spreken in het openbaar kan-ie blijkbaar wel), en de overblijvende leden van Big Brother and the Holding Company, de groep die Janis dropte een jaar voor Woodstock.
Ronny De Schepper
De redenen zijn divers: ofwel eiste men te hoge royalties om in de film te mogen verschijnen, ofwel was men te stoned. Je kan zelf uitzoeken welke van de twee redenen van toepassing was op Johnny Winter, Quill, Dan Sommers, Janis Joplin, The Keef Hartley Band, Creedence Clearwater Revival, The Incredible String Band (nu Scientology-aanhangers), Tim Hardin (stierf in 1980 op 39-jarige leeftijd aan een overdosis), Blood Sweat & Tears, The Grateful Dead en The Band. The Paul Butterfield Blues Band (Butterfield overleed in 1987 op 44-jarige leeftijd), Jefferson Airplane ("Somebody to love" was als "Someone to love" oorspronkelijk de B-kant van "Free advice", de enige single die de groep onder de naam The Great Society had opgenomen, de producer was Sylvester Stewart, beter bekend als Sly Stone), Canned Heat (gitarist Al Wilson stierf een jaar na Woodstock aan een overdosis; de zwaarlijvige zanger Bob "The Bear" Hite overleed in 1981 op 36-jarige leeftijd aan een hartaanval), Melanie en Mountain (leider Pappalardi werd in 1983 op 44-jarige leeftijd neergeschoten door zijn vrouw) zijn wel op de albums te horen die werden uitgebracht. Canned Heat is zelfs in de film te hóren (als opener nog wel, met de fameuze zin “I sure got to pee”), maar niet te zien.
Een deel van hen komt wél voor op de tweede film die over Woodstock werd uitgebracht, t.g.v. de 25ste verjaardag, maar het merkwaardigste is iets wat ikzelf nog heb beleefd. In mijn geboortedorp Temse was er in het begin van de jaren zeventig immers een wijkbioscoop (British Palace) die net als zovele andere op de vertoning van seksfilms was overgeschakeld om te overleven. Daar is men er eens in geslaagd om "Woodstock" als zogenaamde "voorfilm" te geven. Kenners zullen zich afvragen hoe dit mogelijk is, aangezien de "officiële" versie niet minder dan drie uur lang is. Voor deze “voorfilm” had men dan ook duchtig de schaar gehanteerd. En gezien de context is het onnodig erop te wijzen dat de fragmenten over het naaktzwemmen en -dansen of de "vlugge wip in het bos" er zeker niet waren uit verwijderd. Maar het allermerkwaardigste was nog dat men erin geslaagd was in deze ultrakorte (een goed uur) "seksversie" zal ik maar zeggen niet minder dan twee fragmenten te steken die in de "lange" versie niet voorkwamen, met name een extra nummer van Country Joe & the Fish en één van Sly & the Family Stone!
De Woodstock-film diende overigens vooral om het verlies van 85 miljoen goed te maken (de kaartenverkoop werd immers gestaakt, maar de groepen dienden wél te worden betaald, zij het dat sommige meer begrip hadden voor de organisatoren dan andere).
Oorspronkelijk was ook een optreden van Rod Stewart voorzien, die toen met de Jeff Beck Group een tournee door de Verenigde Staten maakte, maar de groep splitte nog voor het zover was (na het bekende incident met de Amerikaanse promotor, die Rod Stewart op de schouder klopte en zei: "That's quite a good guitar player you have there, Jeff"). Pianist Nicky Hopkins ging dan maar op zijn eentje naar Woodstock en voegde zich daar voor de gelegenheid bij Jefferson Airplane. Met zijn klassieke opleiding was Hopkins, die op 6 september 1994 op 50-jarige leeftijd in Nashville overleed, ook een veel gevraagd sessiemuzikant, zo o.a. voor "Revolver" van The Beatles, voor "Jumpin' Jack Flash", "Sympathy for the devil" en "Tumblin' dice" van The Rolling Stones en voor The Who. Ook de supergroep Blind Faith (met Eric Clapton) was voorzien in Woodstock, maar zou er nooit geraken.
Herdenkingen van tien en twintig jaar Woodstock gingen niet door (tenzij merkwaardig genoeg in het fameuze Gorki-park in Moscou, ik heb er nog met de organisatoren gesproken) en die van 25 jaar kampte met enorme problemen. Het was ondertussen immers duidelijk dat rockmuziek op de eerste plaats business is geworden. Volgens "oudstrijder" John Sebastian is het keerpunt in die evolutie precies aan Woodstock zelf te wijten: "Plots begrepen mensen die niets met rock'n'roll te maken hadden welk een macht die muziek had. Ze realiseerden zich dat de muziek van de counterculture bij een hele generatie aansloeg, op hetzelfde ogenblik waarop wij het begrepen. En ze begrepen dat er met die muziek veel geld te verdienen was. Dat veranderde alles. Tot dan werd je van rock niet rijk. Een song in de top-tien betekende pakweg dertigduizend dollar, geen miljoen. Niemand die in Woodstock optrad maakte muziek om rijk te worden. We waren verschrikkelijk naief in geldzaken. Velen onder ons werden dan ook gepluimd door gewetenloze managers. Ik inbegrepen." (Tegen Tom Ronsse in De Morgen van 13/8/1994)
Kaarten voor 25 jaar Woodstock kostten niet minder dan 5000fr! (ze geraakten dan ook niet uitverkocht). Alhoewel het de bedoeling was met de programmatie de jongeren van 1994 aan te spreken (met groepen gaande van Porno for Pyros en Red Hot Chili Peppers tot Aerosmith en Metallica), waren toch een aantal veteranen van Woodstock '69 present: Joe Cocker, Crosby Stills & Nash en The Band, maar dan zonder Robbie Robertson (en met een nieuwe vervanger, want degene die hem eerst verving, heeft ondertussen zelfmoord gepleegd). Het gekke is ook dat er nu een aantal oudjes van de partij waren die er in '69 niet bij waren: Traffic, The Allman Brothers en Bob Dylan, die nochtans in Woodstock woonde.
Een teken des tijds is wel dat tal van mensen liever thuis bleven en het concert via de kabeltelevisie bekeken. Voor de speciale doorstraling moesten ze dan wel 1500fr betalen. De organisator was opnieuw Michael Lang en alleen al voor de verzekering (100 miljoen dollar) betaalde hij méér dan destijds voor het hele festival. Anderzijds zorgden grote sponsors als Pepsi en Polygram ervoor dat hij deze keer zeker zijn broek niet scheurde. Bovendien leeft hij zelf al jaren goed door het feit dat hij al die tijd manager is geweest van Joe Cocker (toegegeven, hij heeft Cocker van zijn alcoholverslaving afgeholpen).
Eigenlijk had dit festival plaats in Saugerties, zo'n 90km van Woodstock, wat niet écht een probleem mocht zijn, want Woodstock zélf ging ook niet in Woodstock door, maar in Bethel. Daar waren tijdens datzelfde weekend Melanie, Richie Havens en Arlo Guthrie present tijdens een kleinschaliger festival. Wie echter niet van de partij was, op geen van beide festivals, was The Middle Aged Men With Electric Guitars, de groep gevormd door Barry Melton, de gitarist van The Fish (degene die de "No Rain" kreet lanceerde; hij is nu advocaat - spreken in het openbaar kan-ie blijkbaar wel), en de overblijvende leden van Big Brother and the Holding Company, de groep die Janis dropte een jaar voor Woodstock.
Ronny De Schepper
In memoriam Jean Dulieu (1921-2006)
Driemaal klop van houten hamer op tafel.
BOELIE: De zitting is geopend, geopend.
SALOMO: Vandaag op de agenda: de moord op de das, genaamd Gregorius, door Paulus, ook nog genoemd: de boskabouter. Iedereen mag gaan zitten.
Gestommel met stoelen.
OEHOEBOEROE: Beklaagde, sta op. U hebt zonet de beschuldiging gehoord, en zoals steeds hebt u zonder emotie zitten luisteren. U hebt helendal nooit een enkele poging gedaan om de beschuldiging te weerleggen maar anderzijds hebt u ook nooit enig teken van berouw of spijt getoond. Dit is zeer buitengemeen belangwekkend. Mag ik u vragen waarom u dergelijke houding aanneemt?
PAULUS: Edelachtbare, ik heb mijn zogenaamde misdaad niet proberen te verbergen, noch heb ik er enige spijt over omdat het niets anders dan mijn plicht was.
Verontwaardiging in de rechtszaal.
OEHOEBOEROE: Beklaagde, dit vergt enige verklaring.
PAULUS: Maar, Oehoeboeroe, zoals ik...
OEHOEBOEROE: Hm, hm, ik roep u tot de orde, Paulus, ik bedoel: beklaagde. U heeft hier niet het recht mij met mijn voornaam aan te spreken. Dat is helendal een buitengewone belediging van het Hof.
PAULUS: Maar daar gaat het 'em nou precies om, Oehoe... edelachtbare. Vroeger waren wij allen gelijk, we noemden elkaar bij de voornaam, we amuseerden de kinderen en bleven tegelijkertijd zelf kind, maar sinds de Knutselkabouter naar het mensenuniversum is geweest...
SALOMO: Ja maar, Paulus, je lijkt wel jaloers! Maar dat is toch onze schuld niet: we hadden je gevraagd als burgemeester en je hebt geweigerd!
PAULUS: Natuurlijk heb ik dat geweigerd! We hebben er toch niets bij te winnen? Waren we dan vroeger niet gelukkig?
SALOMO: Nou, jij hebt mooi praten, Paulus: jij had vroeger alles voor het zeggen...
PAULUS: Dat... dat.... dat komt dan toch omdat jullie het zo gewild hebben. Jullie kwamen steeds bij mij als er iets mis ging. Ik heb daar toch zelf nooit op aangestuurd?
OEHOEBOEROE: Dat is misschien allemaal wel buitengemeen belangwekkend, maar dit verklaart nog niet waarom u Gregorius hebt vermoord.
PAULUS: Jawel! Want wat bleef er over voor die arme Gregorius?
SALOMO: "Die arme Gregorius", het lijkt wel of wij hem vermoord hebben.
PAULUS: Nou, dat is ook zo, Salomo! Met heel jullie belachelijke reorganisatie van ons boswereldje. Welke rol hadden jullie voor Gregorius uitgedacht?
SALOMO: Wel...
OEHOEBOEROE: Maar Paulus, het was toch duidelijk dat Gregorius niet in zo'n belangrijke onderneming paste. Gregorius was een beetje, hoe zou ik zeggen? Achterlijk?
PAULUS: Precies, edelachtbare, Gregorius was nog een kind. Hij was goed, trouw, eerlijk. En hij paste dus inderdaad niet in jullie systeem van gekochte diploma's en door relaties opgebouwde machtsposities. Gregorius wist helemaal niet meer waar hij het had. Hij at niet meer - hij had trouwens geen eten meer, sinds de planten in het bos, of liever: wat ervan overblijft na al die huizen die Boelie en de Knutselkabouter gebouwd hebben, privé-eigendom waren geworden en men ervoor moest betalen. Gregorius werd ziek en kwijnde weg. Hij had geen lang leven meer voor de boeg. En hij had geweldig veel pijn en daarom heb ik nog één van mijn oude kabouterdrankjes bovengehaald...
BOELIE: De zitting is geopend, geopend.
SALOMO: Vandaag op de agenda: de moord op de das, genaamd Gregorius, door Paulus, ook nog genoemd: de boskabouter. Iedereen mag gaan zitten.
Gestommel met stoelen.
OEHOEBOEROE: Beklaagde, sta op. U hebt zonet de beschuldiging gehoord, en zoals steeds hebt u zonder emotie zitten luisteren. U hebt helendal nooit een enkele poging gedaan om de beschuldiging te weerleggen maar anderzijds hebt u ook nooit enig teken van berouw of spijt getoond. Dit is zeer buitengemeen belangwekkend. Mag ik u vragen waarom u dergelijke houding aanneemt?
PAULUS: Edelachtbare, ik heb mijn zogenaamde misdaad niet proberen te verbergen, noch heb ik er enige spijt over omdat het niets anders dan mijn plicht was.
Verontwaardiging in de rechtszaal.
OEHOEBOEROE: Beklaagde, dit vergt enige verklaring.
PAULUS: Maar, Oehoeboeroe, zoals ik...
OEHOEBOEROE: Hm, hm, ik roep u tot de orde, Paulus, ik bedoel: beklaagde. U heeft hier niet het recht mij met mijn voornaam aan te spreken. Dat is helendal een buitengewone belediging van het Hof.
PAULUS: Maar daar gaat het 'em nou precies om, Oehoe... edelachtbare. Vroeger waren wij allen gelijk, we noemden elkaar bij de voornaam, we amuseerden de kinderen en bleven tegelijkertijd zelf kind, maar sinds de Knutselkabouter naar het mensenuniversum is geweest...
SALOMO: Ja maar, Paulus, je lijkt wel jaloers! Maar dat is toch onze schuld niet: we hadden je gevraagd als burgemeester en je hebt geweigerd!
PAULUS: Natuurlijk heb ik dat geweigerd! We hebben er toch niets bij te winnen? Waren we dan vroeger niet gelukkig?
SALOMO: Nou, jij hebt mooi praten, Paulus: jij had vroeger alles voor het zeggen...
PAULUS: Dat... dat.... dat komt dan toch omdat jullie het zo gewild hebben. Jullie kwamen steeds bij mij als er iets mis ging. Ik heb daar toch zelf nooit op aangestuurd?
OEHOEBOEROE: Dat is misschien allemaal wel buitengemeen belangwekkend, maar dit verklaart nog niet waarom u Gregorius hebt vermoord.
PAULUS: Jawel! Want wat bleef er over voor die arme Gregorius?
SALOMO: "Die arme Gregorius", het lijkt wel of wij hem vermoord hebben.
PAULUS: Nou, dat is ook zo, Salomo! Met heel jullie belachelijke reorganisatie van ons boswereldje. Welke rol hadden jullie voor Gregorius uitgedacht?
SALOMO: Wel...
OEHOEBOEROE: Maar Paulus, het was toch duidelijk dat Gregorius niet in zo'n belangrijke onderneming paste. Gregorius was een beetje, hoe zou ik zeggen? Achterlijk?
PAULUS: Precies, edelachtbare, Gregorius was nog een kind. Hij was goed, trouw, eerlijk. En hij paste dus inderdaad niet in jullie systeem van gekochte diploma's en door relaties opgebouwde machtsposities. Gregorius wist helemaal niet meer waar hij het had. Hij at niet meer - hij had trouwens geen eten meer, sinds de planten in het bos, of liever: wat ervan overblijft na al die huizen die Boelie en de Knutselkabouter gebouwd hebben, privé-eigendom waren geworden en men ervoor moest betalen. Gregorius werd ziek en kwijnde weg. Hij had geen lang leven meer voor de boeg. En hij had geweldig veel pijn en daarom heb ik nog één van mijn oude kabouterdrankjes bovengehaald...
Abonneren op:
Posts (Atom)