Posts tonen met het label Tars Lootens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tars Lootens. Alle posts tonen

zondag 6 januari 2008

Marc Van Garsse

Marc Van Garsse is op 4 februari 1945 geboren als zoon van decorateur Georges Van Garsse en van Flore Hebbinkuys, die de piano als een alledaags gebruiksvoorwerp in het huis introduceerde, waarvan zijn broers Jos en Luk en zijn zus Vera dankbaar gebruik maakten. Jos was op dat ogenblik een architect in Elversele en Luk een dokter in Dendermonde. Deze Luk was na Marc degene die het verst is gegaan op de muzikale paden. Niet alleen speelt hij naast piano ook nog dwarsfluit, hij heeft het zelfs ooit nog geprobeerd als chansonier onder de naam Luk Moriaen. Een uiterst negatieve kritiek van ene Johan Anthierens heeft hem echter tot andere inzichten gebracht.
De decoratiezaak van vader Van Garsse was oorspronkelijk gevestigd aan de markt van Sint-Niklaas, maar toen ze werd overgebracht naar de Stationsstraat switchte Marcske, die op dat moment zijn broek op de lagere schoolbanken versleet, van de Broeders naar het college. Hij volgde daar ook de middelbare afdeling (Latijn-wiskunde). Hij heeft echter zijn opleiding daar niet voleindigd, maar wel in het Heilig Maagdcollege van Dendermonde. Waarom, dat ben ik hem vergeten te vragen en dat is misschien niet zonder belang omdat het toeval toen heeft toegeslagen. Marc Van Garsse werd in Dendermonde immers lid van het schoolkoor, trok daarmee van hier naar daar en kwam op die manier in contact met de bevallige dochter Gaby van de apotheker Derveaux op de Grote Markt. Tussendoor haspelt Marc nog gauw zijn studies in Sint-Lukas (Brussel) af voor binnenhuisarchitect.
Paradoxaal genoeg verliepen de muzikale studies van Marc niet zo vlot als zijn “profane”. De oorzaak was echter te zoeken in het feit dat Marc reeds op zesjarige leeftijd goed piano kon spelen op het gehoor. Als hij dan als achtjarige naar de muziekschool moet en hij zoveel moeite ondervindt om van het blad te spelen, ligt het haast voor de hand dat hij de gemakkelijkste weg kiest, zich afwendt van de klassieke muziek en meer populaire deuntjes uit het klavier haalt.
In het kader van zijn latere jazz-carrière is dit van doorslaggevend belang geweest. De discussie over het feit of een “klassieke” muzikale opleiding nu remmend of stimulerend werkt voor een jazzmuzikant is nog altijd niet uitgevochten. Zeldzaam zijn zij alleszins die net als Mark Matthijs het ene met het andere kunnen combineren. Of mógen combineren. Want conservatoriumstudenten die zich aan jazz “wagen”, moeten nog steeds optornen tegen torenhoge vooroordelen.
Een andere belangrijke gebeurtenis uit de jeugd van Marc Van Garsse die zijn stempel drukte op zijn huidige loopbaan is het feit dat hij op tienjarige leeftijd een accordeon krijgt en er op de koop toe nog op leert spelen ook! Dit instrument brengt hem namelijk een harmonische basis bij.
Daarna kwam dus het college. Hier sticht Marc op veertienjarige leeftijd “The Manhattan Boys”. Zoals dat gewoonlijk gaat, was het komen en gaan binnen de formatie. Op die manier hebben o.a. Marc Serwir (van het hotel met dezelfde naam), Vic Kinschots (nu dokter), Emiel Van der Aa (aannemer), Arnold Kesteloot (apotheker) en Werner Zaman (Sonata) deel uitgemaakt van de groep. Marc speelde toen uiteraard nog piano, de bas was in handen van Arnold Kesteloot en soms ook van Marc Serwir. Werner Zaman speelde gitaar.
Samen speelden deze jonge heren tijdens de repetities vooral jazz (en met name vooral het toen erg populaire “Take five” van het Dave Brubeck Quartet), maar als zij al eens een optreden hadden, dan was het voor een Vlaamse kermis en onze vrienden dachten: dat mogen we de mensen niet aandoen, jazz spelen als zij daar komen om zich te amuseren. Daarom speelde ze zowat al de populaire deuntjes uit die tijd.
In 1963 echter, in januari om precies te zijn, organiseert de BRT in samenwerking met de Nederlandse televisie een wedstrijd in het kader van Tienerklanken. Tien Vlaamse en tien Nederlandse groepen nemen eraan deel. De meesten spelen de hits van het ogenblik, maar The Manhattan Boys, die ook geselecteerd zijn, denken: we zitten hier nu toch niet op een Vlaamse kermis en spelen deze maal wél jazz. In de jury zitten mensen als Freddy Sunder, Bob Boon en Jo Leemans en die horen wel dat hier talent voorhanden is. Gevolg: The Manhattan Boys rijven de eerste prijs binnen.
In augustus van datzelfde jaar proberen ze dan meteen ook hun geluk op zowaar een echt jazzconcours, namelijk de trofee Bobby Jaspart in Comblain-la-Tour. Voor de gelegenheid versterkt door trompettist Freddy Delahaye en vibrafonist Bob Porter (later van het BRT-jazzorkest) kapen zij daar de tweede plaats weg.
De weg naar de jazz lag dus open voor The Manhattan Boys. De roem lag aan hun voeten, maar... hun populariteit nam zinderogen af. Nu ze ook al op de Vlaamse kermissen jazz begonnen te spelen, konden ze in die oorden van gemakkelijk plezier best gemist worden. We zijn hier niet in New Orleans, hé! Mede door de hogere studies die de meeste leden hadden aangevat viel de groep in de gegeven omstandigheden uiteen.
Marc zelf ging dus naar Sint-Lukas. Daar leerde hij de Ninoofse pianist Staf Demol kennen. Door bemiddeling van deze laatste geraakt Marc aan een “job” als pianist in een Antwerpse bar in de schaduw van de Onze Lieve Vrouwetoren. Daar wordt hijterzijde gestaan door een Gentse bassist, Ferry De Vos. Daar gaan ook zijn oren open voor dit instrument dat al te vaak – al was het maar door zijn nogal wulpse vrouwelijke vormen – veronachtzaamd wordt.
De Vos speelde in de stijl van Ray Brown, één van de vaders van de bebop die nog met John Coltrane, Charlie Parker, Miles Davis en vele andere groten heeft gespeeld. Deze stijl is ook Marc steeds bijgebleven. In 1965 kocht hij van Ferry voor tweeduizend frank een tweedehandsbas en hij gaat er ijverig mee te keer. Hij heeft zo'n natuurlijke aanleg voor dit instrument dat hij in 1966 reeds door Staf Demol wordt opgeëist om deze te begeleiden op Jazz Bilzen (samen met de Amerikaanse drummer Al Jones).
Dit tweede hoogtepunt in de muzikale loopbaan van Marc Van Garsse wordt echter opnieuw afgebroken door andere, maar niet minder ingrijpende bezigheden. Eerst moet hij onder de wapens en daarna onder de lakens, zou ik bijna zeggen, want in 1969 huwt Marc met Gaby en naar zijn eigen zeggen “doe je dan wat anders dan bas spelen”.
Mooie liedjes duren echter niet lang, zegt de volksmond, en in 1970 begint het bloed in de vingertoppen van Marc weer te kriebelen en hij kan het niet meer laten af en toe ook eens de dikke snaren van zijn contrabas te beroeren. In 1973 komt hij dan ook terug naar buiten: hij organiseert jamsessions, eerst in Sint-Niklaas, later in Sint-Pauwels (in de Rooman-molen).
In 1975 komt ook Staf Demol weer op de proppen. Ondertussen heeft Philip Venneman uit Zottegem plaats genomen aan de drums en er wordt dus met Marc een nieuw trio gevormd. Demol wordt echter dikwijls door beroepsbezigheden (architect) weerhouden en er wordt uitgekeken naar een beroepsmuzikant. Ze laten hun oog vallen op Tars Lootens, op dat moment pianist van Zjef Vanuytsel, maar hij had ook zijn sporen reeds verdiend in de jazzrock tijdens sessies met de Gentse formatie Kandahar.
Philip heeft zich ondertussen een saxofoon aangeschaft en wordt op dit instrument werkelijk een bolleboos, zodat het uitkijken wordt naar een nieuwe drummer. Tars brengt dan van bij Zjef Vanuytsel Jean-Luc Van Lommel uit Leuven mee (hij heeft ook nog bij Johan Verminnen gespeeld en wel in de tijd dat Raymond Van het Groenewoud daar nog pianist was en Frans Ieven bassist). Vanaf dat moment gaat het het kwartet optreden onder de benaming Jazz Circle.
Marc Van Garsse: “Circle betekent voor ons in de eerste plaats wat wij betrachten, homogeniteit, muzikaal contact onderling. En daarbij komt ook nog dat de naam ons niet bindt aan een vast aantal musici.”
En hoe ziet Marc zijn functie als bassist?
MVG: “Een bassist moet ritmische en harmonische steun geven aan de improvisaties. Hij moet trachten te dialogeren, aan te vullen, te inspireren, stuwkracht te geven. Maar in de jazz – in tegenstelling tot andere genres – beperkt de bassist zich niet tot die rol, hij geeft ook zelf solo's.”
Heeft hij er nog nooit aan gedacht basgitaar te spelen in plaats van zo'n omvangrijke stringbass?
MVG: “Ik héb een basgitaar, maar ik kan er niet op spelen. Misschien als ik de fretten zou wegnemen... Maar ik vind toch dat een contrabas meer warmte geeft, voller klinkt.”
Vroeger speelde hij ook nog bij de big band van Eddy House... (*)
MVG: “Nu niet meer, inderdaad. Alhoewel ik er veel geleerd heb, blijft in een big band de rol van de bas te veel beperkt tot begeleiden. Daarom geef ik de voorkeur aan combo's, daarin heb je meer conversatiemogelijkheid.”
Naast Jazz Circle speelde Marc toen immers nog vast in een ander combo, namelijk dat van de Waalse pianist Charles Loos (samen met drummer Robert Pernet). Terwijl hij ook geregeld als invaller bij andere groepen optreedt, zoals bij het Matthijs-De Caluwé-kwartet tijdens de Lokerse Feesten van 1979.
Een andere vast stek heeft Marc gevonden bij de Duits-Amerikaans-Belgische groep High Energy. Deze groep met verder nog de Duitse gitarist Jan Doveren en de drummer Vinny Johnson, is opgebouwd rond de Amerikaanse tenorsaxofonist Louis MacConnell. Daarbij komen dan nog de Amerikaanse sopraansax Jessie Bennett, de Duitse drummer Gerd Breuer, de Belgische pianist Michel Herr en de Duitse zangeres Monica Linges (**).
In de loop van het gesprek zijn naast Eddy Huys en Mark Matthijs nog talrijke namen van Wase jazzmuzikanten over de lippen gerold. Zo bijvoorbeeld die van de familie De Cock. En Buddy Heyninck. En er is François Maes, die op dat moment het beleg op zijn boterham verdiende bij Marva, maar die nog samen met o.a. Cel De Cauwer en Rudi Pincé het mooie weer heeft gemaakt bij Shampoo, de groep van Luk Smets. Cel heeft daarna trouwens ook nog bij het Hnita Kwintet gespeeld, dat net als Jazz Circle en een andere Vlaamse groep, Cameleon, op het jazzfestival van Laren tot de vijf laureaten behoorde. Hij is ook de leraar van Eddy Matthijs, de drummer van The Bluebirds Big Band.
Bijna alle voornoemde muzikanten zijn trouwens min of meer regelmatige gasten in de Rooman-molen. Marc Van Garsse beklemtoont het belang hiervan: “Je leert er enorm veel bij. Het is voor een jazzmuzikant niet voldoende dat je thuis op je eentje zit te studeren, je moet samen met anderen spelen. En voor wie het niet meteen aandurft met een groep naar buiten te treden, is zo'n jam session een ideale overgang.”
Toch klinkt enige bitterheid in Marcs stem door als ik stel dat het Waasland dus wel erg jazzminded is. Heeft hij het nog steeds niet verteerd dat zijn Manhattan Boys op de fles gingen toen ze van populaire deuntjes overschakelden naar jazz? Wordt hij als moderne jazzbassist door de liefhebbers van traditionele jazz met de nek aangekeken? Kent zijn schitterend initiatief in de Rooman-molen niet voldoende respons?
Feit is nochtans dat Marc op dat moment meer dan werk genoeg had. Daar hij jazz als een hobby blijft beschouwen, tracht hij het te beperken tot de avonden en de weekends. “Dat is het voordeel van een amateur,” zegt hij, “ik kan kieskeurig zijn en elke nieuwe ervaring is een verrijking.”
“Als het moet,” zegt hij nog, “als ik te veel aanbiedingen krijg, weiger ik er een paar. Maar niet als binnenhuisarchitect!” voegt hij er lachend aan toe.

Ronny De Schepper

(*) Eddy Huys is geboren in Sint-Niklaas n debuteerde net als zijn vader op klarinet (op zevenjarige leeftijd). Op zijn zestiende speelde hij al altsaxofoon bij Bob Pauwels en later bij André Coucke. Zijn big band bestond op het moment van het interview (1979) uit 21 musici, meestal uit BRT-orkesten van Francis Bay, Etienne Verschueren en Fernand Terby. Er zaten kleppers bij zoals trompettist Theo Mertens en zangeres Sofie Verbruggen. Ze speelden arrangementen van Count Basie, Stan Kenton, Thad Jones en Maynard Ferguson. Er zaten dus zowel jazzrock als funk als “symfonische” jazzinvloeden in.
(**) Zo heb ik het destijds (in 1979 dus) opgetekend, maar ondertussen vraag ik me af of het hier niet over Monica Stoces gaat, die ik later via Philippe Venneman heb leren kennen.

zaterdag 17 november 2007

Philippe Venneman

Op 8 mei 1993 kwam de Gentse saxofonist en drummer Philippe Venneman om het leven bij een auto-ongeluk. Hij was 46 (°Eeklo, 14/8/47) en keerde terug van een opendeurdag in zijn school in Merelbeke. Daar gaf hij echter turnen en géén muziek, zoals men wel eens zou kunnen denken. Muziek was eigenlijk een hobby voor hem, zij het dat "passie" (zeker als het jazz betreft) misschien een beter woord is.
Philippe Venneman: “Mijn vader was erg begaan met muziek. Toen ik zes jaar was, duwde hij me al een accordeon in mijn pollen. In het begin van de jaren zestig geraakte ik als tiener in de ban van de popmuziek en ik schakelde over naar de drums. In 1962 hadden we hier in Gent een nogal populair balorkest, The Ropes, waarin ook Roel Van Bambost zat. We speelden toen voornamelijk het Shadows-repertoire. Toen ik aan mijn eerste jaar farmacie begon aan de universiteit, kwam ik terecht bij het Universitair Jazzcombo, smaen met Rudy Blondeel en André Goudbeek. Drummen op de woensdagavond-repetities was plezanter dan scheikunde en dat werd dan ook meteen mijn laatste jaar farmacie. Met het jazzcombo gingen we naar het Internationaal Festival van San Sebastian spelen. Dat was een enorme stimulans om verder te doen. Het volgende jaar gingen we naar Bratislava. In 1972, nog steeds met het UJC, leerde ik Tars Lootens kennen. Dat was de periode van de Martiko en de Finkle's waar nogal wat jazzconcerten werden gegeven. Het klikte meteen.”
Het is ook als drummer dat ik voor het eerst van hem zou horen, namelijk als begeleider van Yvan Giulini op Omroep Oost-Vlaanderen.
Philippe Venneman: “Op dat moment was ik echter eigenlijk reeds overgeschakeld op saxofoon. Dat was gebeurd tijdens mijn legerdienst. Tars Lootens had ondertussen een eigen groep, Bunker, met o.a. Free Lenssens. Samen brachten we heel wat uren door, vanalles uitproberen, nummers van Toots instuderen... Tars heeft me echt gestimuleerd om een sax te kopen. We zaten toen allebei op kot in Gent en hadden geen bindingen. Ik zat dan ook dagelijks bij hem op kot om te oefenen. Op een gegeven moment vonden we dat we klaar waren om met een echte formatie te starten. Ik kende bassist Marc Van Garsse uit Sint-Niklaas en op het moment dat ik definitief op saxofoon overschakelde, namen we er Jean-Luc Van Lommel bij, die samen met Tars bij Zjef Vanuytsel speelde. En dat was dan de start van Jazz Circle.”
Karel Van Keymeulen noemt je “de Vlaamse Stan Getz”...
Philippe Venneman: “Dat is zeker een groot voorbeeld voor mij. Maar daarnaast ben ik ook een groot liefhebber van bop. Zeg maar: Sonny Rollins, John Coltrane, Charlie Parker... En via Tars leerde ik ook Weather Report, Larry Coryell, Chick Corea tot zelfs Gino Vanelli kennen en appreciëren.”
Terwijl Jazz Circle in 1980 in Knack reeds “één der beste groepen van Vlaanderen” wordt genoemd, zal het toch nog twee jaar duren vooraleer hun enige elpee “Sun Games” zal verschijnen op het Nederlandse Timeless-label.
Philippe Venneman: “Ik had al twee jaar eerder een plaat willen maken, maar Marc en Tars wilden wachten tot we echt een eigen gezicht hadden. Vroeger hadden we een meer klassiek repertoire, nu hebben we echt een eigen sound. Het is dus waarschijnlijk best dat we geduld geoefend hebben. We zijn ook erg tevreden met het resultaat. De opnames zijn erg goed. De studiotijd is wel wat uit de hand gelopen, maar het resultaat is er dan ook naar. Uiteindelijk heeft alles, mixing inbegrepen, een hele week in beslag genomen. Inclusief enkele nachtelijke sessies.. Er komen echt een paar verrassende effecten uit te voorschijn, o.a. wat enkele dubbings met saxen betreft.”
Zelf recenseerde ik de plaat als volgt in De Rode Vaan (maar wel onder de naam “Jan Segers” die ik normaal voor De Voorpost reserveerde):
“De langverwachte elpee 'Sun Games' van Jazz Circle werd in de Brusselse Ancienne Belgique voor een groot aantal belangstellenden voorgesteld. De hartverwarmende atmosfeer die het optreden uitstraalde, vinden wij ook in de groeven terug, al vanaf het eerste nummer, dat meteen de titel aan de elpee meegaf. Het is om zo te zeggen een kort leidmotief van de hand van Tars Lootens, die overigens tekent voor zeven van de negen nummers.
Dat zonnige vinden we ook terug in het meer uitgewerkte en moeilijkere 'Palestina'. Moeilijker omdat naast overduidelijke oosterse invloeden er een soort van tragische spanning onder de melodie voelbaar is. Die melodie wordt vooral gedragen door saxofonist Philippe Venneman, terwijl toetsenman Tars Lootens en bassist Marc Van Garsse voor een merkwaardige solo zorgen. Jean-Luc Van Lommel houdt met losjes-in-de-pols drums alles goed samen.
Zoals Walter Grootaers zijn 'Layla' heeft, zo heeft Tars zijn 'Nancy', vandaar wellicht dat haar dansje een zekere weemoed uitstraalt, alweer door een contrast tussen een vrij romantische piano en een zware bas.
Op 'Swimming Pool' krijgen we de 'oom' van de groep (want Juul Anthonissen is al peter), Toots Thielemans, aan het werk. Commentaar overbodig. Venneman dialogeert keurig met de Meester.
'Broken Circles' is een Willy Albimoor-compositie die in de lijn ligt van wat John Coltrane zoal doet, net zoals 'Love to Chick' de geest van Chick Corea wil oproepen. Ze slagen er quasi-moeiteloos in.
In 'Tarsicon' krijgen we dan het dubben van de saxofoon, waarover Philippe Venneman het had. Na de sobere intro met piano en bas heeft dit een vollere klank voor gevolg, terwijl ook hier weer Van Lommel opvalt met zijn onopvallend drumwerk.
Op de elpee roept Venneman via 'Lush life' van Billy Strayhorn vooral zijn grote idool Stan Getz op, terwijl in de Ancienne Belgique de uitvoering van Toots Thielemans meer het intimistische karakter van Duke Ellington beklemtoonde. Dit laatste ligt mij beter, mar dankzij het sfeervolle begeleidingswerk van Lootens en de feilloze solo van Venneman is dit naast 'Swimming Pool' één van de hoogtepunten van de elpee.
Deze wordt overigens afgesloten met het prettig swingende 'Monkey', waarin de vier groepsleden nog eens hun talent mogen ten toon spreiden.
Helaas zijn dergelijke platen niet voor een groot publiek bestemd, maar de liefhebbers hebben hieraan zeker een kluif.”
In het interview pikte Philippe op deze laatste opmerking in: “Wij werken nooit naar een bepaald publiek toe. Natuurlijk zouden we graag een greder publiek bereiken. We krijgen trouwens geregeld goede reacties van mensen die helemaal niet jazz-minded zijn. Er wordt echter nooit bewust geprobeerd een nummer te maken voor dit op dat publiek. Al zitten er in ons repertoire wel wat melodieuze nummers die ook gesmaakt zouden kunnen worden door wat men dan noemt 'het grote publiek'. Maar Jazz Circle blijft in de eerste plaats een uiting van emoties. Kijk, wij zijn meer dan zo maar vier muzikanten die samen spelen. Er is een soort van vriendschapsband gegroeid. Wij voelen na al die jaren elkaar goed aan, ook op persoonlijk vlak. Misschien primeert dat persoonlijke contact zelfs op de muziek en is de muziek dan de artistieke uiting van die persoonlijke band. En daarna ontstaat dat soort contact tussen de groepsleden onderling ook met het publiek. Dat voel je goed aan. Tars brengt tegenwoordig de meeste thema's aan en houdt zich intensief bezig met de arrangementen. Maar het resultaat blijft wel groepswerk. Er kunnen wel 'free' elementen in de nummers voorkomen, maar egotripperij komt er niet bij te pas. Een groter publiek bereiken is een stimulans, maar in de eerste plaats proberen we gewoon goede muziek te maken, die àf is, zonder daar per se etiketten op te plakken. Alles blijft mogelijk binnen Jazz Circle. Voor mijn part zelfs vocaal werk, mochten we ooit een competent iemand kunnen aantrekken (*). Onze muzikale richting groeit vanzelf.”
Het was na de voorstelling van “Sun Games” in de Brusselse Ancienne Belgique dat ik Philippe heb leren kennen. Hij voerde me toen naar huis en wist me te vertellen dat hij op scheiden stond. Op dat moment speelde hij ook in "Playmate" in Teater Arena. Toen hij later effectief gescheiden was, is hij me nog een aantal keren komen opzoeken. Vaak met zijn "drentelkes", zoals mijn kinderen zijn twee dochters noemden (samen moeten we nog ergens op een video-opname van Bellewaerde staan), wat niet echt een succes was, zodat we uit elkaar groeiden. Toen Philippe een verhouding begon met Nel Vermeersch uit het appartement onder mij, zijn we opnieuw met elkaar in contact gekomen.
Philippe zijn groot idool was dus Stan Getz, die op 7 juni 1991 overleed. Op het North Sea Jazz Festival '91 heeft Philippe dan ook meegespeeld in een "tribute" samen met mensen die langere of kortere tijd met Stan Getz hebben samengespeeld, zoals gitarist Herb Ellis, pianiste Joanne Brackeen en drummer Billy Hart.
Een paar jaar eerder ben ikzelf met Philippe naar dat festival geweest, waar we uiteraard Juul Anthonissen tegenkwamen (die, alhoewel het hem nu niet meer is aan te zien, ooit nog wielrenner is geweest!). Hoe dan ook, Jaco Pastorius, die een paar jaar later werd vermoord, speelde toen zo hard dat zowel Juul als ik... in slaap vielen. Of bewusteloos, misschien is dat een betere term. Dat klinkt vreemd, maar dat kàn gebeuren bij te luide muziek. Het voorval is een beetje te vergelijken met het incident in Vorst-Nationaal toen een bodyguard van The Kinks me op een wenk van Dave Davies tot wat meer "enthousiasme" kwam aanporren.
Daarna verzorgde Philippe de programmatie in "The Duke", het jazzcafé van ex-bokser Daniël Dujardyn. Vlak voor zijn dood had hij een nieuw kwartet opgericht met naast ouwe gabber Erik Vermeulen op piano ook Felix Simtaine op drums en Sal Larocca op bas. Deze laatste heeft nog met Chet Baker gespeeld. Philippe was ook lesgever saxofoon aan het Gentse conservatorium.
Alhoewel ik Philippe immens bewonderde als saxofonist (ongeveer in dezelfde mate als hijzelf Stan Getz bewonderde), was het voor mij op de eerste plaats toch een vriend die stierf. En daarom ergert het mij mateloos dat je nu nog nauwelijks over Philippe hoort praten. Onmiddellijk na zijn dood vertelde men mij dat er een compilatie-CD van BRT-opnamen van Philippe in de maak zou zijn. Nooit verschenen, bij mijn weten. En toen hij in 2003 tien jaar overleden was, heeft er zelfs geen herdenkingsconcert plaats gevonden. Hopelijk kan dit onrecht in 2008 worden rechtgezet.
Misschien kan het tribute-concert dat op 23 juni 1993 in The Duke werd gegeven, nog eens worden overgedaan. Alhoewel, er was toen wel veel volk, te veel zelfs, maar weinig bekenden. Ik vroeg me zelfs af of iedereen wel voor Philippe was gekomen. Sommigen kletsten alvast lustig door terwijl de uitbater enige woorden ter zijner nagedachtenis uitsprak. Collega's muzikanten waren er wel: Dré Pallemaerts, Charles Loos en vooral de drie resterende leden van Jazz Circle, die een navrante versie van Philippes lievelingstune "Lush life" neerzetten (navrant omdat de afwezigheid van de sax zo opvallend was). Tars Lootens, die orgel had gespeeld op de begrafenisplechtigheid van Philippe, deelde me toen mee dat de lange verwachte CD van Jazz Circle uiteindelijk verschenen was, amper een paar dagen na het overlijden van Philippe, hij was zelfs nog niet eens begraven!
De enige die af en toe toch nog eens Philippe laat weerklinken is inderdaad Tars Lootens. Tars brengt b.v. een “tribute” aan Philippe op zijn “Tarsando ma non troppo”-CD, namelijk “The spring of ‘93” (een allusie op “The summer of ‘42”, Philippes lievelingsnummer) met daarin een solo van Philippe verwerkt.

Ronny DE SCHEPPER

(*) Dacht Philippe hier reeds aan Monica Stoices, die ik via hem heb leren kennen?

Discografie
Jazz Circle, Sun games, Timeless Records SJP 167.
Tars Lootens, Tarsando ma non troppo, Davidsfonds/Eufoda.

Bibliografie
Patrick Cohen, Solo's spelen van Coltrane is goed thuis, maar niet op een podium, Metro 27/1/1983.
Ronny De Schepper, Jazz Circle: nu of nooit?, De Rode Vaan nr.33 van 1982.
Jan Segers, De Voorpost goes jazzy, De Voorpost 14/9/1979.
Jan Segers, Jazz Circle, De Rode Vaan nr.49 van 1982.
J.V., Wetterse bigband-jazz, Knack 27/8/1980.