"Thank heaven for little girls,
for little girls get bigger every day.
Thank heaven for little girls,
thank heaven for them all,
no matter where, no matter who,
without them what would little boys do?"
Aldus Maurice Chevalier ter ere van Leslie Caron in "Gigi" van Vincente Minnelli uit 1958. Ik vond dat toen al een lied dat gemakkelijk tot misverstanden aanleiding kon geven en toen het in 1994 werd nagebootst door Gerard Depardieu in de enige leuke passage uit "My father the hero" werd dit inderdaad duidelijk in de verf gezet. Gelukkig kwam de film echter een paar jaar vóór de zaak Dutroux uit, want dan zou men deze passage allicht minder "leuk" hebben gevonden.
J'AIME LES FILLES
Gerard Depardieu was (op basis van deze film?) ook de eerste keuze van Adrian Lyne voor zijn remake van "Lolita" naar het gelijknamige boek van Vladimir Nabokov. Uiteindelijk werd het Jeremy Irons die met de 14-jarige Dominique Swain mocht/moest stoeien. Zij werd voor een aantal scènes wel door een stand-in vervangen, maar dat belette niet dat de film in de VS de gevestigde bioscoopzalen niet kon halen.
Lyne heeft immers meer dan dertig jaar na Kubrick een iets meer "gekruide" versie gedraaid, maar dat was ook niet moeilijk want Kubricks film was "ijskoud" ("If I realised how severe the limitations were going to be, I probably wouldn't have made the film," verklaarde hij achteraf). Met andere woorden, denk maar niet dat u veel van het lijf van zelfs de stand-in te zien krijgt. Het blijft bij suggestie. Al wordt er nu wel degelijk seks gesuggereerd (zelfs in diverse standjes), terwijl die in het boek en in de film van Kubrick bijna afwezig is.
Anderzijds wordt Lolita ook als een onuitstaanbaar Amerikaans joch afgeschilderd, wat alle erotische aantrekkingskracht vakkundig weghaalt als men niet totaal geschift is. Toch is dit niet voldoende voor de kruisvaarders. Zelfs actrice Sue Lyon (de originele Lolita) heeft zich aan hun kant geschaard. Haar Hollywood-leven van seks, drugs en echtscheidingen wijt ze immers aan haar optreden in deze film. Ja, het is soms moeilijk in de spiegel te kijken en de waarheid onder ogen te zien...
Het scenario werd geschreven door Stephen Schiff van The New Yorker (bij Kubrick gebeurde dit nog door Nabokov zelf), nadat scripts van bekende schrijvers (o.a. Harold Pinter) werden geweigerd. Ook dat van David Mamet. "Wat scheelt eraan?" vroeg Mamet aan producer Richard Zanuck. "You made the guy look like a paedophile!" was het verrassende antwoord en eigenlijk wordt dit bijgetreden door vertolker Jeremy Irons, die zegt: "I understand that paedophiles in the main believe that the children want it. But Humbert knows that he's ruining her childhood." (Time Out, 22/4/1998)
Enfin, helemaal verrassend waren deze reacties toch niet, zeker als men rekening houdt met het ophef dat het maakte toen Dutroux op 23 april 1998 (even) ontsnapte en men na het bericht hierover, puur toevallig nemen we aan, "J'aime les filles" van Jacques Dutroux, pardon Dutronc, speelde.
Nog een voorbeeld: in de jaren zeventig sierden foto's van David Hamilton menige meisjeskamer (de jongens bekéken de foto's wel om zich af te rukken, maar aan de muur hangen was niet stoer genoeg). In 1998 echter moest zijn Amerikaanse uitgever Barnes & Noble zich voor de rechtbank verantwoorden omwille van het verspreiden van kinderporno!
In dat licht moet men ook de reactie van Herman De Coninck zien, die in De Morgen van 10/4/1997 beschrijft hoe hij de film "Exotica" (ook uit 1994) pas na de zaak Dutroux op televisie en "dus" met andere ogen heeft gezien: "Het zal wel een teken des tijds zijn dat je aanvankelijk naar Francis (het hoofdpersonage) kijkt als een pedofiel, hij ziet er van meet af aan gekweld uit, heeft iets met zijn nieuwe babysit, heeft iets met zijn oude babysit. Vervolgens blijkt zijn dochter vermoord, maar wie heeft het gedaan? Het ontroerende van deze film is juist dat deze kijk wordt afgestraft. Francis is gewoon een vader die van zijn dochter houdt en bij uitbreiding van jonge meisjes die hem aan zijn dochter herinneren. Die aandacht voor hen heeft omdat ze jong en kwetsbaar zijn, niet omdat hij ze wil kwetsen. Die tijd voor hen uittrekt, volwassen met hen praat, nooit een vinger naar hen uit zou steken. Het doet deugd om in dit Dutroux-tijdperk nog eens gedurende zo'n film van jonge meisjes te mogen houden. Van onschuld, in dit stripteasebestaan."
Onschuld, jawel, dat beweert ook Sally Mann te zoeken in de foto's van haar kinderen en andere ontluikende meisjes. Mooie foto's ook. Maar toch kan je je afvragen of het enkel omwille van die schoonheid is dat haar tentoonstelling in het Museum voor de Fotografie in Antwerpen zo'n succes had. Maar tegelijk is het ook toch geruststellend in deze post-Dutroux-tijden dat het opnieuw kàn, dat de Alexandra Coolens dezer aard hun slag niet hebben thuisgehaald. Enfin, toen toch, want nu wordt in datzelfde museum Boontjes “Fenomenale Feminatheek” wél verboden.
Nog in Antwerpen werd een man een maand in voorhechtenis genomen... omdat hij foto's had gemaakt van zijn naakt dochtertje, spelend op het strand of in het bad. De man was weliswaar gescheiden, maar zijn ex-vrouw (en het dochtertje zelf) bevestigden dat het gewone familiekiekjes betrof, die niets met pornografie vandoen hadden. Uiteindelijk werd hij tot twee jaar voorwaardelijk veroordeeld! Deze heksenjacht had natuurlijk alles te maken de moord door de bende van Marc Dutroux op Julie, Mélissa en andere kinderen die eerst seksueel werden misbruikt.
Karin Spaink in Het Parool van 16 december 1996: "Vanwege de commotie die de laatste maanden in het voetspoor van Dutroux is ontstaan over kinderporno en kindermisbruik, is pedofilie een nog heikeler onderwerp geworden dan het al was. En het was al nooit eenvoudig. Eén van de lastige punten is dat kindermisbruik en pedofilie momenteel simpelweg ineen geschoven lijken te worden, als waren dat twee aspecten van dezelfde zaak: alsof pedofielen kinderen altijd misbruiken, en alsof al het kindermisbruik, tout court, op rekening van pedofielen kan worden gezet. Maar dat is niet zo, en Dutroux zelf is daar een pijnlijk voorbeeld van: niemand heeft ooit het vermoeden geuit dat de man in het bijzonder ingenomen was met kinderen of jonge meisjes en zelf pedofiel zou zijn; het was naar het zich laat aanzien eerder zijn zakelijk instinct dat hem dreef, zijn vermoeden dat er geld te verdienen was aan het verkopen of verhuren van kinderlichamen of van video's waarop jonge meisjes werden verkracht.”
En psycholoog Peter Queeckers verklaarde in De Standaard van 21/3/1998 dat hij het een slecht idee vindt om kinderporno te verbieden. "Want dat kan voor sommige mensen juist een alternatief zijn voor daadwerkelijk seksuele betrekkingen met kinderen. En ja, natuurlijk moet je dan gebruik maken van de nieuwste mediatechnieken. Zolang die films een simulatie blijven, en er geen echte kinderen voor gebruikt worden, heb ik daar geen problemen mee."
Meer zelfs, die "simulatie" is een essentieel onderdeel van het Lolita-syndroom dat we hier willen beschrijven. Het gaat hier immers niet over pedofielen as such, maar over volwassen meisjes die er echter freel, breekbaar, "jong" uitzien. Een duidelijk voorbeeld hiervan is b.v. de violiste Vanessa Mae, die trouwens een tijdlang als "rock-Lolita" werd "verkocht". Maar aangezien Vanessa Mae een soort van wonderkind is, bestaan er ook opnames van haar als ze nog écht kind is. Wie dààrvan warm loopt, die mag zich met recht en rede pedofiel noemen, maar wij hebben het dus over die "andere" Vanessa/Lolita.
THE CRUSH
Als reclame voor de erotische thriller "The Crush" van debutant Alan Shapiro, verspreidde men een foto die een overduidelijke referentie wilde zijn aan de beroemde foto van Sue Lyon in badpak op het gazon van haar moeders huis in "Lolita" van Stanley Kubrick), terwijl James Mason als mogelijke huurder kwijlend toekijkt: een nymfolepticus en een nymfijn ("nymphette", zoals Nabokov het zelf schrijft, wat o.m. aanleiding heeft gegeven tot een gelijknamige pornofilmreeks van de Amerikaan Jerome Tanner). Stanley Kubrick draaide z'n film in 1962 in Engeland (om de Amerikaanse censuur te ontwijken), zeven jaar nadat de naar Amerika uitgeweken Russische professor Vladimir Nabokov (1899-1977) het boek had gepubliceerd, waarop de film is gebaseerd. Want dààr gaat het dus over: de verliefdheid van een oudere man (Humbert Humbert) voor een meisje in haar prepuberteit.
En dus niet omgekeerd, zoals zowel in "The Crush" als in "La petite sirène", "La petite allumeuse" als "Noce blanche", waarin Vanessa Paradis inderdààd haar leraar Bruno Cremer verleidt. De regisseur van “Noce blanche”, Jean-Claude Brisseau (°1944) werd in februari 2005 beschuldigd van seksuele aanranding omdat hij vijftien vrouwen tijdens een casting had gefilmd terwijl ze masturbeerden. Hij beweerde dat hij “de elegantie van vrouwelijk genot” in beeld wilde brengen, maar het is nog maar de vraag of het Franse gerecht er ook zo over denkt. Het voornaamste is echter dat de moeder van Vanessa Paradis op dat moment bevestigde dat hij haar dochter ook “gelijkaardige ongehoorde voorstellen” had gedaan. Merkwaardig is wel dat moeder Paradis daarvan destijds niets had gezegd en dat de film er wel degelijk is gekomen. Nu Vanessa Paradis een volwassen carrière heeft uitgebouwd, kan het blijkbaar geen kwaad meer om dit uit te brengen…
Maar waarom noemde Nabokov zijn jeugdige heldin nu juist "Lolita"? Dat zou kunnen te maken hebben met niemand minder dan... Charlie Chaplin. In 1924 huwde hij op 35-jarige leeftijd immers met de 16-jarige (Lo)Lita Grey, die hij zwanger had gemaakt. Hij was uiteraard trouwens niet de eerste. In 1920 pleegt in Parijs (de stad der zonde) Olive Thomas uit de Ziegfeld Follies zelfmoord door gif in te nemen. Zij was pas getrouwd met Jack Pickford, de broer van Mary en zelf een filmvedette. Ze werden afgeschilderd als "het ideale koppel", maar in werkelijkheid was Jack een heroïneverslaafde en moest Olive alles doen om aan spul te geraken. Wat haar uiteindelijk te veel werd. Olive was vooral bekend geworden als één van de eerste Lolita's. Als zestienjarige had ze op bijna alle covers gestaan en had ze reeds naakt geposeerd voor kunstenaar Alberto Vargas.
Hoewel Humbert Humbert inderdaad "schuldig" is, is het omgekeerde (b.v. in "The Crush") vaak erg moeilijk te bewijzen. Van zodra een kind zich nog maar iets laat ontvallen dat als bezwaarlijk zou kunnen worden ervaren, valt er bijna niet aan te ontkomen (behalve als je Michael Jackson heet), een thema dat o.a. André Cayatte reeds behandelde in "Les risques du métier" met Jacques Brel en dat in 1961 reeds aan bod kwam in "The children's hour" van William Wyler, al ging het hier over een (voorgewende) lesbische verhouding tussen een lerares (Shirley MacLaine) en haar leerlingen. Iets wat we ook kennen uit "Cours privé" (1986) van Pierre Granier-Deferre met de prachtige Elisabeth Bourgine, die door schooldirecteur Michel Aumont daarmee wordt gechanteerd. Als zij zich uiteindelijk heel cru aan hem aanbiedt, kan hij deze nederlaag niet aan en pleegt zelfmoord (alhoewel...), maar ook bij de oprecht bezorgde collega Xavier Deluc kan ze met haar gestoorde seksualiteit niet terecht.
Uiteindelijk gaat ze dan maar met een raadselachtige, maar schijnbaar gelukzalige, glimlach naar een nieuwe meisjesschool. Daar zou ze dan Koo Stark kunnen aantreffen, die later het lief zou worden van prins Andrew, want die speelt in "Adolescentes", een Spaanse film uit 1975, een schoolmeisje dat niet alleen avontuurtjes heeft met vriendinnetjes, maar zowaar in een pornonetwerk terechtkomt. Meer zelfs, zij slaagt erin één van de bendeleden te "bekeren" en hem een deugdzaam leven te laten leiden. Alhoewel Stark door haar avontuurtje met Andrew steevast als “porno-actrice” werd voorgesteld, moet je je van deze film, die zelfs al op VTM te zien was, niet te veel voor te stellen.
Regisseur Alan Shapiro beweert overigens ook dat "The Crush" hem min of meer echt is overkomen, maar het lijkt eerder een echo te zijn van de zogenaamde "Long Island Lolita"-story, d.i. de moordpoging van het 15-jarige schoolmeisje Amy Fisher op Mary Jo Buttafuoco, de echtgenote van een 38-jarige winkelier die een klant was van de zich prostituerende Amy en waarvoor ze een "crush" had. Dit verhaal werd in 1993 voor televisie verfilmd door John Herzfeld met Jack Scalia als een deugdzame Joey Buttafuoco (het prostitutiegedeelte werd weekendfilm zijnde plichtsgetrouw weggelaten) en Alyssa Milano als een duivelse Amy Fisher. Daartegen kwam nog hetzelfde jaar reactie vanwege Andy Tennant die op zijn beurt "The Amy Fisher Story" verfilmde, waarin vooral de nadruk wordt gelegd op de media-drukte, waarvan "die arme Amy" (op de koop toe vertolkt door het schaap dat terugkeerde naar de Hollywood-stal, Drew Barrymore) uiteindelijk het slachtoffer is. Dat wil anderzijds niet zeggen dat Fisher als een totaal geschifte, onuitstaanbare tiener wordt afgebeeld (onnodig te zeggen dat dit Barrymore op het lijf geschreven is). Uit het postscriptum leren we ook dat de rechtbank uiteindelijk de versie van Buttafuoco aanvaardde, die beweerde nooit op de avances van Fisher te zijn ingegaan. Ook zijn vrouw heeft deze versie steeds verdedigd. Toch is zij tijdens de gevangenschap van Fisher (1992-1999) met haar beginnen corresponderen en heeft ze haar naar verluidt "vergeven".
In "The Crush" speelt Cary Elwes een journalist Nick Eliot, die het huis huurt in de tuin waarin de 14-jarige Darian Forrester (Alicia Silverstone) ligt te zonnen. Alleen, hem is het wel degelijk om het huis te doen en als integendeel het meisje een "crush" voor hem heeft en hij er niet aan toegeeft, bezorgt ze hem heel wat narigheid...
Hoe moet je "crush" vertalen? Mijn woordenboek zegt: "verplettering, schok, gedrang, grote avondpartij", maar dat is een Kramers, dus die kraamt er zomaar wat uit, daar zullen we niet ver mee komen. Maar hoe dan wel? Een "boontje"? Dat is veel te zwak uitgedrukt. Een "grote boon"? Zelfs dat is nog te zwak, want het is eigenlijk een verliefdheid die zo hebberig wordt dat als ze wordt afgewezen in haat omslaat. "Bezetenheid" is dan ook misschien nog het beste woord, want daarin zit zowel het obsessionele als het bezwerende.
LA PETITE SIRENE
Men heeft "The Crush" dan ook omschreven als een combinatie van "Lolita" en "Fatal attraction", maar het is wel merkwaardig dat nog niemand, wat die "bezetenheid" betreft, heeft gewezen op de overeenkomst met de Franse film, "La Petite Sirène" van Roger Andrieux uit 1980, zeker in een tijd dat Hollywood zich onledig houdt met het "aanpassen" van Franse films, zoals "Three men and a baby", "The woman in red", "Intersection", "Sommersby"...
In "La Petite Sirène" (een uitstekende titel overigens) speelt Philippe Leotard de veertigjarige garagist Georges, die na een scheiding op het punt staat met Nelly (Evelyne Dress) een nieuw leven te beginnen. De veertienjarige Isabelle (Laura Alexis) beslist daar echter anders over door op hem verliefd te worden. Door haar opdringerigheid verwijdert ze Georges van zijn vriend(inn)en en op de duur slaagt ze erin met een smoes bij hem in te trekken. Haar moeder (gespeeld door Marie Dubois) weet echter van niks en denkt dat ze ontvoerd is. Om erger te voorkomen zet Georges, die ondertussen zelf verliefd is geworden, haar uit het huis...
Ik zeg niet dat de maker van "The Crush" plagiaat heeft gepleegd, want het onderwerp is natuurlijk reeds vaker aangepakt. Neem nu "La petite allumeuse" uit 1987 van Danièle Dubroix, waarin de jonge Camille (Alice Papierski) erin slaagt Jean-Louis (Pierre Arditi), een vriend van haar vader (en als dusdanig de veertig reeds gepasseerd), te verleiden en hem op die manier in haar macht te krijgen. Hier loopt het dan weer slecht af wanneer Camille daarna verliefd wordt op een jonge drugsdealer...
Het verschil tussen "La petite allumeuse" en "La petite sirène" is dat de eerste film niet "leuk" is en de tweede wél. Nemen we nog maar de openingsscène: Isabelle loopt met haar (reeds meer "gevormd") nichtje Véronique over straat en deze wordt door Georges nagefloten. Véronique laat het er niet bij en gaat hem de huid volschelden. "Ja maar," liegt Georges, "ik floot eigenlijk naar je vriendin." Waarop Véronique geërgerd tegen Isabelle: "Eh bien, dis quelquechose!" En zij: "Merci, monsieur!"
Alhoewel Isabelle wel degelijk het "duivelse" karakter van een echte Lolita heeft (denk maar aan de scène in het dure restaurant), toch heeft ze - naar analogie met het sprookje van Andersen, waarnaar de titel verwijst - ook iets onderworpens. Ze zegt het op een bepaald moment ook zelf bij een van haar "bezweringen": "Je serai complètement soumise". Hier lijkt ze trouwens wel een echo van het zusje van Jacqueline in "Histoire d'O".
Roger Andrieux heeft zelf het scenario geschreven voor zijn film, maar heeft dit wel gebaseerd op het boek "Les petites sirènes" (let op het meervoud) van Yves Dangerfield. Het loopt allemaal niet zo tragisch af als in "The Crush", maar toch komt het meisje op het einde ook in een kliniek terecht, maakt ze het Nelly, het liefje van Georges, het leven net zo onmogelijk als Darian dat bij Amy doet en, vooral, is er de merkwaardige passage met de bezwering met kaarsen, die bijna letterlijk is overgenomen in "The Crush".
Het verschil is dat Leotard uiteindelijk dus ook op haar verliefd wordt, wat misschien ook met het onderscheid in leeftijd heeft te maken. Cary Elwes speelt iemand van 28, maar ziet er veel jonger uit. Bovendien ziet Alicia Silverstone er dan weer veel ouder uit dan 14, zodat men eigenlijk nauwelijks een leeftijdsverschil merkt. Op die manier gaat de referentie aan "Lolita" wel voor een groot deel verloren! Want laten we wel wezen, het is niet voldoende van een verhouding met een minderjarige te hebben om van een Lolita-verhaal te kunnen spreken. Zo is "Verbotene Liebe" van Helmut Dziuba (zowaar nog in 1989, vlak voor de val van de muur, in de DDR gedraaid!) dat niet, omdat Barbara (Julia Brendler) weliswaar slechts 13 jaar is, maar haar minnaar, buurjongen Georg (Hans-Peter Dahm) is zelf ook slechts 18. Hij is natuurlijk juridisch wel strafbaar, maar omdat het duidelijk is dat zij echt van mekaar houden, spreekt de volksrechtbank hen uiteindelijk vrij.
Maar goed, een ander verschil tussen de twee genoemde films is dat Isabelle uit een "gebroken gezin" komt i.p.v. het Amerikaanse modelgezinnetje van Darian, zij het dat de afwezigheid van de vader voor Isabelle eigenlijk géén probleem is.
Een overeenkomst is dan weer dat in "La petite sirène" er een parallel wordt getrokken met de film "Adèle H.", waarin Isabelle Adjani een obsessionele "crush" heeft op een légionnaire, terwijl in "The Crush" er een referentie komt aan "Wuthering heights" waarin Catherine Earnshaw zelfs als ze dood is nog macht heeft over haar minnaar Heathcliff.
Maar terug naar "The Crush". Wie de film heeft gezien, zal zelf kunnen vaststellen op welke punten Darian overeenkomt met de typering van de "nymfijn". Zélf vinden we dat ze nog het beste aan deze "demonische" typering beantwoordt, als ze een duivels lachje produceert wanneer ze zich ontkleedt, terwijl ze wel weet dat Nick haar in de kast zit te begluren.
Bij Kubrick was actrice Sue Lyon 13 jaar oud, wat juist één jaar ouder was dan de Lolita uit het boek. Humbert Humbert was er overigens 37, om maar te zeggen hoeveel dichter "La petite sirène" tegen het origineel aanzit. Opmerkelijk is trouwens dat Errol Flynn zichzelf oorspronkelijk als hoofdvertolker had aangeboden, op voorwaarde dat zijn (erg jonge) vriendin Beverly Aadland de rol van Lolita zou mogen spelen. Maar dat vond zelfs Kubrick toch iets te verregaand.
Toch mag men zeggen dat de verontwaardiging vaak hypocriet is. In de filmgeschiedenis kennen we b.v. het “geval” van Judy Garland, waarbij men voor "The wizard of Oz" haar borsten inbond om haar nog "jonger" te doen lijken. Hoezeer de tijden, maar niet de zeden veranderen, bleek meer dan een halve eeuw later toen de borsten van Lindsay Lohan in de Disney-film “Herbie fully loaded” (2005) met de computer werden “ingekrompen”.
Het is echter wel precies het omgekeerde als bij Elizabeth Taylor die volgens de producers te jong bevonden werd om na "Lassie" ook de hoofdrol te vertolken in "National Velvet". "Maak u maar geen zorgen. U krijgt uw borsten," sprak ze tot de filmbonzen en negentig dagen later kwam ze terug met een B-cup. Hoe ze het geflikt had? Een nepcrème "om borsten sneller te doen groeien", spierversterkende oefeningen en een vetrijk dieet.
Een bepaald soort pers speelt bovendien maar al te gretig in op de belangstelling voor jonge meisjes en dat kan dan zowel gaan van prinses Caroline destijds tot het jonge turnstertje Nadia Comaneci. Om nog te zwijgen van de periode toen tegelijk met het succes van "Like a virgin" het playback- en soundmix-circuit furore maakte, en er vele kinderen (dus zelfs niet eens Lolita's!) Madonna haar als model uitkozen. Zo kregen we bijna ziekelijke imitaties te zien door jonge veulentjes, die in hun seksuele uitdagendheid wellicht zelfs niet eens wisten hoezeer ze met vuur speelden. Afgaande op ervaringen in de zaal vermoed ik zelfs dat het eigenlijk de ouders waren (en dan nog vooral de moeders die er zelf ooit van gedroomd hadden "een vedette" te worden) die hen daartoe aanzetten!
BABY DOLL
Meer dan vijf jaar vóór de film van Kubrick, maar een jaar na het verschijnen van het boek "Lolita", was er reeds de film "Baby Doll" van Elia Kazan geweest naar het toneelstuk van Tennessee Williams. De 40-jarige Archie Lee (Karl Malden) bewoont zijn katoenplantage samen met zijn Tante Rose (Mildred Dunnock) en zijn zeer jonge vrouw Baby Doll (Carroll Baker). Eigenlijk is het een typische zuiderse "child bride" (tot mijn verbazing is zelfs Eula Varner uit "The long hot summer" in de originele novelle "The hamlet" ook nog een puber), maar om problemen te vermijden had Kazan haar leeftijd zo maar eventjes met tien jaar verhoogd.
Door huwelijksmoeilijkheden verwaarloost Lee zijn zaken en een concurrent, Silva Vaccaro (Eli Wallach), neemt hem al zijn klanten af. Hun inboedel wordt bedreigd met faillissement. Op een dag staat het huis van Vaccaro in brand. Die verdenkt zijn ongelukkige concurrent Archie ervan de schuldige van de brand te zijn en neemt wraak door Baby Doll te verkrachten. Maar deze verkiest juist de viriele Vaccaro boven de onzekere Archie.
De foto van Carroll Baker die in een nachtkleedje (wat later een "baby doll" zal worden genoemd) op haar duim ligt te zuigen, werd terecht beroemd, want het was duidelijk waarvoor die duim symbool stond. Baby Doll was immers typisch zo'n kindvrouwtje (prachtig lichaam maar geestelijk nog kind), zoals later door Laura Dern in "Wild at heart" en "Ramblin' Rose" en door Juliette Lewis in "Kalifornia" zal worden uitgebeeld.
Om het verschil tussen een échte Lolita en zo'n kindvrouwtje duidelijk te maken, vergelijk je overigens het beste deze laatste met haar rol in "Cape Fear" van Martin Scorsese, waarin ze nog wél een kind is (herinner u de prachtige verleidingsscène door de duivelse Robert de Niro). Eigenlijk is een kindvrouwtje dus het omgekeerde van een Lolita (zeker van de hoogbegaafde Darian), daar is het immers meer het verstand en/of de perversiteit die op de leeftijd (het lichaam) vooruit is.
Toch is het niet helemaal toevallig dat alle geciteerde films zich in het zuiden van de Verenigde Staten afspelen, waar men wel heel vroeg mag trouwen (denk aan het schandaal dat er ontstaat als Jerry Lee Lewis met zijn 13-jarig nichtje als kersverse bruid in Engeland aankomt, zoals te zien in de film "Great balls of fire"; in de rockwereld deelt Lewis zijn belangstelling voor Lolita's trouwens met Chuck Berry en met ex-Rolling Stone Bill Wyman). Ook het klimaat moet er trouwens een rol in spelen, want zou het anders toeval zijn dat "L'été meurtrier" (1983) van Jean Becker met het kindvrouwtje Isabelle Adjani zich in het zuiden van Frankrijk afspeelt?
Een ander voorbeeld zou Mireille Darc kunnen zijn die in 1966 haar prille borstjes toont in "La grande sauterelle" (Georges Lautner) of Mimsi Farmer in 1972 in "La route de Salina" van dezelfde regisseur. Maar volgens sommigen is het "prototype" van het kindvrouwtje niemand minder dan Brigitte Bardot.
Als voorbeeld haalt men dan "En effeuillant la Marguerite" aan van Marc Allegret uit 1956 (dus nog een jaar eerder dan "Et Dieu créa la femme"!). B.B. speelt daarin Agnès, de dochter van generaal Dumont (Jacques Dumesnil), die een scabreuze roman heeft geschreven. Ze wordt daarom door hem op kostschool gestuurd, maar ze is hem te slim af en verdwijnt naar Parijs (de Hoofdstad der Zonde uiteraard), waar ze niet één, maar twéé journalisten (de prototypes van de Zondaars) ontmoet: Daniel Roy (Daniel Gélin) en Roger Vital (Robert Hirsch). Ze vindt een onderdak bij haar broer (Darry Cowl) die naar eigen zeggen een speciaal hotel uitbaat, maar in werkelijkheid gaat het om het Balzac-museum, waar hij gewoon oppasser is.
Onwetend hierover verkoopt Agnès uit geldnood een boek uit het museum, dat ze daarna gedwongen wordt terug te kopen door de conservator. Om daarvoor aan het geld te geraken doet ze mee aan een striptease-wedstrijd, die ze wint. Uiteindelijk is het echter haar uitgever die haar geld zal voorschieten, zodat ze terug naar Vichy kan, waar ze "de liefde vindt". Wellicht met één van die journalisten, want anders weet ik niet wat die er eigenlijk bij komen doen...
Een veel beter voorbeeld is het latere "L'ours et la poupée" van Michel Deville, een film zowaar uit 1970, waarin ze toch niet meer voor een jong doetje kan doorgaan. Het enige opmerkelijke aan "En effeuillant la marguerite" is dan ook dat Roger Vadim heeft meegeschreven aan het scenario en dat is iemand die we wel meer tegenkomen, als we het over Lolita's hebben.
CHARLOTTE FOR EVER
Dat geldt echter nog méér voor Serge Gainsbourg. Die had de piepjonge France Gall reeds "Annie aime les sucettes à l'anis" laten zingen, maar toen we in 1967 via "Blow Up" van Michelangelo Antonioni kennis konden maken met Jane Birkin (°1946, Londen, dochter van de actrice Judy Campbell), een soort van eeuwige Lolita omdat haar borstgroei nooit tot ontwikkeling zou komen, was Serge Gainsbourg meteen verkocht. In 1969, "l'année erotique", schoof hij voor haar Brigitte Bardot opzij om "Je t'aime... moi non plus" in te blikken.
Birkin van haar kant schoof voor deze man die 20 jaar ouder was dan zij, haar echtgenoot de 13 jaar oudere componist John Barry opzij, waarmee ze op haar zeventiende was getrouwd. Uit dit huwelijk van twee jaar hield ze een dochtertje Kate over (die ondertussen zelf reeds moeder is van Roman) en kort nadat ze met Serge Gainsbourg samen was (in 1971), hadden ze samen nog een dochter (Charlotte), waarmee Serge in 1986 een film zou draaien ("Charlotte for ever"), die volgens sommige critici als incestueus kan worden bestempeld. Gainsbourg deed niets om de geruchten tegen te spreken. Integendeel, hij nam met haar de plaat "Lemon Incest" op (op muziek van Franz Liszts "Liebestraum").
Terloops, Gainsbourg heeft ook nog met Isabelle Adjani gewerkt toen ze heel jong was en op het einde van zijn leven liet hij zich in met Vanessa Paradis (°22/12/1973; het is zowaar haar echte naam), die nota bene als kindvedette is begonnen, toen Sophie Marceau (van "La Boum") als zangeres niet bleek te voldoen...
Jane bleef dertien jaar bij Serge (in 1982 hadden ze nog een dochtertje, Lou) en zelfs wanneer ze dan met Jacques Doillon, die haar had geregisseerd in "La fille prodigue" (waarin ze overigens een incestrelatie met haar vader heeft...), was getrouwd bleef ze nog met hem bevriend. Samen zijn ze eigenlijk steeds kind gebleven. Het Peter Pan-syndroom kortom, dat ook opduikt in de film van Andrew Birkin, de broer van Jane, "The Cement Garden".
Hierin organiseren vier kinderen het huishouden na het overlijden van hun ouders en laten geen pottenkijkers toe. Ook dit leidt tot incest maar dan niet tussen nichtje Charlotte Gainsbourg en zoon Ned Birkin, want het leeftijdsverschil is te groot (Jane suggereert wel dat de film autobiografische trekjes heeft en dan juist over de vriendschap tussen haar en Andrew).
De publiciteitsfoto van Charlotte refereert net zoals bij "The Crush" aan de fameuze "Lolita"-verfilming van Stanley Kubrick, wat hier niet echt van toepassing is, al heeft dat incestthema er toch iets mee te maken. Vergeten we immers niet dat Humbert Humbert met Lolita's moeder was gehuwd om altijd bij Lolita te kunnen zijn. Als deze het dagboek ontdekt waarin dit allemaal te lezen staat, rent ze woedend de straat op waar ze wordt overreden, waardoor Lolita de stiefdochter wordt van Humbert!
Een zelfde gegeven vinden we overigens terug in "Beau-père" van Bertrand Blier uit 1981, waarin de barpianist Remi (Patrick Dewaere) een verhouding heeft met de mannequin Martine. Als Martine in een auto-ongeluk om het leven komt, blijft Remi met haar 14-jarige dochter Marion (Ariel Besse) achter. Als haar echte vader (Maurice Ronet) haar komt ophalen, wil ze niet mee, want ze is van Remi op een "andere" manier gaan houden...
Nog in 1973 was er op het gebied van jongemeisjes-seks “Pleure pas la bouche pleine” (Pascal Thomas), “Malizia” (Salvatore Samperi), “Jeremy” (Arthur Barron), “Les risques du métier” (André Cayatte), “Il n'y a pas de fumée sans feu” (André Cayatte) en “Chinatown” (Roman Polanski) dat een incestrelatie behandelt tussen vader en dochter. Dat thema staat ook centraal in "Daddy", een Engelse film van Peter Whitehead, die oorspronkelijk gewoon een documentaire over het leven van de beeldhouwster Nikki de Saint-Phalle wou zijn, maar toen bleek hoe ze als kind door haar vader zowel was gedomineerd als verleid, komt dit verhaal weer in een surrealistische flashback. Speelt Nikki zichzelf als volwassene, dan geven Mia Martin en Clarice Rivers haar gestalte als 5- en 15-jarige. Rainer Diez is de vader.
Jean Rochefort van zijn kant is te zien in "La prochaine fois, le feu" van Fabio Carpi. Hierin heeft hij met medeweten van zijn vrouw (Marie-Christine Barrault) een verhouding met zijn dochter (Jacqueline Lustig). Daarmee wil hij in het licht van de ouderdom en de dood eigenlijk de man van zijn dochter worden, zodat zijn vrouw zijn moeder wordt. Zijn eigen moeder (Lila Kedrova) zou daarvoor echter moeten verdwijnen...
Ook bij Sam Shepard keert het incestthema steeds terug (b.v. "Buried child" uit 1978 en "A lie of the mind" uit 1985, beide gespeeld door het NTG in het seizoen 1996-97), wat bij deze Amerikaanse auteur trouwens op eigen ervaringen zou teruggaan. Wie (zoals ik) vindt dat het toch een beetje te veel van "het goede" (sic) is, die moet echter in gedachten houden dat een maagd in het zuiden van de VS wordt gedefinieerd als "een meisje dat sneller kan lopen als haar vader".
Alles bij elkaar is "The Crush" té clichématig en dus voorspelbaar (ook voor de muziek van Graeme Revell moet men het zeker niet doen en de fotografie van Bruce Surtees alleen is dan wat weinig), tenzij misschien op het einde waar men blijkbaar opzettelijk van de logica begint af te wijken om toch aan een "happy end" te geraken. Het leukste vond ik dan nog dat ik niet naar een persvoorstelling ben geweest, maar wel naar een gewone vertoning die... vol Lolita's zat! (En hun mannelijke equivalenten natuurlijk, zij het dat ik toch ook moest proesten toen de zaal op het einde luid schaterde, wanneer Nick Darian zo'n oplawaai geeft dat ze letterlijk door de zolder vliegt.)
Dan is "Beautiful girls" (van Ted Demme) nog beter, ook al is die op zich ook al niet zo schitterend. Ter gelegenheid van een "school reunion" worden een paar vrienden gevolgd die elk op hun manier met het vrouwelijke geslacht worstelen. Ze behoren allen tot de arbeidersklasse (sneeuwruimers), maar één van hen speelt piano in z'n vrije tijd en is dus een "buitenbeentje". Dat is hij inderdaad, want hij vindt al dat vrouwvolk zo dom dat hij op z'n dertienjarige buurmeisje valt die inderdaad meer verstand heeft dan al die andere samen (leuke dialoog over “Winnie the Pooh” en “Romeo and Juliet”). Op en top Amerikaans (wie een gehuwde vrouw neukt "verdient" door vier man in elkaar te worden geklopt enz.) eindigt deze film natuurlijk doordat alles in de plooi valt en ook onze pianist stapt uiteindelijk braaf in het huwelijksbootje met een meisje van zijn leeftijd. Natalie Portman is een zeer geloofwaardige "Lolita" als Marty, zij het dat ze nogal aan de brave kant is.
PREMIERS DESIRS
Veel tienerfilms draaien natuurlijk rond "inwijding", zowel in de "echte wereld" als in de "seksualiteit". De voornaamste is natuurlijk "The Walkabout" (1971) van Nicholas Roeg aangezien de titel rechtstreeks daarnaar verwijst, maar ook "Melody" van Waris Hussein uit datzelfde jaar is één van de betere tienerfilms, al is de muziek van Rod Stewart hier vervangen door die van The Beegees. In "The last picture show" van Peter Bogdanovich toont een piepjonge Cybill Shepard haar ondergoed (en nog wat meer). Bogdanovich had in "Paper Moon" trouwens ook reeds met de negenjarige Tatum O'Neal gewerkt in een weliswaar zeer "kuise" film, maar waarin Tatum toch ook de dochter is van een prostituée die met een oplichter en in de film haar mogelijke (en in de realiteit haar werkelijke) vader, Ryan O'Neal, optrekt. En ook hier is het het kind dat de wet bepaalt: maar deed Macaulay Culkin dat uiteindelijk ook niet?
In 1976 speelt de 12-jarige Jodie Foster in "Taxi driver" zélf een hoertje dat door Robert de Niro uit de klauwen van haar pooier Harvey Keitel wordt gered (enkel in de naaktscène speelt haar 20-jarige zus voor body double). Dat jaar speelt Jodie ook nog een "stripper" in "Bugsy Malone" van Alan Parker, waarin overigens àlle rollen door kinderen worden gespeeld.
In 1978 behandelt Louis Malle in "Pretty baby" eveneens het thema van de prostitutie. Hij doet dit evenwel op een "kuise" manier. "Iedereen wéét dat seks de hoofdbezigheid is in een bordeel," zegt hij, "dus ik moet dat dan ook niet nog eens uitgebreid gaan tonen." Toch is Brooke Shields als de kind-prostituée Violet deze keer wél naakt te zien. Haar moeder Teri verspreidde immers als naaktfoto's van haar toen ze amper tien was. Het is evident wie hier in de fout gaat. Net zoals in de film duidelijk wordt gemaakt, moeten kinderen om tot de wereld der volwassenen te kunnen behoren ook de verdorvenheid van die volwassen wereld kunnen aanvaarden...
Die onschuld etaleert Shields dan wel in "The blue lagoon" van Randal Kleiser in 1980 met Christopher Atkins. Maar Patrick Duynslaeger noemde het in Knack "een Disney-pornofilmpje voor goedgelovige kleuters". Een "beroemde" scène is wel die van de eerste menstruatie. Op die manier is het toch ook een beetje een "inwijdingsfilm". Op de set werd Shields overigens verliefd op Atkins, maar moeder Teri stak er een stokje voor in de vorm van John Travolta, die ze graag aan haar dochter gekoppeld zag. Maar Travolta trekt meestal met oudere vrouwen op, wat zou hij nu dus aanvangen met iemand die elf jaar jonger was dan hij?
Een andere inwijdingsfilm dateert uit 1992, namelijk “L'amant” van Jean-Jacques Annaud naar de roman van Marguerite Duras (alhoewel die zich distantieert van de filmversie).
Nastassja Kinski is als 13-jarige gedebuteerd (ook haar vader was acteur, namelijk Klaus Kinski) in "Falsche Bewegung" (1975) van Wim Wenders, waarna ze in "Cosi come sei" van Alberto Lattuada reeds het liefje had gespeeld van Marcello Mastroianni. In 1979 brak ze echter door met "Tess" van... Roman Polanski, jawel, de cineast die de V.S. niet meer binnen mag omwille van seks met een 13-jarig meisje, Samantha Geir. Alhoewel deze in 1997 zei dat het wel degelijk om een verkrachting ging - in die zin dat ze enkel instemde omdat ze hoopte dat Polanski haar een rol zou geven - toch vroeg ze tegelijk aan het Amerikaanse gerechtshof om de veroordeling van Polanski te laten vallen.
In "Tess" komt er een scène waarin Kinski zich van de andere kostschoolmeisjes onderscheidt omdat ze een doorzichtig nachtkleedje draagt, met daaronder dan wel een heel gewone witte "onderbroek" - ik vermijd opzettelijk de term "slipje" - want ook dat is een regel: Lolita's dragen géén sexy ondergoed, dat raffinement is immers voor oudere, nou ja, vrouwen weggelegd die dergelijke kunstgrepen nodig hebben om mannen te verleiden. Vraag trouwens maar eens aan Louis Paul Boon wat de aantrekkingskracht van zo'n wit broekje kan zijn...
De reeds genoemde David Hamilton heeft ook films over jonge meisjes gemaakt. Met name: "Bilitis" (1978), "Tendres cousines" (1980) en "Premiers désirs" (1982). In deze laatste film maakte Emmanuelle Béart haar debuut. Ze was zowat het enige meisje in de film dat niet uit de kleren gaat: de beste manier om op te vallen. Zo kwam ze in "Manon des Sources" terecht, waar ze nog steeds moeilijkheden had met een naaktscène. Met "La belle noiseuse" van Jacques Rivette uit 1991 maakte ze dat euvel echter volkomen goed.
David Hamilton zelf woont op dit moment in Saint-Tropez met een van zijn voormalige modellen, Gertrude uit Gent. In "Bilitis", vrij naar "Les Chansons de Bilitis", wordt het verhaal verteld van de literaire vervalsing van Pierre Louÿs, waarin deze zogezegd gedichten van Sappho uitgaf, die ze voor een mooi jong meisje, Bilitis, zou hebben geschreven. Hamilton verplaatst het verhaal naar een pensionaat voor meisjes van betere stand, die blijkbaar niets anders te doen hebben dan naakt te gaan baden en zelfs op het toneel voor het schoolfeestje dragen ze niet méér dan enkele sluiers. De liefde van Bilitis wordt dan opgewekt door een vriendin van haar ouders, Melissa. Ze probeert het ook eens met dier echtgenoot en met een jonge fotograaf Lucas, maar eigenlijk gaat er toch niets boven Melissa. En wie zijn wij om haar tegen te spreken?
Maar alhoewel Hamilton zelf "Lolita" als zijn lievelingsfilm opgeeft, kunnen de meisjes uit zijn films toch niet voor echte Lolita's doorgaan. Daarvoor zijn ze niet doortrapt genoeg, ze zijn zelfs niet "stout" genoeg om een pak voor de billen te krijgen. "Spanking schoolgirls" (schoolmeisjes op de naakte bips slaan) is nochtans een favoriete onderwerp in SM-films. Het leuke is wel dat het hier hoegenaamd niet om échte schoolmeisjes gaat, zelfs niet om kindvrouwtjes, maar om gewone volwassen (weliswaar jonge) vrouwen, die onderaan kaalgeschoren zijn, een plooirokje en witte sokjes aantrekken en klaar is Kees...
Een ander bijzondere film is "Little Girl Blue" van Anna Luif. Sandra is een leuke maar verlegen meid van 14. Ze is net verhuisd naar een nieuwe stadswijk met haar ouders en haar zusje. De meisjes op school accepteren haar echter niet in hun 'coole' kliekje, dat geleid wordt door Nadja en Isa. Als Sandra haar buurjongen Mike voor het eerst ontmoet, is het liefde op het eerste gezicht. Maar hun relatie wordt ingewikkelder als blijkt dat de moeder van Mike een minnaar heeft. Sandra herkent onmiddellijk haar vader, maar omwille van de furieuze reactie van Mike, beslist ze om niets te zeggen om hun ontluikende liefde niet in gevaar te brengen. Nadja, een heel zelfbewust en verwaand nest, maakt handig misbruik van de situatie om uit te gaan met Mike. Zowel uit esthetisch oogpunt als door zijn thema is deze zoete en soms blitse film qua toon en qua stijl fris als een muntblaadje. De regie van Anna Luif is licht, soms etherisch en geeft aan haar langspeelfilmdebuut de gespeelde nonchalance van ontluikende lolita's en fietsende kereltjes.
"Thirteen" is dan weer het opmerkelijke debuut van Catherine Hardwicke. De film toont een glimp in de met seks en drugs overladen wereld van een dertienjarig meisje in Los Angeles. Het zal niet verbazen dat distributeurs in de Verenigde Staten niet happig waren om de film aan te kopen. Zeker als je weet dat de film gespeeld is door het meisje op wiens leven de film is gebaseerd. Een film die de vraag durft stellen of ouders de waarheid over hun tienerdochters wel willen weten of liever vasthouden aan de opgepoetste versies van hun leven.
In "Goldfish Memory" van Liz Gill tenslotte ziet Clara haar vriendje Tom Isolde kussen en dit is het begin van een kettingreactie van romances en gebroken harten, waarin elk personage een antwoord probeert te vinden op de prangende vraag wat een perfecte relatie eigenlijk is. Sommigen zijn ervan overtuigd dat die alleen in het huwelijk te vinden is, anderen houden meer van wekelijkse afspraken. Ze zijn het er wel allemaal over eens dat liefde het enige is waar ze niet zonder kunnen. Verliefd worden, uit elkaar gaan en altijd opnieuw dezelfde fouten maken ‑ iedereen zegt dat we van onze liefdesperikelen leren, maar is dat ook zo? En willen we wel echt veranderen? Deze charmante film geeft ons een luchtige kijk op het gevaar en het genot van verliefd worden, zowel voor hetero's als voor homo's, in het hedendaagse Dublin.
Posts tonen met het label Louis Paul Boon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Louis Paul Boon. Alle posts tonen
maandag 4 februari 2008
Vladimir Nabokov
Lolita is de heldin van het gelijknamige boek dat Vladimir Nabokov wegens allerlei tegenkanting slechts kon publiceren in 1955 in Parijs, bij Olympia Press een uitgeverij die gespecialiseerd was in porno. Het boek was allicht tot obscuriteit gedoemd, ware het niet dat Graham Greene bij de gebruikelijke nieuwjaarsvraagjes in de Sunday Times dit als zijn meest geliefde boek van het jaar opgaf. Niet helemaal onverwacht trouwens, want Greene is ook diegene die over Shirley Temple in "Wee Willie Winkie" schreef: "Infancy with her is a disguise". Hij sprak ook over haar "desirable little body" en had meteen een proces aan zijn been... In "The power and the glory" laat hij zelfs een seksueel actief meisje van zeven jaar optreden!
Het boek, “Lolita” dus, handelt over de bijzondere verliefdheid van een oudere man (Humbert Humbert) voor een meisje in haar prepuberteit (Lolita). Nabokov gebruikt daarvoor dus de termen nymfolepticus en nymfijn. "De Nabokov-nymfijn", zo schrijft Staf De Wilde die het Lolita-syndroom in het werk van Louis Paul Boon bestudeerde, "is een jonge demoon. De memonie is het wezenlijke onderscheid met de (pre-)puber, en gaat uit van de ambivalentie, de uiterlijke en innerlijke dubbelzinnigheid van dit meisjestype. Zij is een kind, naïef, seksueel onverschillig en lichamelijk nog onvrouwelijk. Maar zij is ook een vrouwelijk diertje, met een nukkig negativisme, pervers nieuwsgierig en seksueel bedreven..."
Maar waarom noemde Nabokov zijn jeugdige heldin nu juist "Lolita"? Dat zou kunnen te maken hebben met niemand minder dan... Charlie Chaplin. In 1924 huwde hij op 35-jarige leeftijd immers met de 16-jarige (Lo)Lita Grey, die hij zwanger had gemaakt.
In tegenstelling tot wat de meesten denken is Vladimir Nabokov (Sint-Petersburg 1899-Zwitserland 1977) niet op de vlucht voor de revolutie in de Verenigde Staten beland. Zijn vader was immers een democraat die nog voor de revolutie zijn hofuniform verkocht en door tsaristen werd vermoord. Gezien zijn aristocratische afkomst behoorde hij wel tot de Mensjivieken en toen die door de Bolsjevieken werden verslagen, dàn pas gingen de Nabokovs in ballingschap (met achterlating van al hun bezittingen), eerst in Londen, dan in Berlijn. Hier ontpopt (het woord is niet toevallig gekozen) Vladimir zich tot een vlinderspecialist, maar hij komt vooral aan de kost door anti-communistische teksten te publiceren in een tijdschrift voor Russische emigranten.
In 1932 publiceerde Nabokov het boek "Camera Obscura" (niet te verwarren met het gelijknamige werk van Nicolaas Beets uiteraard), dat in 1950 door hemzelf werd heruitgegeven als "Laughter in the dark" (in 1940 had hij met vrouw en zoon nazi-Duitsland de rug toegekeerd voor de VSA). Dit boek kunnen we als een voorloper van "Lolita" beschouwen, want ook dit gaat over een nymfolepticus en een nymfijn, "nymphette", zoals Nabokov het zelf schrijft.
"Lolita" zorgt voor schandaal, maar Nabokov beweert bij hoog en bij laag dat het hem enkel om de stijl is te doen: hij noemt zichzelf een volgeling van Gustave Flaubert. "Ik heb de morele invloed van de kunst nooit willen ontkennen," schrijft hij, "maar wat ik wél ontken en tot mijn laatste druppel inkt wil bestrijden is een plicht tot moraliseren: voor mij doodt gemoraliseer in een werk, hoe knap geschreven ook, iedere kunst."
Buiten zijn literair werk zal hij zich wel degelijk tot moraliseren laten verleiden. Hij zal zich vooral als anti-communist blijven manifesteren, o.a. in 1974 als Alexander Solzjenitsyn de Sovjet-Unie verlaat en hij hem zijn bijval betuigt. De nochtans erg intelligente Nabokov had dan ook een vernietigend oordeel over collega's die hij ook maar een beetje van linkse sympathieën verdacht: Louis Aragon, Jean-Paul Sartre en Saul Bellow natuurlijk, maar ook T.S.Eliot, Thomas Mann en zelfs de notoire fascist Ezra Pound.
Alhoewel men auteur en personage nooit met elkaar mag verwarren, toch kan men zich vragen stellen bij een auteur die steeds weer diezelfde fascinatie verwerkt in zijn boeken. Anderzijds dient gezegd dat Nabokov, zelfs bij zijn romanpersonages, de penetratie achterwege tracht te laten (als het dan toch gebeurt, zoals in "Lolita" b.v., is het vaak een ontwijding en een begin van het einde; dit is immers een uiting van "volwassen" seksualiteit). Of zoals hij in het postuum uitgegeven "De tovenaar" zegt: "Ik ben een zakkenroller, geen inbreker."
Toch gaat Herman Teirlinck in de vijftiende jaargang van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (dat wil dus zeggen: in 1961, in hetzelfde nummer waarin de eerste aflevering van Claus' "De Verwondering" staat) briesend tekeer over de "marginaliën" bij Vladimir Nabokov en met name in zijn "Lolita". 't Strafste is nog dat Herman niet enkel suggereert, maar smikkelend en smullend tracht te bewijzen dat Humbert Humbert een alterego is van Nabokov. Volgens Teirlinck zou Nabokov immers als leraar aan een meisjeslyceum uit zijn ambt zijn ontzet. Teirlinck protesteert daar dan tegen, maar vindt het anderzijds normaal dat de ouders hun dochters uit dat lyceum wegnemen...
Eigenaardig: van zodra Lolita haar interesse voor H.H. verliest, komen er volgens onze Herman "mooie bladzijden". Teirlinck besluit zelfs: "Het monumentaal einde van het boek is onvergetelijk en in weerwil van mijn haat voor de menselijke ontaarding en een amorele laagheid, die mij voortdurend in zedelijke alarmtoestand heeft gebracht, zijn mij de tranen in de ogen gekomen. Hoe is het mogelijk, vraag ik mij nog af, dat op een zo stinkende mest een zo verheven, een zo reine bloei is opgestaan!" (blz.612)
Ook Hubert Lampo ging nogal uit de bol over dit boek: hij noemt het "semi-pornografie" en een "vervelend geval" en hij besluit dan ook dat hij "de aankoop ervan voor een gesubsidieerde bibliotheek met gelden van het ministerie niet kan toestaan."
Overigens, voor liefhebbers van het magisch-realisme: Lolita loopt van Humbert weg in Elphinstone. Nu is elphin een oudere spelling voor elfin (elf, nimfijn!), maar ergens zegt hij er wel bij dat hij niet te lang naar zijn deknamen zoekt. Hoe dan ook, misschien bestaat er wel een of andere legende over deze "elfensteen".
Sommigen vinden dat ook het incest-motief aanwezig is in "Lolita", aangezien Humbert Humbert de stiefvader is van zijn jonge geliefde. Hier gaat men dan wel voorbij aan het feit dat het huwelijk dat hem tot "vader" van Lolita maakte, enkel in functie van die passie werd aangegaan en dus weinig vandoen heeft met een echte stiefvader, iemand die een kind van kleinsaf heeft opgevoed. Als men een relatie wil tussen incest en Lolita dan kan men beter terecht in de boeken van Kathryn Harrison, zij het dat de dochter als 20-jarige een verhouding met haar vader die ze nooit heeft gekend is aangegaan (vergelijkbaar met het verhaal dat Humo ooit “een bekend Vlaams filmcomponist” in z'n schoenen heeft geschoven). In "Exposure", in het Nederlands ongelukkig vertaald als "Geschonden", gaat het eigenlijk meer over het Lolita-motief, want de vader-fotograaf zegt dat hij niets kan aanvangen met borsten en schaamhaar, waarop de dochter: voor dit laatste hebben ze toch het scheermes uitgevonden? Hiermee wordt wel voedsel gegeven aan de boude bewering van Goedele Liekens dat geschoren kutjes eigenlijk blijk geven van verdrongen of althans toch verborgen pedofilie.
Een andere veel voorkomende vergissing is dat men zegt dat de moeder van Lolita "zelfmoord pleegde" toen ze het dagboek van "haar echtgenoot" onder handen kreeg. Niets is minder waar! Ze loopt juist de straat op om aan de wereld de "verdorvenheid" kenbaar te maken! Maar precies op dat moment, omdat God blijkbaar partij heeft gekozen in dit conflict, wordt ze door een auto aangereden.
Ook in "De tovenaar", dat weliswaar postuum werd uitgegeven, maar vóór "Lolita" werd geschreven, trouwt het hoofdpersonage met de moeder van het kind, een moeder die in dit geval ziek is. Als ze een operatie ondergaat die tot volledig herstel zou moeten leiden, komt ook hier de Voorzienigheid tussen en loopt de ingreep fataal af. Thank you, Lord! Als later de tovenaar zijn toverstaf toch niet langer in bedwang kan houden, zal hij echter op zijn beurt een vreselijk lot ondergaan.
Net als Jef Geeraerts schreef ook Nabokov met het oog op een verfilming (dit lijkt wel de beste methode om ooit verfilmd te worden) en het zou dus interessant zijn om na te gaan of Stanley Kubrick inderdaad volgende raad opvolgt: na de beschrijving van een aantal "wanted" gangsters aan de muur van een postkantoor, schrijft hij: "Als U een film wilt maken van mijn boek, laat U dan een van deze gezichten langzaam overgaan in het mijne, terwijl ik kijk." (blz.236)
Andere Lolita's (naast Boon uiteraard) vinden we terug in de beginnende liefde tussen Amadour en Floride in de Heptamerone, in de geschriften van Casanova en bij Ronsard: "Quand ma nymphette en simple verduage...". In "Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan" van Louis Couperus is de figuur van Anton opmerkelijk. En dan is er ook nog "Grillige Kathleen" van René Gysen uit 1966, geen denderend werk (vooral het gegeven zelf komt niet duidelijk genoeg naar voren), maar toch ook niet te onderschatten.
René Gysen (1927-1969) is onder het pseudoniem John T.Lamoureux ook de auteur van de Engelstalige erotische roman "The French Way", die in 1963 bij Tower Publications in New York werd uitgegeven. Daarnaast vertaalde hij samen met Freddy De Vree en Gust Gils in 1965 "Juliette" van Markies de Sade, die hij trouwens reeds uitgebreid had verdedigd in een lang essay uit 1961: "De slecht befaamde Markies de Sade".
Gysen maakt overigens een grote fout bij zijn bespreking van "Lolita". Humbert neemt Lolita immers niet voor de eerste keer om zes uur 's morgens, maar wordt genomen door Lolita in de wagen, de avond ervóór. Bovendien hoort geslachtsgemeenschap volgens mij niet inherent bij nymfolepsie. De onvoldaanheid, het onbevredigd zijn zowel van de nymfet als van de nymfolept is immers een constante en het kind in de nymfet blijft even belangrijk als de vrouw (in tegenstelling tot kindvrouwtjes à la B.B.). Daarom is gemeenschap steeds verkrachting en leidt ze niet zozeer tot onvoldaanheid maar tot vernietiging. Zowel van zichzelf, als van de nymfet (ze is na de ontmaagding namelijk geen nymfet meer, maar een gewone, al dan niet aantrekkelijke, jonge vrouw) én van de relatie, het raakpunt, het magische, het mysterieuze.
Een vrouwelijke tegenhanger van "Lolita" werd in 1993 gepubliceerd door Geneviève Dormann: "La petite main" (Albin Michel, 1993, 306p.). Het werk is geïnspireerd door haar gerechtsjournalistiek, waarbij ze wel vaker volwassen mannen heeft terecht weten staan die eigenlijk het "slachtoffer" waren. Dat ze dus ontkent dat haar boek een vrouwelijke "Lolita" is omdat "de perversiteit bij het meisje ligt", is dus eerder een bevestiging dan een ontkenning! "De duivel bestààt," zegt Dormann, "in die zin dat er mensen zijn die er echt op uit zijn anderen schade te berokkenen. Mijn hoofdpersonage is er zo één."
Dat kan men ook zeggen van Ewa uit "Meisje Niemand" van Tryzna Tomek. Alhoewel ze haar vernietigingskracht vooral op haar vriendinnetjes uitoefent, komen - gewoon als spel - soms ook volwassen mannen aan bod. Er is trouwens ook een klein nevenverhaal over één van die vriendinnetjes, Magda, die om schulden af te betalen haar kutje laat likken door een oude man van zo'n zeventig jaar. Ook als hij geen dollars meer ontvangt uit het buitenland, gaat ze er toch mee door.
In 1993 verscheen ook "Mannelijk naakt" van Amanda Filipacchi, waarin Jeremy Acidophilus (!), een toevallig naaktmodel voor "Playgirl", wordt verleid door een elfjarige Lolita.
En in 1994 veroorzaakte Gabriël Matzneff (°1936) ophef met zijn "La prunelle de mes yeux", over zijn (waar gebeurde) verhouding met de 14-jarige Vanessa (in 1974 had hij het in "Isaïe réjouis-toi" ook al gehad over zijn verhouding met een 15-jarige jongen).
Begin 1995 verscheen dan (bij het Davidsfonds nog wel, maar wel nadat ze Infodok hadden overgenomen) "Beeld van een meisje" van Wim Daems, waarin de tiener Evelien haar eerste erotische ervaringen opdoet in het atelier van haar vader-beeldhouwer en nadien bij een charmezanger die ze bewondert. Het verhaal maakt echter vooral ophef omdat het zonder tegenwoord het revisionisme aan bod laat komen (het ontkennen van het bestaan van de gaskamers).
In 1996 tenslotte (voorlopig) verscheen "Dagboek van Lo" van de Italiaanse Pia Pera. Zij vertelt exact hetzelfde verhaal als Nabokov, maar dan vanuit het oogpunt van Lolita.
Ook de Belgisch-Franse schrijfster Jacqueline Harpman vertelt in "Het strand van Oostende" een Lolita-verhaal vanuit het standpunt van de Lolita in kwestie. En dat die niet altijd "slachtoffer" zijn, wordt bewezen met de openingszin: "Zodra ik hem zag, wist ik dat Léopold Wiesbeck de mijne zou worden. Ik was elf jaar, hij vijfentwintig." Deze zin wordt met heel veel nadruk geciteerd door Eriek Verpale in De Standaard der Letteren van 30/1/1997, ongetwijfeld omdat ook hij in zijn boeken voortdurend het Lolita-thema ter sprake brengt...
Een merkwaardige variante op het Lolita-thema vinden we tenslotte bij de Amerikaanse Anne Rice (°1941) en dan wel in haar bekendste roman "Interview with the vampire" (1976), waarin de jonge Claudia aanpapt met hoofdfiguur Lestat. Hoe ongelooflijk het ook mag lijken, dit boek was een vorm van therapeutisch schrijven en dan nog wel als reactie op het overlijden aan leukemie (!) van haar zesjarig dochtertje Michelle. Dit wordt uiteraard gereflecteerd in Claudia, het kleine vampiertje. Claudia was trouwens de bijnaam van Michelle. Rice onderscheidt zich dan ook van andere "vampierenauteurs" door er ook de "positieve" kanten van te zien (het eeuwige leven, de eeuwige jeugd). Dat ze daarvoor vers bloed nodig hebben wordt als een noodzakelijk kwaad gezien en sommige vampieren trachten zich zelfs met dierenbloed te behelpen, ook al schijnt dat vreselijk slecht te smaken. Anderzijds zit er aan die "eeuwige jeugd" ook een keerzijde: Claudia verwijt Lestat dat hij er de oorzaak van is dat ze wel geestelijk maar niet lichamelijk evolueert (waardoor er een erotische spanning ontstaat) en ze zal dan ook wraak nemen.
Ronny De Schepper
Selectieve bibliografie
Erica Jong besteedt een hoofdstuk aan de bespreking van Lolita in "What do women want?" (Bloomsbury, 1999)
Marco Kamphuis, "Tamara" (Kwadraat, 1999)
Het boek, “Lolita” dus, handelt over de bijzondere verliefdheid van een oudere man (Humbert Humbert) voor een meisje in haar prepuberteit (Lolita). Nabokov gebruikt daarvoor dus de termen nymfolepticus en nymfijn. "De Nabokov-nymfijn", zo schrijft Staf De Wilde die het Lolita-syndroom in het werk van Louis Paul Boon bestudeerde, "is een jonge demoon. De memonie is het wezenlijke onderscheid met de (pre-)puber, en gaat uit van de ambivalentie, de uiterlijke en innerlijke dubbelzinnigheid van dit meisjestype. Zij is een kind, naïef, seksueel onverschillig en lichamelijk nog onvrouwelijk. Maar zij is ook een vrouwelijk diertje, met een nukkig negativisme, pervers nieuwsgierig en seksueel bedreven..."
Maar waarom noemde Nabokov zijn jeugdige heldin nu juist "Lolita"? Dat zou kunnen te maken hebben met niemand minder dan... Charlie Chaplin. In 1924 huwde hij op 35-jarige leeftijd immers met de 16-jarige (Lo)Lita Grey, die hij zwanger had gemaakt.
In tegenstelling tot wat de meesten denken is Vladimir Nabokov (Sint-Petersburg 1899-Zwitserland 1977) niet op de vlucht voor de revolutie in de Verenigde Staten beland. Zijn vader was immers een democraat die nog voor de revolutie zijn hofuniform verkocht en door tsaristen werd vermoord. Gezien zijn aristocratische afkomst behoorde hij wel tot de Mensjivieken en toen die door de Bolsjevieken werden verslagen, dàn pas gingen de Nabokovs in ballingschap (met achterlating van al hun bezittingen), eerst in Londen, dan in Berlijn. Hier ontpopt (het woord is niet toevallig gekozen) Vladimir zich tot een vlinderspecialist, maar hij komt vooral aan de kost door anti-communistische teksten te publiceren in een tijdschrift voor Russische emigranten.
In 1932 publiceerde Nabokov het boek "Camera Obscura" (niet te verwarren met het gelijknamige werk van Nicolaas Beets uiteraard), dat in 1950 door hemzelf werd heruitgegeven als "Laughter in the dark" (in 1940 had hij met vrouw en zoon nazi-Duitsland de rug toegekeerd voor de VSA). Dit boek kunnen we als een voorloper van "Lolita" beschouwen, want ook dit gaat over een nymfolepticus en een nymfijn, "nymphette", zoals Nabokov het zelf schrijft.
"Lolita" zorgt voor schandaal, maar Nabokov beweert bij hoog en bij laag dat het hem enkel om de stijl is te doen: hij noemt zichzelf een volgeling van Gustave Flaubert. "Ik heb de morele invloed van de kunst nooit willen ontkennen," schrijft hij, "maar wat ik wél ontken en tot mijn laatste druppel inkt wil bestrijden is een plicht tot moraliseren: voor mij doodt gemoraliseer in een werk, hoe knap geschreven ook, iedere kunst."
Buiten zijn literair werk zal hij zich wel degelijk tot moraliseren laten verleiden. Hij zal zich vooral als anti-communist blijven manifesteren, o.a. in 1974 als Alexander Solzjenitsyn de Sovjet-Unie verlaat en hij hem zijn bijval betuigt. De nochtans erg intelligente Nabokov had dan ook een vernietigend oordeel over collega's die hij ook maar een beetje van linkse sympathieën verdacht: Louis Aragon, Jean-Paul Sartre en Saul Bellow natuurlijk, maar ook T.S.Eliot, Thomas Mann en zelfs de notoire fascist Ezra Pound.
Alhoewel men auteur en personage nooit met elkaar mag verwarren, toch kan men zich vragen stellen bij een auteur die steeds weer diezelfde fascinatie verwerkt in zijn boeken. Anderzijds dient gezegd dat Nabokov, zelfs bij zijn romanpersonages, de penetratie achterwege tracht te laten (als het dan toch gebeurt, zoals in "Lolita" b.v., is het vaak een ontwijding en een begin van het einde; dit is immers een uiting van "volwassen" seksualiteit). Of zoals hij in het postuum uitgegeven "De tovenaar" zegt: "Ik ben een zakkenroller, geen inbreker."
Toch gaat Herman Teirlinck in de vijftiende jaargang van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (dat wil dus zeggen: in 1961, in hetzelfde nummer waarin de eerste aflevering van Claus' "De Verwondering" staat) briesend tekeer over de "marginaliën" bij Vladimir Nabokov en met name in zijn "Lolita". 't Strafste is nog dat Herman niet enkel suggereert, maar smikkelend en smullend tracht te bewijzen dat Humbert Humbert een alterego is van Nabokov. Volgens Teirlinck zou Nabokov immers als leraar aan een meisjeslyceum uit zijn ambt zijn ontzet. Teirlinck protesteert daar dan tegen, maar vindt het anderzijds normaal dat de ouders hun dochters uit dat lyceum wegnemen...
Eigenaardig: van zodra Lolita haar interesse voor H.H. verliest, komen er volgens onze Herman "mooie bladzijden". Teirlinck besluit zelfs: "Het monumentaal einde van het boek is onvergetelijk en in weerwil van mijn haat voor de menselijke ontaarding en een amorele laagheid, die mij voortdurend in zedelijke alarmtoestand heeft gebracht, zijn mij de tranen in de ogen gekomen. Hoe is het mogelijk, vraag ik mij nog af, dat op een zo stinkende mest een zo verheven, een zo reine bloei is opgestaan!" (blz.612)
Ook Hubert Lampo ging nogal uit de bol over dit boek: hij noemt het "semi-pornografie" en een "vervelend geval" en hij besluit dan ook dat hij "de aankoop ervan voor een gesubsidieerde bibliotheek met gelden van het ministerie niet kan toestaan."
Overigens, voor liefhebbers van het magisch-realisme: Lolita loopt van Humbert weg in Elphinstone. Nu is elphin een oudere spelling voor elfin (elf, nimfijn!), maar ergens zegt hij er wel bij dat hij niet te lang naar zijn deknamen zoekt. Hoe dan ook, misschien bestaat er wel een of andere legende over deze "elfensteen".
Sommigen vinden dat ook het incest-motief aanwezig is in "Lolita", aangezien Humbert Humbert de stiefvader is van zijn jonge geliefde. Hier gaat men dan wel voorbij aan het feit dat het huwelijk dat hem tot "vader" van Lolita maakte, enkel in functie van die passie werd aangegaan en dus weinig vandoen heeft met een echte stiefvader, iemand die een kind van kleinsaf heeft opgevoed. Als men een relatie wil tussen incest en Lolita dan kan men beter terecht in de boeken van Kathryn Harrison, zij het dat de dochter als 20-jarige een verhouding met haar vader die ze nooit heeft gekend is aangegaan (vergelijkbaar met het verhaal dat Humo ooit “een bekend Vlaams filmcomponist” in z'n schoenen heeft geschoven). In "Exposure", in het Nederlands ongelukkig vertaald als "Geschonden", gaat het eigenlijk meer over het Lolita-motief, want de vader-fotograaf zegt dat hij niets kan aanvangen met borsten en schaamhaar, waarop de dochter: voor dit laatste hebben ze toch het scheermes uitgevonden? Hiermee wordt wel voedsel gegeven aan de boude bewering van Goedele Liekens dat geschoren kutjes eigenlijk blijk geven van verdrongen of althans toch verborgen pedofilie.
Een andere veel voorkomende vergissing is dat men zegt dat de moeder van Lolita "zelfmoord pleegde" toen ze het dagboek van "haar echtgenoot" onder handen kreeg. Niets is minder waar! Ze loopt juist de straat op om aan de wereld de "verdorvenheid" kenbaar te maken! Maar precies op dat moment, omdat God blijkbaar partij heeft gekozen in dit conflict, wordt ze door een auto aangereden.
Ook in "De tovenaar", dat weliswaar postuum werd uitgegeven, maar vóór "Lolita" werd geschreven, trouwt het hoofdpersonage met de moeder van het kind, een moeder die in dit geval ziek is. Als ze een operatie ondergaat die tot volledig herstel zou moeten leiden, komt ook hier de Voorzienigheid tussen en loopt de ingreep fataal af. Thank you, Lord! Als later de tovenaar zijn toverstaf toch niet langer in bedwang kan houden, zal hij echter op zijn beurt een vreselijk lot ondergaan.
Net als Jef Geeraerts schreef ook Nabokov met het oog op een verfilming (dit lijkt wel de beste methode om ooit verfilmd te worden) en het zou dus interessant zijn om na te gaan of Stanley Kubrick inderdaad volgende raad opvolgt: na de beschrijving van een aantal "wanted" gangsters aan de muur van een postkantoor, schrijft hij: "Als U een film wilt maken van mijn boek, laat U dan een van deze gezichten langzaam overgaan in het mijne, terwijl ik kijk." (blz.236)
Andere Lolita's (naast Boon uiteraard) vinden we terug in de beginnende liefde tussen Amadour en Floride in de Heptamerone, in de geschriften van Casanova en bij Ronsard: "Quand ma nymphette en simple verduage...". In "Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan" van Louis Couperus is de figuur van Anton opmerkelijk. En dan is er ook nog "Grillige Kathleen" van René Gysen uit 1966, geen denderend werk (vooral het gegeven zelf komt niet duidelijk genoeg naar voren), maar toch ook niet te onderschatten.
René Gysen (1927-1969) is onder het pseudoniem John T.Lamoureux ook de auteur van de Engelstalige erotische roman "The French Way", die in 1963 bij Tower Publications in New York werd uitgegeven. Daarnaast vertaalde hij samen met Freddy De Vree en Gust Gils in 1965 "Juliette" van Markies de Sade, die hij trouwens reeds uitgebreid had verdedigd in een lang essay uit 1961: "De slecht befaamde Markies de Sade".
Gysen maakt overigens een grote fout bij zijn bespreking van "Lolita". Humbert neemt Lolita immers niet voor de eerste keer om zes uur 's morgens, maar wordt genomen door Lolita in de wagen, de avond ervóór. Bovendien hoort geslachtsgemeenschap volgens mij niet inherent bij nymfolepsie. De onvoldaanheid, het onbevredigd zijn zowel van de nymfet als van de nymfolept is immers een constante en het kind in de nymfet blijft even belangrijk als de vrouw (in tegenstelling tot kindvrouwtjes à la B.B.). Daarom is gemeenschap steeds verkrachting en leidt ze niet zozeer tot onvoldaanheid maar tot vernietiging. Zowel van zichzelf, als van de nymfet (ze is na de ontmaagding namelijk geen nymfet meer, maar een gewone, al dan niet aantrekkelijke, jonge vrouw) én van de relatie, het raakpunt, het magische, het mysterieuze.
Een vrouwelijke tegenhanger van "Lolita" werd in 1993 gepubliceerd door Geneviève Dormann: "La petite main" (Albin Michel, 1993, 306p.). Het werk is geïnspireerd door haar gerechtsjournalistiek, waarbij ze wel vaker volwassen mannen heeft terecht weten staan die eigenlijk het "slachtoffer" waren. Dat ze dus ontkent dat haar boek een vrouwelijke "Lolita" is omdat "de perversiteit bij het meisje ligt", is dus eerder een bevestiging dan een ontkenning! "De duivel bestààt," zegt Dormann, "in die zin dat er mensen zijn die er echt op uit zijn anderen schade te berokkenen. Mijn hoofdpersonage is er zo één."
Dat kan men ook zeggen van Ewa uit "Meisje Niemand" van Tryzna Tomek. Alhoewel ze haar vernietigingskracht vooral op haar vriendinnetjes uitoefent, komen - gewoon als spel - soms ook volwassen mannen aan bod. Er is trouwens ook een klein nevenverhaal over één van die vriendinnetjes, Magda, die om schulden af te betalen haar kutje laat likken door een oude man van zo'n zeventig jaar. Ook als hij geen dollars meer ontvangt uit het buitenland, gaat ze er toch mee door.
In 1993 verscheen ook "Mannelijk naakt" van Amanda Filipacchi, waarin Jeremy Acidophilus (!), een toevallig naaktmodel voor "Playgirl", wordt verleid door een elfjarige Lolita.
En in 1994 veroorzaakte Gabriël Matzneff (°1936) ophef met zijn "La prunelle de mes yeux", over zijn (waar gebeurde) verhouding met de 14-jarige Vanessa (in 1974 had hij het in "Isaïe réjouis-toi" ook al gehad over zijn verhouding met een 15-jarige jongen).
Begin 1995 verscheen dan (bij het Davidsfonds nog wel, maar wel nadat ze Infodok hadden overgenomen) "Beeld van een meisje" van Wim Daems, waarin de tiener Evelien haar eerste erotische ervaringen opdoet in het atelier van haar vader-beeldhouwer en nadien bij een charmezanger die ze bewondert. Het verhaal maakt echter vooral ophef omdat het zonder tegenwoord het revisionisme aan bod laat komen (het ontkennen van het bestaan van de gaskamers).
In 1996 tenslotte (voorlopig) verscheen "Dagboek van Lo" van de Italiaanse Pia Pera. Zij vertelt exact hetzelfde verhaal als Nabokov, maar dan vanuit het oogpunt van Lolita.
Ook de Belgisch-Franse schrijfster Jacqueline Harpman vertelt in "Het strand van Oostende" een Lolita-verhaal vanuit het standpunt van de Lolita in kwestie. En dat die niet altijd "slachtoffer" zijn, wordt bewezen met de openingszin: "Zodra ik hem zag, wist ik dat Léopold Wiesbeck de mijne zou worden. Ik was elf jaar, hij vijfentwintig." Deze zin wordt met heel veel nadruk geciteerd door Eriek Verpale in De Standaard der Letteren van 30/1/1997, ongetwijfeld omdat ook hij in zijn boeken voortdurend het Lolita-thema ter sprake brengt...
Een merkwaardige variante op het Lolita-thema vinden we tenslotte bij de Amerikaanse Anne Rice (°1941) en dan wel in haar bekendste roman "Interview with the vampire" (1976), waarin de jonge Claudia aanpapt met hoofdfiguur Lestat. Hoe ongelooflijk het ook mag lijken, dit boek was een vorm van therapeutisch schrijven en dan nog wel als reactie op het overlijden aan leukemie (!) van haar zesjarig dochtertje Michelle. Dit wordt uiteraard gereflecteerd in Claudia, het kleine vampiertje. Claudia was trouwens de bijnaam van Michelle. Rice onderscheidt zich dan ook van andere "vampierenauteurs" door er ook de "positieve" kanten van te zien (het eeuwige leven, de eeuwige jeugd). Dat ze daarvoor vers bloed nodig hebben wordt als een noodzakelijk kwaad gezien en sommige vampieren trachten zich zelfs met dierenbloed te behelpen, ook al schijnt dat vreselijk slecht te smaken. Anderzijds zit er aan die "eeuwige jeugd" ook een keerzijde: Claudia verwijt Lestat dat hij er de oorzaak van is dat ze wel geestelijk maar niet lichamelijk evolueert (waardoor er een erotische spanning ontstaat) en ze zal dan ook wraak nemen.
Ronny De Schepper
Selectieve bibliografie
Erica Jong besteedt een hoofdstuk aan de bespreking van Lolita in "What do women want?" (Bloomsbury, 1999)
Marco Kamphuis, "Tamara" (Kwadraat, 1999)
zondag 23 december 2007
Prosper De Smet: "Zichzelf relativeren is beter dan een dikke nek hebben"
Prosper De Smet (°Gent, 2 juni 1919) is in september 2005 overleden, toen hij tijdens een van zijn legendarische fietstochten door een auto werd gevat. In 1999 gaf hij zichzelf een dichtbundel ten geschenke voor zijn tachtigste verjaardag, die hij mij – met de fiets – aan huis kwam voorstellen. Het werd de aanleiding voor een aangenaam gesprek.
In de jaren vijftig was hij tot het besluit gekomen dat zijn poëzie niet goed genoeg was. Veertig jaar lang beperkte hij zich tot proza, maar enkele jaren geleden begon de muze van de poëzie hem opnieuw te kietelen. "Gekke gedachten, stille gepeinzen" is het resultaat.
Aangezien de bundel ook een kleine keuze uit zijn jeugdwerk (1935-1945) bevat, kunnen we vaststellen dat er niet zo heel veel verschil is tussen Polke Pluim, zoals hij zich toen liet noemen, en P.Pluym, waarmee hij nu zijn wekelijkse column in de krant "De Morgen" ondertekent.
Begonnen als letterzetter bij "Vooruit", begon hij in 1953 ook de lay-out te verzorgen van de politieke bladen die op dezelfde persen werden gedrukt. Daar hij ook reeds humoristische bijdragen schreef voor het personeelsblad "Cicero" (de breedte van de kolommen werd in die maat uitgedrukt) werd hij middenin een Ronde van Frankrijk opgevorderd om een cursiefjesschrijver te vervangen, die het liet afweten. Zo werd de rubriek "ernst en luim met Polke Pluim" geboren.
Aangezien zijn stukjes aansloegen bij de lezers, kreeg hij in 1960 een dagelijks rubriekje op de regionale bladzijden ("tegen 50 fr. per dag, pas vanaf De Morgen ben ik behoorlijk betaald"), terwijl hij bleef werken als letterzetter. Hij "krabbelde" zijn stukje dagelijks bijeen tijdens de lunchpauze op een blad dat uit een ruitjesschrift was gescheurd ("precies de juiste lengte") en het kreeg dan ook de toepasselijke naam mee "in de krabbel".
"In het begin had ik vooral succes bij de huisvrouwen, omdat ik vaak over mijn kinderen en later over mijn kleinkinderen schreef. Omdat dit rubriekje een ernstiger toon aansloeg dan wat ik op de sportbladzijden schreef, veranderde ik de ondertekening in P.Pluym, waarbij de P. ook voor Prosper kon staan, maar de mensen bleven mij Polke noemen."
PALEISREVOLUTIES
Toen in 1978 een opvolger werd gezocht voor Louis Paul Boon was hij reeds zo populair dat hij zonder discussie de aangewezen man was. "Ik krijg nu vaak mensen over de vloer die mij zeggen: u was toch wel erg fier dat u Louis Paul Boon mocht opvolgen? Maar ik was even populair als Louis. De mensen noemden ons meestal in één adem: Boontje en Pluimke. Dat was dus de normaalste zaak ter wereld."
Toen de socialistische Vooruit in 1978 opging in de progressieve Morgen werd hij werd niet weggecensureerd, zelfs nog tot 1990 bleef zijn rubriekje dagelijks verschijnen. "De lezers hebben mij altijd gered. Dat was al zo van in het begin toen het nog op de sportbladzijden verscheen en de toenmalige hoofdredacteur Roger Cneut het soms liet vallen. Op die manier heb ik vijf paleisrevoluties overleefd!"
Toen hij met pensioen ging, werd het na verloop van tijd herleid tot een wekelijkse bijdrage. "Eerst verscheen het nog drie keer per week, maar aangezien er geen vaste plaats meer voor voorzien was, gebeurde het dat het slechts twee keer verscheen of zo. Toen ben ik eens naar de redactie gestapt en hebben we afgesproken dat het nog slechts wekelijks zou verschijnen, maar dan wel op een vaste plaats. Dat is nu op de opiniebladzijde, wat ik eigenlijk wel een beetje jammer vind, want ik vermijd juist controversiële onderwerpen."
Ondertussen had hij zich ("tijdens de weekends") ook vol overgave op de literatuur (vaak in eigen beheer uitgegeven) gesmeten. Zo zijn er de romans "De ontploffing" (1957), "In het partijlokaal", "De Griek op het vliegveld van Herrenhausen", "Het geweer zonder kogels" en "De verzoening" (1990), het toneelstuk "De ondernemingsraad" en het verhalend gedicht "Aan de voet van 't Gravensteen".
Zijn bekendste werk is ongetwijfeld "Oproer in het weeshuis" (1985) over zijn verblijf bij de "kulders", in het weeshuis. Niet dat hij een wees was, maar toen zijn vader (eerst dokwerker, nadien klusjesman in een fabriek) jong stierf, werd hij door zijn moeder, die zelf ook op een pantoffelfabriek werkte, daar naartoe gestuurd.
MUZIEKBARBAREN
Maar terug naar de poëzie...
Zoals men kan veronderstellen bij een bundel die "Gekke gedachten, stille gepeinzen" heet, valt hij uiteen in verschillende delen. Maar het zijn er meer dan twee...
Eerst zijn er wel de "gekke gedachten": over hoe hij bij de fanfare pas derde bugel was en hoe hij zich nu nog altijd zo klein voelt in de fanfare van het leven. Al droomt hij in een volgend vers (naar aanleiding van een schilderij in de winterzon) al meteen dat "de mooiste vrouw" aan zijn voeten knielt om "haar zoetste zonden" te biechten. Het slotvers van alweer het daaropvolgende gedicht vat deze tegenstelling netjes samen: "grootse plannen smeden: ik ga het al verslaan! - en 's avonds is er niets gedaan".
Prosper De Smet heeft nog altijd het naïeve engagement van de eerste socialisten ("Gebed"), al zijn daar soms vreemde wensen bijgekomen: "geen voetbal meer spelen" bijvoorbeeld! (Ook in "Aan de waterkant", waaruit het fragment boven dit stuk komt, komt het voor naast "dolgedrugde dronken scharen" die "muziekbarbaren bejubelen".)
Soms komt er uit die naïviteit wel een mooi beeld voort. Verwijzend naar het tweespalt tussen mensen die zo zorg dragen voor hun huisdier, maar amper mensen met een andere huidskleur kunnen velen, merkt hij op dat het toch veel beter zou gaan als deze ook "braafjes aan de leiband (zouden) lopen" en "als 't gevraagd wordt pootjes geven".
Anderzijds kan de vermenging van beeldspraak soms tot minder geslaagde wendingen aanleiding zijn. Hoe zou hij anders kunnen treuren: "wit-zwart was in mijn tijd de cinema en nu is 't allemaal in kleuren"? (een echo van het jeugdgedicht "Western").
Prosper: "Maar dat is helemaal niet symbolisch bedoeld, je moet daar allemaal niet zoveel achter zoeken!"
Of moeten we dan toch veronderstellen dat hij het meent als hij schrijft: "Eens was ik een rebel, nu ben ik conservatief"?
Prosper: "Dat is toch de realiteit? Denk ook aan dat andere gedicht: "als slaven kinderen in een mijn. / gekeelde mensen als een zwijn. / En ik zit hier gelukkig te zijn." ("Wat gaat er mis?")
Het nogal verhitte "Rondeau Capriccioso" vormt de overgang naar het tweede deel dat "liefdes leertijd" meekreeg ("Na één jaar leertijd als je slaaf, liefste, wil ik je heer en meester zijn.") en dat verlangens bevat, waarvan men zou vermoeden dat ze uit een vitaler tijd stammen. "Je moet daar allemaal niet zo zwaar aan tillen. Die 'heer en meester' bijvoorbeeld, dat vond ik in een boekje in Oostenrijk. En 'opstand en berusting' gaat terug op een brief naar een Nederlandse vrouw, die nogal enthousiast op een voordracht van mij had gereageerd. Ik gebruikte daarin het zinnetje 'mijn hart slaat buiten koers'. In het gedicht werd dat dan 'zijn zinnen buiten koers'. En dan dacht ik: wat rijmt er op 'koers'? En zo kwam ik op 'jaloers'. Meer moet je daar niet achter zoeken."
DOODSGEDACHTE
Pas daarna volgen de "stille gepeinzen". De eerste twee gedichten draaien al onmiddellijk rond de vraag: "Is 't waar dat schrijven mij doet blijven / heel lang nadat 'k hier ben geweest?", waaruit men gemakkelijk kan afleiden dat dit recente gedichten zijn. De doodsgedachte is hier immers prominent aanwezig ("Reizigers zijn we in de tijd... En waar de laatste stopplaats is dat weten we, dat zien we niet" of "Dan is 't jaar alweer voorbij! / Hoeveel nog resten er voor mij?" of nog "dat al die pracht niet blijft bestaan / en dat ik ook die weg zal gaan" en "'t Gaat zodanig snel, / straks trekt vriend Hein hier aan de bel"). Die doodsgedachte is overigens de aanleiding geweest om na al die jaren opnieuw te beginnen dichten: "Toen ik op een morgen naar mijn boeken zat te kijken en ik melancholisch werd omdat ik besefte dat ik ze niet allemaal meer zou kunnen herlezen, begon ik dit gevoel spontaan te verwoorden in een gedicht. En dan zat ik daar met dat ene gedicht. Ik dacht: ik kan er net zo goed een bundel van maken. En van dan af heb ik zo'n vier à vijf gedichten per maand geschreven, sommige op één uur tijd, aan andere heb ik wel veertien dagen gewerkt. Dan zijn ze blijven liggen tot mijn tachtigste verjaardag, waarna ik ze heb meegegeven met prof.Musschoot van het Cyriel Buysse Genootschap, omdat ik ze op dezelfde manier wou uitgeven als het Jaarboek van dat Genootschap." (Namelijk bij drukkerij Sanderus in Oudenaarde.)
Prosper de Smet is inderdaad ook een actief lid van het Buysse-genootschap. Zo vertelt hij dat hij de bestseller "A heart-breaking work of staggering genius" van de jonge Amerikaan Dave Eggers ter hand had genomen en "las honderd bladzijden en had al tweehonderd keer het woord Fuck ontmoet. (...) Opeens had ik er genoeg van, genoeg van al die fucks in lange dialogen van drie woorden per regel. Mijn hart werd plotseling overspoeld door een vloed van literair heimwee naar Vlaanderen." En Prosper dook opnieuw in het werk van Cyriel Buysse en gaf zijn indrukken weer in een lang opstel.
Wat nu opnieuw zijn gedichten betreft, ontwapenend is dat hij dat afschrijven van die angst via de literatuur met de nodige zelfrelativering laat gepaard gaan: "Zal 'k mij met de oude Grieken meten / of Shakespeare steken naar de kroon?" (Ook nog: "Ik werd hier ongevraagd geworpen / en onwetend zal ik gaan" of "Ik kan het niet verbergen / dat ik wat achterlijk ben.")
De conclusie is dan ook eerder: "was ik tot tellen onbekwaam / dan draaide ik zorgloos door 't heelal. Dan was de tijd oneindig groot, en onvermoed - misschien - de dood."
Al klinkt het in een vierde deel, "Zelfportret met rimpels", weer positiever: "Ach dat ik z'n gezond gelukkig baasje ben, en ik 't genot van spelen en van minnen ken!" Alhoewel: "Dat minnen heb ik er zo maar bijgezet, hoor..."
Zelfs reeds van bij zijn jeugd blijkt hij "een uitverkorene" te zijn ("hij staat naast de juffrouw!"). Maar ook hier komt de dood onvermijdelijk om de hoek gluren, wat nog pregnanter wordt door het lot van "de atheïst": "Het bedroeft mij zeer / dat ik hier gaan moet en ik nooit zal weten / wie ik, voor al wat hier zo mooi is en zo goed, / - danken moet." Al dient gezegd dat hij af en toe wel een Schepper opvoert, toch dankt hij Voltaire: "Zonder Voltaire, die met god ging in duel, was ik misschien nog bang voor 't branden in de hel."
De eigenlijke dichtbundel eindigt dan met "Vijf maal democratie", waarin voorspelbaar vijf geëngageerde gedichten staan, die echter wat naïever zijn dan het engagement dat (soms onrechtstreeks) uit gedichten in andere secties naar voren komt ("God werft aan" b.v.): "vrouwen in zwart kanten ondergoed, slapen op weelderige fortuinen wijl hun miljoenenvolk hongert".
DE DISSONANTIE ZIT VANBINNEN
Daarna komen nog enkele gedichten uit de bundels "Van den Os op den Ezel" en "Verzen met Voeten" en andere gedichten uit de periode 1935-45, die eerlijk gezegd weinig verschillen van de nieuwste. Dat is uiteraard eigenlijk een angstaanjagende gedachte, want dan blijkt De Smet niet erg geëvolueerd te zijn. Anderzijds moet hij toen misschien wel "beloftevol" geweest zijn. Een gedicht als "Verkeken kans" geeft toch die indruk. Maar misschien was de titel een omen...
"Ach, je moet weten, dat is maar een heel kleine selectie. Het grootste deel van mijn gedichten is verloren gegaan tijdens de oorlog. Maar meer ga ik daarover niet zeggen, want anders kopen de mensen mijn Mémoires niet meer."
Ook op die jeugdige leeftijd voelt De Smet zich reeds onaangepast: "ik kwam ter wereld als Gentenaar
in een land waar de hemel, laag en zwaar,
grijze stenen kweekt en een stug volk.
Ik vond hier weinigen mij verwant,
ik was heel lang een dissonant."
Die verleden tijd in het laatste vers is blijkbaar eerder "wishful thinking", want als hij even later stelt: "Misschien word 'k eens zo hard als ijzer / dat mijn hart om al die versjes bloost", dan blijkt dit (deze publicatie bewijst het) toch niet waar te zijn.
"Luister, dat ik zo'n goed contact had met mijn lezers en ook met de rest van de redactie en mijn makkers op het atelier, dat alles bewijst dat ik mij goed kan aanpassen, dat ik dus juist géén dissonant ben. Ik kan met iedereen overeenkomen. Maar tegelijk bleef ik onder alle omstandigheden, zelfs onder de meest vulgaire, bijvoorbeeld bij 'den troep' (het leger), gedichten schrijven. De dissonantie zit dus vanbinnen."
Het hoort uiteraard bij De Smets gedachtenwereld dat hij het rijm sterk beklemtoont. Zodanig zelfs dat de zinsbouw daaraan ondergeschikt wordt, zodat de taal een oubollig karakter krijgt ("al de mannen die maakten of ontdekten iets"). Maar ook dat zal wel gewild zijn. Soms maakt hij echter gewoonweg leuke fouten: zo rijmt "idylle" helemaal niet op "quadrille" ("Aan de waterkant") of "verloren" op "Café de Flore" ("Reisverdriet"). En tenslotte zijn er ook de "onvermijdelijke" zetfouten. Alhoewel zo'n woord als "strotregens" ("Duif op dak")... het heeft wel iets!
Het gedicht dat als "nawoord" werd afgedrukt, vat inderdaad het geheel goed samen. Toch vraag ik me af of De Smet daarover wel tevreden is als niet hijzelf, maar een buitenstaander deze opmerking maakt... "Ja, die 'op grootvaders wijze' is een beetje minimaliserend, nietwaar. Daarom ook dat ik het achteraan heb geplaatst in plaats van vooraan, zoals ik eerst van plan was. Tenslotte heeft iemand als Christine D'Haen toch reeds met lof over mij gesproken! Maar zichzelf relativeren is beter dan een dikke nek hebben."
Binnenkort verschijnt van Prosper De Smet reeds een nieuw boek. In "Home Sint-Jozef" heeft hij een twintigtal gedichten "over de oude dag" gebundeld. In het tijdschrift "Kreatief" verschijnen bovendien zijn herinneringen aan Louis Paul Boon. Deze herinneringen zouden ongetwijfeld ook weerkeren in zijn mémoires, waaraan hij op dat moment nog volop aan het werken was.
"Zo hoop ik, als ik hier
mijn hoofd kom neer te leggen
dat men van mij zal zeggen:
hij was niemand tot last,
hij had zijn rare kanten
maar 't was een goede gast."
(Zelfportret met rimpels)
"Gekke gedachten, stille gepeinzen" werd in eigen beheer uitgegeven (er werden er slechts 250 gedrukt!), maar moet in principe in de betere boekhandel te verkrijgen zijn.
Ronny DE SCHEPPER
In de jaren vijftig was hij tot het besluit gekomen dat zijn poëzie niet goed genoeg was. Veertig jaar lang beperkte hij zich tot proza, maar enkele jaren geleden begon de muze van de poëzie hem opnieuw te kietelen. "Gekke gedachten, stille gepeinzen" is het resultaat.
Aangezien de bundel ook een kleine keuze uit zijn jeugdwerk (1935-1945) bevat, kunnen we vaststellen dat er niet zo heel veel verschil is tussen Polke Pluim, zoals hij zich toen liet noemen, en P.Pluym, waarmee hij nu zijn wekelijkse column in de krant "De Morgen" ondertekent.
Begonnen als letterzetter bij "Vooruit", begon hij in 1953 ook de lay-out te verzorgen van de politieke bladen die op dezelfde persen werden gedrukt. Daar hij ook reeds humoristische bijdragen schreef voor het personeelsblad "Cicero" (de breedte van de kolommen werd in die maat uitgedrukt) werd hij middenin een Ronde van Frankrijk opgevorderd om een cursiefjesschrijver te vervangen, die het liet afweten. Zo werd de rubriek "ernst en luim met Polke Pluim" geboren.
Aangezien zijn stukjes aansloegen bij de lezers, kreeg hij in 1960 een dagelijks rubriekje op de regionale bladzijden ("tegen 50 fr. per dag, pas vanaf De Morgen ben ik behoorlijk betaald"), terwijl hij bleef werken als letterzetter. Hij "krabbelde" zijn stukje dagelijks bijeen tijdens de lunchpauze op een blad dat uit een ruitjesschrift was gescheurd ("precies de juiste lengte") en het kreeg dan ook de toepasselijke naam mee "in de krabbel".
"In het begin had ik vooral succes bij de huisvrouwen, omdat ik vaak over mijn kinderen en later over mijn kleinkinderen schreef. Omdat dit rubriekje een ernstiger toon aansloeg dan wat ik op de sportbladzijden schreef, veranderde ik de ondertekening in P.Pluym, waarbij de P. ook voor Prosper kon staan, maar de mensen bleven mij Polke noemen."
PALEISREVOLUTIES
Toen in 1978 een opvolger werd gezocht voor Louis Paul Boon was hij reeds zo populair dat hij zonder discussie de aangewezen man was. "Ik krijg nu vaak mensen over de vloer die mij zeggen: u was toch wel erg fier dat u Louis Paul Boon mocht opvolgen? Maar ik was even populair als Louis. De mensen noemden ons meestal in één adem: Boontje en Pluimke. Dat was dus de normaalste zaak ter wereld."
Toen de socialistische Vooruit in 1978 opging in de progressieve Morgen werd hij werd niet weggecensureerd, zelfs nog tot 1990 bleef zijn rubriekje dagelijks verschijnen. "De lezers hebben mij altijd gered. Dat was al zo van in het begin toen het nog op de sportbladzijden verscheen en de toenmalige hoofdredacteur Roger Cneut het soms liet vallen. Op die manier heb ik vijf paleisrevoluties overleefd!"
Toen hij met pensioen ging, werd het na verloop van tijd herleid tot een wekelijkse bijdrage. "Eerst verscheen het nog drie keer per week, maar aangezien er geen vaste plaats meer voor voorzien was, gebeurde het dat het slechts twee keer verscheen of zo. Toen ben ik eens naar de redactie gestapt en hebben we afgesproken dat het nog slechts wekelijks zou verschijnen, maar dan wel op een vaste plaats. Dat is nu op de opiniebladzijde, wat ik eigenlijk wel een beetje jammer vind, want ik vermijd juist controversiële onderwerpen."
Ondertussen had hij zich ("tijdens de weekends") ook vol overgave op de literatuur (vaak in eigen beheer uitgegeven) gesmeten. Zo zijn er de romans "De ontploffing" (1957), "In het partijlokaal", "De Griek op het vliegveld van Herrenhausen", "Het geweer zonder kogels" en "De verzoening" (1990), het toneelstuk "De ondernemingsraad" en het verhalend gedicht "Aan de voet van 't Gravensteen".
Zijn bekendste werk is ongetwijfeld "Oproer in het weeshuis" (1985) over zijn verblijf bij de "kulders", in het weeshuis. Niet dat hij een wees was, maar toen zijn vader (eerst dokwerker, nadien klusjesman in een fabriek) jong stierf, werd hij door zijn moeder, die zelf ook op een pantoffelfabriek werkte, daar naartoe gestuurd.
MUZIEKBARBAREN
Maar terug naar de poëzie...
Zoals men kan veronderstellen bij een bundel die "Gekke gedachten, stille gepeinzen" heet, valt hij uiteen in verschillende delen. Maar het zijn er meer dan twee...
Eerst zijn er wel de "gekke gedachten": over hoe hij bij de fanfare pas derde bugel was en hoe hij zich nu nog altijd zo klein voelt in de fanfare van het leven. Al droomt hij in een volgend vers (naar aanleiding van een schilderij in de winterzon) al meteen dat "de mooiste vrouw" aan zijn voeten knielt om "haar zoetste zonden" te biechten. Het slotvers van alweer het daaropvolgende gedicht vat deze tegenstelling netjes samen: "grootse plannen smeden: ik ga het al verslaan! - en 's avonds is er niets gedaan".
Prosper De Smet heeft nog altijd het naïeve engagement van de eerste socialisten ("Gebed"), al zijn daar soms vreemde wensen bijgekomen: "geen voetbal meer spelen" bijvoorbeeld! (Ook in "Aan de waterkant", waaruit het fragment boven dit stuk komt, komt het voor naast "dolgedrugde dronken scharen" die "muziekbarbaren bejubelen".)
Soms komt er uit die naïviteit wel een mooi beeld voort. Verwijzend naar het tweespalt tussen mensen die zo zorg dragen voor hun huisdier, maar amper mensen met een andere huidskleur kunnen velen, merkt hij op dat het toch veel beter zou gaan als deze ook "braafjes aan de leiband (zouden) lopen" en "als 't gevraagd wordt pootjes geven".
Anderzijds kan de vermenging van beeldspraak soms tot minder geslaagde wendingen aanleiding zijn. Hoe zou hij anders kunnen treuren: "wit-zwart was in mijn tijd de cinema en nu is 't allemaal in kleuren"? (een echo van het jeugdgedicht "Western").
Prosper: "Maar dat is helemaal niet symbolisch bedoeld, je moet daar allemaal niet zoveel achter zoeken!"
Of moeten we dan toch veronderstellen dat hij het meent als hij schrijft: "Eens was ik een rebel, nu ben ik conservatief"?
Prosper: "Dat is toch de realiteit? Denk ook aan dat andere gedicht: "als slaven kinderen in een mijn. / gekeelde mensen als een zwijn. / En ik zit hier gelukkig te zijn." ("Wat gaat er mis?")
Het nogal verhitte "Rondeau Capriccioso" vormt de overgang naar het tweede deel dat "liefdes leertijd" meekreeg ("Na één jaar leertijd als je slaaf, liefste, wil ik je heer en meester zijn.") en dat verlangens bevat, waarvan men zou vermoeden dat ze uit een vitaler tijd stammen. "Je moet daar allemaal niet zo zwaar aan tillen. Die 'heer en meester' bijvoorbeeld, dat vond ik in een boekje in Oostenrijk. En 'opstand en berusting' gaat terug op een brief naar een Nederlandse vrouw, die nogal enthousiast op een voordracht van mij had gereageerd. Ik gebruikte daarin het zinnetje 'mijn hart slaat buiten koers'. In het gedicht werd dat dan 'zijn zinnen buiten koers'. En dan dacht ik: wat rijmt er op 'koers'? En zo kwam ik op 'jaloers'. Meer moet je daar niet achter zoeken."
DOODSGEDACHTE
Pas daarna volgen de "stille gepeinzen". De eerste twee gedichten draaien al onmiddellijk rond de vraag: "Is 't waar dat schrijven mij doet blijven / heel lang nadat 'k hier ben geweest?", waaruit men gemakkelijk kan afleiden dat dit recente gedichten zijn. De doodsgedachte is hier immers prominent aanwezig ("Reizigers zijn we in de tijd... En waar de laatste stopplaats is dat weten we, dat zien we niet" of "Dan is 't jaar alweer voorbij! / Hoeveel nog resten er voor mij?" of nog "dat al die pracht niet blijft bestaan / en dat ik ook die weg zal gaan" en "'t Gaat zodanig snel, / straks trekt vriend Hein hier aan de bel"). Die doodsgedachte is overigens de aanleiding geweest om na al die jaren opnieuw te beginnen dichten: "Toen ik op een morgen naar mijn boeken zat te kijken en ik melancholisch werd omdat ik besefte dat ik ze niet allemaal meer zou kunnen herlezen, begon ik dit gevoel spontaan te verwoorden in een gedicht. En dan zat ik daar met dat ene gedicht. Ik dacht: ik kan er net zo goed een bundel van maken. En van dan af heb ik zo'n vier à vijf gedichten per maand geschreven, sommige op één uur tijd, aan andere heb ik wel veertien dagen gewerkt. Dan zijn ze blijven liggen tot mijn tachtigste verjaardag, waarna ik ze heb meegegeven met prof.Musschoot van het Cyriel Buysse Genootschap, omdat ik ze op dezelfde manier wou uitgeven als het Jaarboek van dat Genootschap." (Namelijk bij drukkerij Sanderus in Oudenaarde.)
Prosper de Smet is inderdaad ook een actief lid van het Buysse-genootschap. Zo vertelt hij dat hij de bestseller "A heart-breaking work of staggering genius" van de jonge Amerikaan Dave Eggers ter hand had genomen en "las honderd bladzijden en had al tweehonderd keer het woord Fuck ontmoet. (...) Opeens had ik er genoeg van, genoeg van al die fucks in lange dialogen van drie woorden per regel. Mijn hart werd plotseling overspoeld door een vloed van literair heimwee naar Vlaanderen." En Prosper dook opnieuw in het werk van Cyriel Buysse en gaf zijn indrukken weer in een lang opstel.
Wat nu opnieuw zijn gedichten betreft, ontwapenend is dat hij dat afschrijven van die angst via de literatuur met de nodige zelfrelativering laat gepaard gaan: "Zal 'k mij met de oude Grieken meten / of Shakespeare steken naar de kroon?" (Ook nog: "Ik werd hier ongevraagd geworpen / en onwetend zal ik gaan" of "Ik kan het niet verbergen / dat ik wat achterlijk ben.")
De conclusie is dan ook eerder: "was ik tot tellen onbekwaam / dan draaide ik zorgloos door 't heelal. Dan was de tijd oneindig groot, en onvermoed - misschien - de dood."
Al klinkt het in een vierde deel, "Zelfportret met rimpels", weer positiever: "Ach dat ik z'n gezond gelukkig baasje ben, en ik 't genot van spelen en van minnen ken!" Alhoewel: "Dat minnen heb ik er zo maar bijgezet, hoor..."
Zelfs reeds van bij zijn jeugd blijkt hij "een uitverkorene" te zijn ("hij staat naast de juffrouw!"). Maar ook hier komt de dood onvermijdelijk om de hoek gluren, wat nog pregnanter wordt door het lot van "de atheïst": "Het bedroeft mij zeer / dat ik hier gaan moet en ik nooit zal weten / wie ik, voor al wat hier zo mooi is en zo goed, / - danken moet." Al dient gezegd dat hij af en toe wel een Schepper opvoert, toch dankt hij Voltaire: "Zonder Voltaire, die met god ging in duel, was ik misschien nog bang voor 't branden in de hel."
De eigenlijke dichtbundel eindigt dan met "Vijf maal democratie", waarin voorspelbaar vijf geëngageerde gedichten staan, die echter wat naïever zijn dan het engagement dat (soms onrechtstreeks) uit gedichten in andere secties naar voren komt ("God werft aan" b.v.): "vrouwen in zwart kanten ondergoed, slapen op weelderige fortuinen wijl hun miljoenenvolk hongert".
DE DISSONANTIE ZIT VANBINNEN
Daarna komen nog enkele gedichten uit de bundels "Van den Os op den Ezel" en "Verzen met Voeten" en andere gedichten uit de periode 1935-45, die eerlijk gezegd weinig verschillen van de nieuwste. Dat is uiteraard eigenlijk een angstaanjagende gedachte, want dan blijkt De Smet niet erg geëvolueerd te zijn. Anderzijds moet hij toen misschien wel "beloftevol" geweest zijn. Een gedicht als "Verkeken kans" geeft toch die indruk. Maar misschien was de titel een omen...
"Ach, je moet weten, dat is maar een heel kleine selectie. Het grootste deel van mijn gedichten is verloren gegaan tijdens de oorlog. Maar meer ga ik daarover niet zeggen, want anders kopen de mensen mijn Mémoires niet meer."
Ook op die jeugdige leeftijd voelt De Smet zich reeds onaangepast: "ik kwam ter wereld als Gentenaar
in een land waar de hemel, laag en zwaar,
grijze stenen kweekt en een stug volk.
Ik vond hier weinigen mij verwant,
ik was heel lang een dissonant."
Die verleden tijd in het laatste vers is blijkbaar eerder "wishful thinking", want als hij even later stelt: "Misschien word 'k eens zo hard als ijzer / dat mijn hart om al die versjes bloost", dan blijkt dit (deze publicatie bewijst het) toch niet waar te zijn.
"Luister, dat ik zo'n goed contact had met mijn lezers en ook met de rest van de redactie en mijn makkers op het atelier, dat alles bewijst dat ik mij goed kan aanpassen, dat ik dus juist géén dissonant ben. Ik kan met iedereen overeenkomen. Maar tegelijk bleef ik onder alle omstandigheden, zelfs onder de meest vulgaire, bijvoorbeeld bij 'den troep' (het leger), gedichten schrijven. De dissonantie zit dus vanbinnen."
Het hoort uiteraard bij De Smets gedachtenwereld dat hij het rijm sterk beklemtoont. Zodanig zelfs dat de zinsbouw daaraan ondergeschikt wordt, zodat de taal een oubollig karakter krijgt ("al de mannen die maakten of ontdekten iets"). Maar ook dat zal wel gewild zijn. Soms maakt hij echter gewoonweg leuke fouten: zo rijmt "idylle" helemaal niet op "quadrille" ("Aan de waterkant") of "verloren" op "Café de Flore" ("Reisverdriet"). En tenslotte zijn er ook de "onvermijdelijke" zetfouten. Alhoewel zo'n woord als "strotregens" ("Duif op dak")... het heeft wel iets!
Het gedicht dat als "nawoord" werd afgedrukt, vat inderdaad het geheel goed samen. Toch vraag ik me af of De Smet daarover wel tevreden is als niet hijzelf, maar een buitenstaander deze opmerking maakt... "Ja, die 'op grootvaders wijze' is een beetje minimaliserend, nietwaar. Daarom ook dat ik het achteraan heb geplaatst in plaats van vooraan, zoals ik eerst van plan was. Tenslotte heeft iemand als Christine D'Haen toch reeds met lof over mij gesproken! Maar zichzelf relativeren is beter dan een dikke nek hebben."
Binnenkort verschijnt van Prosper De Smet reeds een nieuw boek. In "Home Sint-Jozef" heeft hij een twintigtal gedichten "over de oude dag" gebundeld. In het tijdschrift "Kreatief" verschijnen bovendien zijn herinneringen aan Louis Paul Boon. Deze herinneringen zouden ongetwijfeld ook weerkeren in zijn mémoires, waaraan hij op dat moment nog volop aan het werken was.
"Zo hoop ik, als ik hier
mijn hoofd kom neer te leggen
dat men van mij zal zeggen:
hij was niemand tot last,
hij had zijn rare kanten
maar 't was een goede gast."
(Zelfportret met rimpels)
"Gekke gedachten, stille gepeinzen" werd in eigen beheer uitgegeven (er werden er slechts 250 gedrukt!), maar moet in principe in de betere boekhandel te verkrijgen zijn.
Ronny DE SCHEPPER
donderdag 20 december 2007
Gerard Walschap
Gerard Walschap (Londerzeel 9 juli 1898 ‑ Antwerpen 25 oktober 1989) kwam in 1921 na een mislukte priesteropleiding in zijn geboortedorp terug. Er was toen iets 'wereldschokkends' met de jonge Walschap gebeurd: 'Ik heb dan ingezien dat ik eigenlijk niets dan flauwe dingen geleerd had en dat de mensen daar in Londerzeel even wijs waren als ik, die van kleins af in de boeken gezeten had. Die terugkeer tot het volk, is de grote schok in mijn leven geweest. Vandaar dat streven naar eenvoud en een zekere lust om uit te dagen, een drang om te tarten, om de geleerden uit te lachen en al diegenen die plechtig doen.'
Bij zijn debuut (met tranerige poëzie zoals Liederen van Leed uit 1923 en De loutering uit 1925) was Walschap destijds overigens ook grondig gekraakt door Paul van Ostayen, maar dat had hem dan in de richting van de roman gedreven, een genre waarin hij tot 1957 ("De Française") toch een aantal meesterwerken heeft afgeleverd, te beginnen met de humanitair-expressionistische roman "Waldo" (1928).
Grote bekendheid verwierf “Adelaïde” (1929), de eerste van een reeks opmerkelijke psychologische romans, waarmee hij dit genre in het Nederlandse taalgebied vernieuwde.
De eerste cyclus van deze romans, “De familie Roothooft” (1939), bestaande uit een herdruk van “Adelaïde”, “Eric” (1931) en “Carla” (1933), was katholiek bedoeld, maar werd door een deel van de clerus slecht bejegend, hetgeen bij de schrijver een gekwetste vervreemding tegenover de kerk teweegbracht, die na jaren van eenzame twijfel zou leiden tot vrijzinnigheid, afwisselend agressief en tolerant. Het eerste voorbeeld daarvan is “Celibaat” (1934) dat in een bewerking van Tom Lanoye door het NTG werd gespeeld (première 24 maart 2001).
De katholieke kerk reageert verontwaardigd. Zijn jeugdvriend en pastoor Jan Hammenecker stelt het als volgt: "Beste Gerard, hebt Gij dit geschreven? Gij? Zoon van Uw Vader en Moeder? En uw kinderen, als ze dat later lezen: Vader was nondedju 'ne smeerlap, of hoe zullen ze vloeken?"
"Celibaat is een naar en drukkend boek, het is een bevrijding de laatste bladzijde dicht te slaan. Het mist alle spiritualiteit en gaat onder in drift, verdoving en erotische aberratie. Dit boek is een trieste, wormstekige vrucht." (Boekenschouw, 1935)
"Ons volk heeft niets aan zulk een boek, het weze dan nog een monument. En onze studerende jeugd neme het niet ter hand. Zedelijk misvormde 'heerkens' stoot het uit. Er zijn prachtmensen ook." (E.V.D., De Nieuwe Kempen)
Toch kon Walschap ook rekenen op medestanders in het katholieke kamp, zoals Anton Van Duinkerken en Gerard Knuvelder in het Noorden en bij ons Urbain Van de Voorde en André Demedts - overigens allerminst progressieve figuren, maar intelligent en integer genoeg om het talent en de eerlijkheid van Walschap naar waarde te schatten.
Een vrijzinnige als Jan Greshoff schaarde zich daarentegen dan weer in het kamp van de tegenstanders: "Celibaat is het karakteristieke voorbeeld van wat men 'un faux chef‑d'oeuvre' heet." (in De Arnemsche Courant)
Ook Willem Elsschot kon de "ontkerstende" Gerard Walschap niet uitstaan. Volgens Carla Walschap was dat omwille van "misverstanden". Zo b.v. de geweigerde vertaling van "Genezing door aspirine" (1943) in het Frans door Elsschot. Of het feit dat Elsschot geen lid mocht worden van de KVA. Tweemaal legde Elsschot hiervoor de schuld bij Walschap. Erger was dat, toen ze in het begin van de jaren vijftig in dezelfde straat woonden, zoon Lieven Walschap verliefd werd op dochter Anna Elsschot. Op de koop toe was Lieven slechts 18 en Anna 36. Bovendien liep ze doorgaans dronken en Lieven Walschap was goed op weg haar voorbeeld te volgen, tot vader Walschap zijn zoon zozeer rond zijn oren zaagde dat die uiteindelijk met een nicht van Anna is getrouwd. De zoon van Elsschot zegt dan weer dat Walschap en zijn vader in die tijd geregeld bij elkaar in de brievenbus gingen plassen. Johan Anthierens heeft echter "wetenschappelijk" vastgesteld dat dit een legende is: de bussen zijn te hoog geplaatst...
Maar goed, we hadden het eigenlijk over “Celibaat”. Waarover gaat dit boek nu eigenlijk?
Ooit voerde het geslacht d'Hertenfeldt een heus schrikbewind in het dorp. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog doet de laatste telg van het geslacht, André, er zijn blijde intrede. Het Heerke Andreeke is alles wat zijn voorvaderen niet waren: in niets doortastend en vooral bereid tot goede werken. Achter deze façade zit echter een heel ander persoon met wrede en sadistische natuur.
“Het was een dik opgeblazen bleek kind, ros, met een waterhoofd. Het vroeg naar zijn zondagse bloek, moest zijn welk maken en iemand die loog was een leuneer. Het dierf niemand in de ogen kijken. Het kon in de school niets leren. Sprak de meester het bars toe, dan stotterde het. Maar het schreide nooit en toen het negen was, heeft het zijn kanarievogel uitgehongerd door er tweemaal daags aan de meiden zaad en water voor te vragen en dat listig in de w.c. te werpen. Zo belette hij dat de meiden naar het vogeltje omkeken en toen het dood lag had hij een heimelijk en diep plezier.”
In “Celibaat” staat de kanarie symbool voor de eenzaamheid. Walschap laat de pastoor aan het Heerken vertellen hoe belangrijk het is om een compagnon te hebben: "André, kan ik u eens onder vier ogen spreken? Mannen ondereen? Ik zal het u kort en bondig zeggen, in de vorm van een parabel. Tot voor kort had ik een kanarie. Nu ben ik zelfs die kwijt. En dat knaagt André. De bijbel zegt het al: Wee de eenzame. Het is een toestand die niet deugt. Verstaat ge wat ik wil zeggen? Ook de vrouw is een zangvogel, André. Zij brengt vreugde in huis, en licht. Het moet op dat schoon kasteelke van u soms triestig zijn. De man die zich opoffert voor het welzijn van heel het dorp, verdient zelf toch ook een huis te hebben waar het geluk heerst. Verstaat ge het nu?"
Maar de achterdocht die André koestert, wijkt ook niet voor Ursule, de vrouw die hij bemint: “Brengt haar in het donker naar zijn kamer, hij zal haar dan wel meester zijn. Ze zal weten dat hij sterk en hardvochtig is. Hij zal het haar zeggen: Hij gelooft in god noch duivel, hij is bang voor niets en van u wil hij plezier.”
Pas wanneer hij verminkt, met een stukgeschoten gezicht en op sterven na dood, terugkeert uit de oorlog is hij bevrijd: “Als de God waaraan André niet gelooft, bestaat, dan heeft hij hem met een obus op zijn smoel geslagen om te zeggen: hebt ge nu genoeg?”
“Celibaat” gaat over het masker dat iemand draagt en het verlies daarvan. Over de spanning tussen wat er letterlijk gezegd en in werkelijkheid gedacht wordt, over stukgeslagen illusies, over het spreken als een vorm van niet‑spreken. Over pluimstrijken en konkelfoezen, en ook en vooral over eenzaamheid...
In 1986 schrijft Tom Lanoye aan Walschap een brief: "Had dan toch in het Engels geschreven, Gerard! 'De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas' zou al tien keer verfilmd zijn geweest door Dino de Laurentiis. Maar het meest hou ik van 'Celibaat', te verfilmen door Scorsese, naar een scenariobewerking van Schrader. Akkoord, het heeft zijn titel tegen. Ik dacht ook dat het over lesbische nonnen zou gaan. Maar niets daarvan." (Uit Vrij Nederland, 24 mei 1986)
Tegenover denkproblematiek en geciviliseerde maatschappij staat Walschap in een deel van zijn oeuvre rationalistisch positief; in een ander deel, o.a. in “Sibylle” (1938) en “Bejegening van Christus” (1940), wordt de ratio als destructief en elke cultureel‑maatschappelijke binding als een ondraaglijk juk beschouwd. Zo verheerlijkt Walschap de eenvoud en geborgenheid in het primitieve volkse leven (Volk, 1930; De dood in het dorp, 1930; De wereld van Soo Moereman, 1941), de agressieve vrijheid tegenover alle maatschappelijke normen (Het kind, 1939; De consul, 1943) of de probleemloze vrijheid in Houtekiet (1939), één van zijn meesterwerken.
Naast psychologische romans schreef hij ook probleemromans ("Zuster Virgilia" uit 1951 deed zelfs Etienne Vermeersch zijn geloof even verliezen), sociaal‑politieke, koloniale romans (Oproer in Congo, 1953), avonturenromans (De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas, 1960) en modernistische romans (Het gastmaal, 1966; Het avondmaal, 1968). Walschap heeft in het Nederlandse proza een eigen stijl geschapen, die door directe zakelijkheid, een soms overrompelend ritme, laconieke plasticiteit, syntactische vrijheden en pittig gebruik van de Brabantse volkstaal een zeer sterke kracht bezit.
In 1955 verscheen van Walschap "Salut en merci" wat door L.P.Boon werd bestempeld als "een heroïsch gevecht met bagatellen", terwijl "De muur" (Jos Vandeloo) eigenlijk plagiaat is van "Het kleine meisje en ik" van Gerard Walschap uit 1953. In 1969 is Gerard Walschap in het pamflet "De culturele repressie" woordvoerder was van een generatie (Piet Van Aken, Hubert Lampo, Ward Ruyslinck) die had afgedaan. Walschap had zich b.v. aan de kant van de Amerikanen geschaard wat de oorlog in Vietnam aangaat en boeken als "De verloren zoon" (1958), "De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas" (1960) en "Nieuw Deps" (1961) waren eerder liberaal dan socialistisch van inslag.
Sommige literair-historici rekenen “Tilman Armenaas” tot de pikareske of schelmenroman, waarvan het volksboek van Tijl Uilenspiegel in de Nederlandse literatuur als prototype mag gelden. Qua vorm mag deze typering misschien nog gerechtvaardigd zijn door de heterogene verteltrant (kaderverhaal met parabels, interviews, redevoeringen, flashbacks, allegorieën enz.), maar wat de inhoud betreft gaat dit niet op, vooral voor de hoofdfiguur zelf: Tilman is geen Tijl, man!
Literair-technisch gezien is hij eerst en vooral een “round character” (p.192) i.p.v. het gebruikelijke “flat character” (zwart-wit tekening; de goeden en de slechten). Ideologisch is hij geen schelm maar, net als zijn geestelijke vader die duidelijk door zijn mond spreekt, een biefstukkensocialist.
In die hoedanigheid is het werk dan ook de bijbel van het reformisme, die bol staat van anticommunistische uitlatingen (p.158, 172). In die hoedanigheid kan hij ook de lof van het kapitalisme zingen (p.334), verder aangevuld met conservatieve uitlatingen b.v. over de vrouwen (p.228).
Als je dit werk dan toch per se zou willen klasseren onder een klassiek genre, dan zou ik eerder het leerdicht willen suggereren. Niet alleen wegens de sterk moraliserende inslag, maar ook vanwege de grote eruditie die de schrijver ten toon spreidt.
Al mijn negatieve opmerkingen kunnen immers niet wegnemen dat men inderdaad nooit “ook maar de kleinste kans krijgt om zijn aandacht te laten verslappen”. Een turf van 344 blz. kan men niet “in één ruk” uitlezen, maar men legt het boek toch steeds met tegenzin terzijde. In zijn ouw' dagen is Walschap nog steeds een boeiend, maar reactionair verteller.
Ronny De Schepper
Bij zijn debuut (met tranerige poëzie zoals Liederen van Leed uit 1923 en De loutering uit 1925) was Walschap destijds overigens ook grondig gekraakt door Paul van Ostayen, maar dat had hem dan in de richting van de roman gedreven, een genre waarin hij tot 1957 ("De Française") toch een aantal meesterwerken heeft afgeleverd, te beginnen met de humanitair-expressionistische roman "Waldo" (1928).
Grote bekendheid verwierf “Adelaïde” (1929), de eerste van een reeks opmerkelijke psychologische romans, waarmee hij dit genre in het Nederlandse taalgebied vernieuwde.
De eerste cyclus van deze romans, “De familie Roothooft” (1939), bestaande uit een herdruk van “Adelaïde”, “Eric” (1931) en “Carla” (1933), was katholiek bedoeld, maar werd door een deel van de clerus slecht bejegend, hetgeen bij de schrijver een gekwetste vervreemding tegenover de kerk teweegbracht, die na jaren van eenzame twijfel zou leiden tot vrijzinnigheid, afwisselend agressief en tolerant. Het eerste voorbeeld daarvan is “Celibaat” (1934) dat in een bewerking van Tom Lanoye door het NTG werd gespeeld (première 24 maart 2001).
De katholieke kerk reageert verontwaardigd. Zijn jeugdvriend en pastoor Jan Hammenecker stelt het als volgt: "Beste Gerard, hebt Gij dit geschreven? Gij? Zoon van Uw Vader en Moeder? En uw kinderen, als ze dat later lezen: Vader was nondedju 'ne smeerlap, of hoe zullen ze vloeken?"
"Celibaat is een naar en drukkend boek, het is een bevrijding de laatste bladzijde dicht te slaan. Het mist alle spiritualiteit en gaat onder in drift, verdoving en erotische aberratie. Dit boek is een trieste, wormstekige vrucht." (Boekenschouw, 1935)
"Ons volk heeft niets aan zulk een boek, het weze dan nog een monument. En onze studerende jeugd neme het niet ter hand. Zedelijk misvormde 'heerkens' stoot het uit. Er zijn prachtmensen ook." (E.V.D., De Nieuwe Kempen)
Toch kon Walschap ook rekenen op medestanders in het katholieke kamp, zoals Anton Van Duinkerken en Gerard Knuvelder in het Noorden en bij ons Urbain Van de Voorde en André Demedts - overigens allerminst progressieve figuren, maar intelligent en integer genoeg om het talent en de eerlijkheid van Walschap naar waarde te schatten.
Een vrijzinnige als Jan Greshoff schaarde zich daarentegen dan weer in het kamp van de tegenstanders: "Celibaat is het karakteristieke voorbeeld van wat men 'un faux chef‑d'oeuvre' heet." (in De Arnemsche Courant)
Ook Willem Elsschot kon de "ontkerstende" Gerard Walschap niet uitstaan. Volgens Carla Walschap was dat omwille van "misverstanden". Zo b.v. de geweigerde vertaling van "Genezing door aspirine" (1943) in het Frans door Elsschot. Of het feit dat Elsschot geen lid mocht worden van de KVA. Tweemaal legde Elsschot hiervoor de schuld bij Walschap. Erger was dat, toen ze in het begin van de jaren vijftig in dezelfde straat woonden, zoon Lieven Walschap verliefd werd op dochter Anna Elsschot. Op de koop toe was Lieven slechts 18 en Anna 36. Bovendien liep ze doorgaans dronken en Lieven Walschap was goed op weg haar voorbeeld te volgen, tot vader Walschap zijn zoon zozeer rond zijn oren zaagde dat die uiteindelijk met een nicht van Anna is getrouwd. De zoon van Elsschot zegt dan weer dat Walschap en zijn vader in die tijd geregeld bij elkaar in de brievenbus gingen plassen. Johan Anthierens heeft echter "wetenschappelijk" vastgesteld dat dit een legende is: de bussen zijn te hoog geplaatst...
Maar goed, we hadden het eigenlijk over “Celibaat”. Waarover gaat dit boek nu eigenlijk?
Ooit voerde het geslacht d'Hertenfeldt een heus schrikbewind in het dorp. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog doet de laatste telg van het geslacht, André, er zijn blijde intrede. Het Heerke Andreeke is alles wat zijn voorvaderen niet waren: in niets doortastend en vooral bereid tot goede werken. Achter deze façade zit echter een heel ander persoon met wrede en sadistische natuur.
“Het was een dik opgeblazen bleek kind, ros, met een waterhoofd. Het vroeg naar zijn zondagse bloek, moest zijn welk maken en iemand die loog was een leuneer. Het dierf niemand in de ogen kijken. Het kon in de school niets leren. Sprak de meester het bars toe, dan stotterde het. Maar het schreide nooit en toen het negen was, heeft het zijn kanarievogel uitgehongerd door er tweemaal daags aan de meiden zaad en water voor te vragen en dat listig in de w.c. te werpen. Zo belette hij dat de meiden naar het vogeltje omkeken en toen het dood lag had hij een heimelijk en diep plezier.”
In “Celibaat” staat de kanarie symbool voor de eenzaamheid. Walschap laat de pastoor aan het Heerken vertellen hoe belangrijk het is om een compagnon te hebben: "André, kan ik u eens onder vier ogen spreken? Mannen ondereen? Ik zal het u kort en bondig zeggen, in de vorm van een parabel. Tot voor kort had ik een kanarie. Nu ben ik zelfs die kwijt. En dat knaagt André. De bijbel zegt het al: Wee de eenzame. Het is een toestand die niet deugt. Verstaat ge wat ik wil zeggen? Ook de vrouw is een zangvogel, André. Zij brengt vreugde in huis, en licht. Het moet op dat schoon kasteelke van u soms triestig zijn. De man die zich opoffert voor het welzijn van heel het dorp, verdient zelf toch ook een huis te hebben waar het geluk heerst. Verstaat ge het nu?"
Maar de achterdocht die André koestert, wijkt ook niet voor Ursule, de vrouw die hij bemint: “Brengt haar in het donker naar zijn kamer, hij zal haar dan wel meester zijn. Ze zal weten dat hij sterk en hardvochtig is. Hij zal het haar zeggen: Hij gelooft in god noch duivel, hij is bang voor niets en van u wil hij plezier.”
Pas wanneer hij verminkt, met een stukgeschoten gezicht en op sterven na dood, terugkeert uit de oorlog is hij bevrijd: “Als de God waaraan André niet gelooft, bestaat, dan heeft hij hem met een obus op zijn smoel geslagen om te zeggen: hebt ge nu genoeg?”
“Celibaat” gaat over het masker dat iemand draagt en het verlies daarvan. Over de spanning tussen wat er letterlijk gezegd en in werkelijkheid gedacht wordt, over stukgeslagen illusies, over het spreken als een vorm van niet‑spreken. Over pluimstrijken en konkelfoezen, en ook en vooral over eenzaamheid...
In 1986 schrijft Tom Lanoye aan Walschap een brief: "Had dan toch in het Engels geschreven, Gerard! 'De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas' zou al tien keer verfilmd zijn geweest door Dino de Laurentiis. Maar het meest hou ik van 'Celibaat', te verfilmen door Scorsese, naar een scenariobewerking van Schrader. Akkoord, het heeft zijn titel tegen. Ik dacht ook dat het over lesbische nonnen zou gaan. Maar niets daarvan." (Uit Vrij Nederland, 24 mei 1986)
Tegenover denkproblematiek en geciviliseerde maatschappij staat Walschap in een deel van zijn oeuvre rationalistisch positief; in een ander deel, o.a. in “Sibylle” (1938) en “Bejegening van Christus” (1940), wordt de ratio als destructief en elke cultureel‑maatschappelijke binding als een ondraaglijk juk beschouwd. Zo verheerlijkt Walschap de eenvoud en geborgenheid in het primitieve volkse leven (Volk, 1930; De dood in het dorp, 1930; De wereld van Soo Moereman, 1941), de agressieve vrijheid tegenover alle maatschappelijke normen (Het kind, 1939; De consul, 1943) of de probleemloze vrijheid in Houtekiet (1939), één van zijn meesterwerken.
Naast psychologische romans schreef hij ook probleemromans ("Zuster Virgilia" uit 1951 deed zelfs Etienne Vermeersch zijn geloof even verliezen), sociaal‑politieke, koloniale romans (Oproer in Congo, 1953), avonturenromans (De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas, 1960) en modernistische romans (Het gastmaal, 1966; Het avondmaal, 1968). Walschap heeft in het Nederlandse proza een eigen stijl geschapen, die door directe zakelijkheid, een soms overrompelend ritme, laconieke plasticiteit, syntactische vrijheden en pittig gebruik van de Brabantse volkstaal een zeer sterke kracht bezit.
In 1955 verscheen van Walschap "Salut en merci" wat door L.P.Boon werd bestempeld als "een heroïsch gevecht met bagatellen", terwijl "De muur" (Jos Vandeloo) eigenlijk plagiaat is van "Het kleine meisje en ik" van Gerard Walschap uit 1953. In 1969 is Gerard Walschap in het pamflet "De culturele repressie" woordvoerder was van een generatie (Piet Van Aken, Hubert Lampo, Ward Ruyslinck) die had afgedaan. Walschap had zich b.v. aan de kant van de Amerikanen geschaard wat de oorlog in Vietnam aangaat en boeken als "De verloren zoon" (1958), "De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas" (1960) en "Nieuw Deps" (1961) waren eerder liberaal dan socialistisch van inslag.
Sommige literair-historici rekenen “Tilman Armenaas” tot de pikareske of schelmenroman, waarvan het volksboek van Tijl Uilenspiegel in de Nederlandse literatuur als prototype mag gelden. Qua vorm mag deze typering misschien nog gerechtvaardigd zijn door de heterogene verteltrant (kaderverhaal met parabels, interviews, redevoeringen, flashbacks, allegorieën enz.), maar wat de inhoud betreft gaat dit niet op, vooral voor de hoofdfiguur zelf: Tilman is geen Tijl, man!
Literair-technisch gezien is hij eerst en vooral een “round character” (p.192) i.p.v. het gebruikelijke “flat character” (zwart-wit tekening; de goeden en de slechten). Ideologisch is hij geen schelm maar, net als zijn geestelijke vader die duidelijk door zijn mond spreekt, een biefstukkensocialist.
In die hoedanigheid is het werk dan ook de bijbel van het reformisme, die bol staat van anticommunistische uitlatingen (p.158, 172). In die hoedanigheid kan hij ook de lof van het kapitalisme zingen (p.334), verder aangevuld met conservatieve uitlatingen b.v. over de vrouwen (p.228).
Als je dit werk dan toch per se zou willen klasseren onder een klassiek genre, dan zou ik eerder het leerdicht willen suggereren. Niet alleen wegens de sterk moraliserende inslag, maar ook vanwege de grote eruditie die de schrijver ten toon spreidt.
Al mijn negatieve opmerkingen kunnen immers niet wegnemen dat men inderdaad nooit “ook maar de kleinste kans krijgt om zijn aandacht te laten verslappen”. Een turf van 344 blz. kan men niet “in één ruk” uitlezen, maar men legt het boek toch steeds met tegenzin terzijde. In zijn ouw' dagen is Walschap nog steeds een boeiend, maar reactionair verteller.
Ronny De Schepper
Abonneren op:
Posts (Atom)