Posts tonen met het label Tom Lanoye. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tom Lanoye. Alle posts tonen

dinsdag 19 februari 2008

Wim Van Gansbeke

Op 16 februari 2008 is Wim Van Gansbeke overleden. Hij was pas zeventig geworden en reeds een tijdje zwaar ziek, zodanig zelfs dat zijn verjaardagsfeestje, op 4 februari, tevens een afscheidsfeest was. Ik was daar niet bij (ik was ook niet gevraagd) dus zullen velen het vrijpostig van mijnentwege vinden als ik zeg dat ik een vriend heb verloren.
En tóch is het zo. Alleen, Wim en ik, dat gaat al wat jaren terug. De laatste tijd hadden we elkaar een beetje uit het oog verloren. Niet moeilijk ook, want Wim woonde de laatste jaren in Frankrijk, waar hij met zijn vrouw Hilde Deponthière een bed & breakfast-hotelletje uitbaatte in het voormalige spoorwegstationsgebouw van Mauzac. Reeds vóór hun vertrek hadden ze mij op het hart gedrukt dat ik zeker eens langs moest komen en de twee keren dat ik ze nadien nog tegen het lijf ben gelopen deden ze dat opnieuw, maar ik moet bekennen dat het er nooit van gekomen is. Misschien namen ze me dat kwalijk. En nu is het dus hopeloos te laat.
Die twee ontmoetingen zijn de moeite waard van nog eens op te rakelen. Laat ik beginnen met de tweede, dus ook de laatste keer dat ik Wim in levende lijve heb gezien. Dat was in Zaventem, zo'n twee jaar geleden. Allebei stonden we immers op het punt het vliegtuig te nemen om één van onze kinderen te kunnen zien. De 21ste eeuw in al z'n glorie...
De eerste ontmoeting daarentegen (nu wellicht al een tiental jaren geleden) vond plaats in... de Gentse Minardschouwburg. Uiterààrd, zou ik moeten schrijven. Want als Wim nog eens naar Vlaanderen kwam, dan was het “uiteraard” om naar theater te gaan kijken. Wim Van Gansbeke zal iedereen zich inderdaad in de eerste plaats herinneren als de gevreesde theatercriticus bij Omroep Brabant (“Happening” op vrijdagochtend) en daarna bij De Morgen. En alhoewel hij "er prat op ging menig theatermens onder de zoden te schoffelen met doodstrappen waarbij die van Yvan Desloover op Juan Lozano in het niets verzinkt" (An Nelissen en Peter Perceval in Humo van 22/4/97) dan bewijzen die “theatertripjes” van Wim juist dat hij toch heel erg aan dat medium verknocht was.
Ik bewonderde Wim ook vóór ik hem leerde kennen, juist omwille van die cassante kritieken. Hij en Johan Anthierens waren zeker mijn voorbeelden toen ik zelf in het vak van criticus stapte. Niet dat afkraken mijn (ons) ding was, nee, maar bij een negatieve kritiek kan je nu eenmaal literair veel beter uit de hoek komen. Wanneer je iets goed vindt, gaat dat eerder op slijmen lijken.
Ik kan dit ook illustreren aan de hand van twee voorbeelden uit mijn universitaire “loopbaan”. Voor de werkgroep Nederlandse Literatuur moesten we in de tweede kandidatuur “Menuet” van Louis Paul Boon bespreken. Niet dat ik “Menuet” niet goed vond, zeker niet, maar ik kon er met de nodige afstandelijkheid over spreken en dat leverde me dan ook mooie punten op van Mieke Musschoot (ik heb het stuk opgenomen in mijn verhaal over Boon, helemaal achteraan).
Het jaar nadien echter besloot prof.Van Elslander dat we een boek naar keuze mochten bespreken. Ik was in die tijd vol van “Black Venus” van Jef Geeraerts en koos dan ook voor die werk. We moesten dat vooraf in de les voorleggen en ikzelf deed dat door een tiental mogelijke titels voor mijn bespreking te suggereren. Van Elslander was verrukt. Hij keek er al naar uit, zei hij. Nu, verder dan die titels geraakte ik echter niet. En alhoewel ze allemaal een ander facet van “Black Venus” aansneden, stopte ik ze toch allemaal in een tekstje van amper twee en een halve bladzijde. En alhoewel ik één van de titels dan toch als de échte titel naar voren had geschoven (“Bach is niet goed genoeg voor Congo”), was een terechte “buis” mijn deel.
Ook Wim Van Gansbeke heeft één jaar Germaanse gestudeerd in Gent. Hij kon er echter niet aarden. Dat zou hij zelfs “in mijn tijd” nog niet gekund hebben. Als ik denk aan de lessen “theaterwetenschap” gegeven door prof.Schrickx bijvoorbeeld...
Wim dook dus liever zelf het theater in. Eerst speelde en regisseerde hij nog zelf bij een amateurtheater, waarbij ook Nora Tilley en Frank Jacobs actief waren. Het verhaal van Nora Tilley moet (en zàl) ik ook nog wel eens vertellen, over Frank Jacobs kan ik kort zijn door te zeggen dat dit mijn voorganger was op De Rode Vaan. En het moet dus ongetwijfeld via Frank geweest zijn dat ik Wim ook persoonlijk heb leren kennen. Omgekeerd was Wim elk jaar vast op post voor de jaarlijkse persconferentie voor het Feest van de Rode Vaan, waardoor we toch altijd zeker waren van een item op Omroep Brabant, naast een obligaat stukje in De Morgen zowat de enige niet-betaalde publiciteit waarop we konden rekenen...
Uiteraard heb ik Wim ooit ook eens geïnterviewd in die periode dat ik voor “De Rode Vaan” werkte. Het was in de rubriek “aan het lijntje” en ik legde hem toen (ergens in het begin van de jaren tachtig) de vraag voor of theater niet te duur was in tijden van crisis en of de toeschouwer wel steeds waar voor z'n geld kreeg?
Wim Van Gansbeke: Eerlijk gezegd, theater is niet zo duur. Je betaalt immers evenveel voor een film, die in talloze copieën over de hele wereld wordt verspreid. Dat is dus een spreiding die wel honderd of duizend keer hoger ligt dan die van het theater. Als dan een film maken vijftig miljoen kost en een theaterstuk slechts één miljoen, dan liggen de productiekosten van zo'n film eigenlijk toch lager en terwijl je er dus haast evenveel voor betaalt.
- Dat is natuurlijk het standpunt van de maker, maar voor de verbruiker kan men precies stellen dat hij over een heel aanbod van kwaliteitsfilms beschikt, waartegenover dan een wankelbaar aanbod van theater staat...
W.V.G.: Dat is inderdaad het probleem. Zeker in de steden kan je haast wekelijks met gerust gemoed 180 frank aan een waardevolle film besteden, omdat het nu eenmaal een wereldproduct is en er altijd wel ergens een knap werkstuk wordt afgeleverd. Toch moeten we ons ook hierop niet verkijken. Het aanbod is immers ook veel groter dan het theateraanbod en als we dan een round-up maken aan het einde van een seizoen van wat er aan zeer goede films is geweest en wat er dan binnen een half land als Vlaanderen aan zeer goede theaterproductie is geweest, dan denk ik dat je ook daar weer min of meer op een gelijk niveau zou komen. Ik wil alleen maar stellen dat men de kostprijs om naar theater te gaan kijken overschat. Wie klakkeloos naar een film gaat die maakt evenveel kans om zich te vergissen. Het blijft een kwestie van kiezen en op zo'n moment is de recensent natuurlijk volkomen onmisbaar. Dat geldt zowel voor de film als voor het theater, al moet ik toegeven dat mensen makkelijker een bioscoop binnenlopen dan een theater. Met andere woorden, ze malen minder om de 180 frank die ze aan slechte film hebben besteed dan om de 200 frank voor een voorstelling die hun niet is bevallen. Er is dus ergens nog steeds een burgerlijke kant aan, ook al moet men er zich niet meer speciaal voor kleden. Ik ken dan ook heel weinig mensen die wekelijks naar theater gaan, al gaan ze wel twee keer per week naar de film.
- Misschien zijn de "uitwijkmogelijkheden" daar groter. Men kan indutten of het afstappen, niemand die zich daaraan stoort. Tijdens een voorstelling zou dit een rechtstreekse belediging zijn voor de acteurs, die daar toch lijfelijk aanwezig zijn...
W.V.G.: Oh, maar als je een voorstelling niet pikt dan vind ik dat je dat protest mag laten blijken, hoor. Dat gebeurt naar mijn gevoel in Vlaanderen overigens veel te weinig. Het enige waar je moet op letten is de andere toeschouwers niet te veel te storen. Maar als er knoeiers op de scène staan - en dan heb ik het niet enkel over de acteurs maar over het totale concept - dan heb ik niet het gevoel dat jij hén beledigt door weg te gaan, maar dat zij jou aan het beledigen zijn.
- Ben je bij wijze van spreken die seizoen al vaak opgestaan? Je hebt daarnet tot mijn verrassing gesteld dat er procentueel evenveel goede toneelvoorstellingen als films zijn ...
W.V.G.: Je moet dat wat relativeren, natuurlijk. Ik heb bijvoorbeeld het gevoel dat het nu allemaal weer een beetje vastzit. Zo'n drie tot vijf jaar geleden waren de dingen meer aan het bewegen. Sinds een paar jaar heb ik echter het gevoel dat die opkomende theaters van toen nu stilaan - nou "gevestigd zijn" is het woord niet, maar ze zijn er. Soms maken ze nog heel goede dingen, maar soms maken ze ook voorstellingen die niet slecht zijn, maar toch ook geen kick geven, laten we maar zeggen. Dit seizoen vooral zit ik vaak met dat gevoelen: ik kan objectief onmogelijk stellen dat het slecht gemaakt is, maar ik kan op het einde van de voorstelling op geen enkele manier zeggen dat ik er door "gepakt" zou zijn.
- Zou je kunnen stellen dat men op zeker speelt en dat dit wat heeft te maken met het snoeien in de toelagen?
W.V.G.: Ik heb zelfs niet eens dat gevoel, maar ik denk dat theatermakers die beginnen op een bepaald moment toch aan een zekere stagnatie toe zijn. Als ze dan niet in een totaal nieuwe omgeving terecht kunnen, zoals Sam Bogaerts in Globe, dan kunnen ze er in het beste geval maar beter mee stoppen voor een tijdje.
Na verloop van tijd kwam er een tegenbeweging op gang. Eén van de woordvoerders hiervan was Tom Lanoye: "Neem nu het toneel. Daar heb je de complete esthetisering gekend: vormentoneel na het vormingstoneel. Op een bepaald moment beseften heel wat kunstenaars dat ze slechte kunst goed moesten vinden vanwege de boodschap die erin vervat zat. Als reactie zijn ze - begrijpelijk! - zwaar naar de andere kant doorgeslagen. Ik vind dat iemand een theater moet kunnen binnenkomen, terwijl hij de ballen afweet van theaterwetenschap of theatergeschiedenis, en toch gegrepen worden door wat er gebeurt. Of op zijn minst toch geboeid zijn.
Ik ben het dus zeker ook niet eens met een elitaire opvatting over kunst. Ik ben zelf totaal niet geïnteresseerd in 'kunstenaar zijn'. Ik wil gewoon goede dingen maken. Ik heb een hekel aan iemand die me wil imponeren gewoon met het feit dat hij zo goed kan schrijven. Dat interesseert me niet. Ik wil iets lezen dat me 'pakt'. Anders word ik ten hoogste technisch geboeid. Dat is b.v. het verschil tussen de schrijvers Hoste en Hertmans. Ik heb bepaalde opmerkingen over hoe Pol Hoste met de media omgaat, maar ik vind het wel een goede schrijver, terwijl Stefan Hertmans mij alleen maar interesseert omdat hij inderdaad zo ver gaat in zijn behandeling van de taal.
Ik hou niet van dat 'soort' schrijven. In de eerste plaats omdat het tekenend is voor 'het soort theater' waar Van Gansbeke, misschien tegen zijn wil, de 'spreekbuis' van is geworden. Daar is alles afstand, alles relativering. Neem nu Maatschappij Discordia. Als een acteur daar een rol speelt, geeft hij onveranderlijk in zijn manier van acteren aan dat hij zich zelf ook wel bewust is van het feit dat hij 'speelt'. Hij zet zijn prestatie als het ware 'tussen aanhalingstekens'. Dat levert misschien een mooi intellectualistisch gezelschapsspel op, maar bitter weinig theater. Omdat de risico's van sentimentaliteit en vals pathos die elke acteur bedreigen, hier niet zozeer bezworen worden door talent en vakmanschap, maar door het veilige vangnet van de distantie.
Je krijgt als toeschouwer niet eens meer de kans het acteerspel in vraag te stellen, dat doen de regisseur en de spelers wel in jouw plaats, nog tijdens de voorstelling. Voor één keer is dat leuk, maar als het tot een gimmick verwordt krijg je een bij voorbaat steriele 'commentaarkunst', waar emotie wordt gereduceerd tot reflexie, waar het programmaboekje belangrijker is dan de brochure en waar de eruditie van de recensent voorrang krijgt op de emotie van de toeschouwer.
De tweede reden waarom ik niet 'geporteerd' ben voor 'dit' soort van schrijven, ligt bij Van Gansbeke zelf. Van iemand die zo genadeloos alle regisseurs op hun 'voorspelbaarheid' en alle acteur op hun 'trukendoos' wijst, neem ik het niet dat hij zich, op zijn eigen vakgebied, zo genadeloos voorspelbaar bedient van steeds weer dezelfde truuk. Maar de eertijds sympathiek anarchistische Oppertrol van het Flageyplein is een Heilige Koe geworden, die door zijn volgelingen kritiekloos wordt aanbeden. Van alle kanten hoor je zeggen dat 'Wim' het toch 'verdomd mooi kan zeggen', en het nog beter kan 'schrijven'. Je kunt alleen maar hopen dat Van Gansbeke dat 'soort' devotie ook tussen aanhalingstekens weet te plaatsen. Want ze slaat nergens op."
Kwam daarbij nog het postmodernisme. Hoe raar het ook mag lijken, maar de strontstukken (letterlijk en figuurlijk) van Werner Schwab buiten beschouwing gelaten, lijkt de korte periode dat Wim Van Gansbeke in het NTG als dramaturg de lakens uitdeelde, nog het meest te situeren binnen deze stroming. Inhoudelijk is dat misschien niet zo verwonderlijk (Wim is zeker niet de wereldvreemde despoot zoals men het karikaturaal heeft willen voorstellen), maar dat deze inhoud zich vormelijk vertaalt in vrij traditioneel theater, dàt is verrassend.
"Het dispuut van Valladolid" van de Waal Julien Binot, naar het TV-script van Jean-Claude Carrière, was daarvan een voorbeeld (het voornoemde dispuut is overigens ook te zien in de film "The Mission" en gaat erom of indianen nu al dan niet een ziel hebben, het werd zeer oubollig geregisseerd door Wim Meuwissen, een pionier van het vormingstheater van het eerste - en het laatste! - uur, met op het einde een zeer doorzichtige transpositie naar de huidige periode door twee zwarten "met de grove borstel" het toneel te laten ontruimen) en het ging ook die kant uit voor "Professor Bernhardi" van Schnitzler.
Zelfs de karikaturale aanpak, die de Franse regisseur Jean-Claude Berutti (in 1995 reeds te gast in het NTG met "Gisteren") langzaam liet doorsijpelen was niet van aard om het spel deze keer wat meer pit te geven. "Professor Bernhardi", een stuk uit 1912 van Arthur Schnitzler, is nochtans (zoals de meeste stukken van Schnitzler) nog altijd erg actueel. "Als je op een ochtend, zonder er verder bij na te denken, begint het juiste te doen en zo de hele dag door niets anders dan het juiste doet, dan zit je beslist nog vóór donker in de cel," is de kernzin eruit.
Begin januari 1996 verscheen er in "Het Volk" een artikel waarin stond dat een aantal acteurs, w.o. Jef Demedts, Nolle Versyp en Roger Bolders, een ultimatum voor het ontslag van Wim Van Gansbeke zouden hebben gesteld. Uiteraard werden deze geruchten door directeur Hugo Van den Berghe formeel ontkend, maar hij gaf wel toe dat de drie zware kritiek hadden geuit op Van Gansbeke.
Niet lang daarna werden zowel Hugo Van den Berghe als Wim Van Gansbeke ontslagen, maar ook een hele rist acteurs, waaronder ook de drie genoemden.
Wim ging zelf aan de slag als dramaturg bij de Blauwe Maandag Compagnie, waar hij zijn draai leek gevonden te hebben, tot hij uiteindelijk ook dit gezelschap verliet om zich dus in Frankrijk te gaan vestigen. Waar ik hem zou gaan opzoeken... Misschien doe ik het tóch nog eens. Als een soort van bedevaart.

donderdag 20 december 2007

Gerard Walschap

Gerard Walschap (Londerzeel 9 juli 1898 ‑ Antwerpen 25 oktober 1989) kwam in 1921 na een mislukte priesteropleiding in zijn geboortedorp terug. Er was toen iets 'wereldschokkends' met de jonge Walschap gebeurd: 'Ik heb dan ingezien dat ik eigenlijk niets dan flauwe dingen geleerd had en dat de mensen daar in Londerzeel even wijs waren als ik, die van kleins af in de boeken gezeten had. Die terugkeer tot het volk, is de grote schok in mijn leven geweest. Vandaar dat streven naar eenvoud en een zekere lust om uit te dagen, een drang om te tarten, om de geleerden uit te lachen en al diegenen die plechtig doen.'
Bij zijn debuut (met tranerige poëzie zoals Liederen van Leed uit 1923 en De loutering uit 1925) was Walschap destijds overigens ook grondig gekraakt door Paul van Ostayen, maar dat had hem dan in de richting van de roman gedreven, een genre waarin hij tot 1957 ("De Française") toch een aantal meesterwerken heeft afgeleverd, te beginnen met de humanitair-expressionistische roman "Waldo" (1928).
Grote bekendheid verwierf “Adelaïde” (1929), de eerste van een reeks opmerkelijke psychologische romans, waarmee hij dit genre in het Nederlandse taalgebied vernieuwde.
De eerste cyclus van deze romans, “De familie Roothooft” (1939), bestaande uit een herdruk van “Adelaïde”, “Eric” (1931) en “Carla” (1933), was katholiek bedoeld, maar werd door een deel van de clerus slecht bejegend, hetgeen bij de schrijver een gekwetste vervreemding tegenover de kerk teweegbracht, die na jaren van eenzame twijfel zou leiden tot vrijzinnigheid, afwisselend agressief en tolerant. Het eerste voorbeeld daarvan is “Celibaat” (1934) dat in een bewerking van Tom Lanoye door het NTG werd gespeeld (première 24 maart 2001).
De katholieke kerk reageert verontwaardigd. Zijn jeugdvriend en pastoor Jan Hammenecker stelt het als volgt: "Beste Gerard, hebt Gij dit geschreven? Gij? Zoon van Uw Vader en Moeder? En uw kinderen, als ze dat later lezen: Vader was nondedju 'ne smeerlap, of hoe zullen ze vloeken?"
"Celibaat is een naar en drukkend boek, het is een bevrijding de laatste bladzijde dicht te slaan. Het mist alle spiritualiteit en gaat onder in drift, verdoving en erotische aberratie. Dit boek is een trieste, wormstekige vrucht." (Boekenschouw, 1935)
"Ons volk heeft niets aan zulk een boek, het weze dan nog een monument. En onze studerende jeugd neme het niet ter hand. Zedelijk misvormde 'heerkens' stoot het uit. Er zijn prachtmensen ook." (E.V.D., De Nieuwe Kempen)
Toch kon Walschap ook rekenen op medestanders in het katholieke kamp, zoals Anton Van Duinkerken en Gerard Knuvelder in het Noorden en bij ons Urbain Van de Voorde en André Demedts - overigens allerminst progressieve figuren, maar intelligent en integer genoeg om het talent en de eerlijkheid van Walschap naar waarde te schatten.
Een vrijzinnige als Jan Greshoff schaarde zich daarentegen dan weer in het kamp van de tegenstanders: "Celibaat is het karakteristieke voorbeeld van wat men 'un faux chef‑d'oeuvre' heet." (in De Arnemsche Courant)
Ook Willem Elsschot kon de "ontkerstende" Gerard Walschap niet uitstaan. Volgens Carla Walschap was dat omwille van "misverstanden". Zo b.v. de geweigerde vertaling van "Genezing door aspirine" (1943) in het Frans door Elsschot. Of het feit dat Elsschot geen lid mocht worden van de KVA. Tweemaal legde Elsschot hiervoor de schuld bij Walschap. Erger was dat, toen ze in het begin van de jaren vijftig in dezelfde straat woonden, zoon Lieven Walschap verliefd werd op dochter Anna Elsschot. Op de koop toe was Lieven slechts 18 en Anna 36. Bovendien liep ze doorgaans dronken en Lieven Walschap was goed op weg haar voorbeeld te volgen, tot vader Walschap zijn zoon zozeer rond zijn oren zaagde dat die uiteindelijk met een nicht van Anna is getrouwd. De zoon van Elsschot zegt dan weer dat Walschap en zijn vader in die tijd geregeld bij elkaar in de brievenbus gingen plassen. Johan Anthierens heeft echter "wetenschappelijk" vastgesteld dat dit een legende is: de bussen zijn te hoog geplaatst...
Maar goed, we hadden het eigenlijk over “Celibaat”. Waarover gaat dit boek nu eigenlijk?
Ooit voerde het geslacht d'Hertenfeldt een heus schrikbewind in het dorp. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog doet de laatste telg van het geslacht, André, er zijn blijde intrede. Het Heerke Andreeke is alles wat zijn voorvaderen niet waren: in niets doortastend en vooral bereid tot goede werken. Achter deze façade zit echter een heel ander persoon met wrede en sadistische natuur.
“Het was een dik opgeblazen bleek kind, ros, met een waterhoofd. Het vroeg naar zijn zondagse bloek, moest zijn welk maken en iemand die loog was een leuneer. Het dierf niemand in de ogen kijken. Het kon in de school niets leren. Sprak de meester het bars toe, dan stotterde het. Maar het schreide nooit en toen het negen was, heeft het zijn kanarievogel uitgehongerd door er tweemaal daags aan de meiden zaad en water voor te vragen en dat listig in de w.c. te werpen. Zo belette hij dat de meiden naar het vogeltje omkeken en toen het dood lag had hij een heimelijk en diep plezier.”
In “Celibaat” staat de kanarie symbool voor de eenzaamheid. Walschap laat de pastoor aan het Heerken vertellen hoe belangrijk het is om een compagnon te hebben: "André, kan ik u eens onder vier ogen spreken? Mannen ondereen? Ik zal het u kort en bondig zeggen, in de vorm van een parabel. Tot voor kort had ik een kanarie. Nu ben ik zelfs die kwijt. En dat knaagt André. De bijbel zegt het al: Wee de eenzame. Het is een toestand die niet deugt. Verstaat ge wat ik wil zeggen? Ook de vrouw is een zangvogel, André. Zij brengt vreugde in huis, en licht. Het moet op dat schoon kasteelke van u soms triestig zijn. De man die zich opoffert voor het welzijn van heel het dorp, verdient zelf toch ook een huis te hebben waar het geluk heerst. Verstaat ge het nu?"
Maar de achterdocht die André koestert, wijkt ook niet voor Ursule, de vrouw die hij bemint: “Brengt haar in het donker naar zijn kamer, hij zal haar dan wel meester zijn. Ze zal weten dat hij sterk en hardvochtig is. Hij zal het haar zeggen: Hij gelooft in god noch duivel, hij is bang voor niets en van u wil hij plezier.”
Pas wanneer hij verminkt, met een stukgeschoten gezicht en op sterven na dood, terugkeert uit de oorlog is hij bevrijd: “Als de God waaraan André niet gelooft, bestaat, dan heeft hij hem met een obus op zijn smoel geslagen om te zeggen: hebt ge nu genoeg?”
“Celibaat” gaat over het masker dat iemand draagt en het verlies daarvan. Over de spanning tussen wat er letterlijk gezegd en in werkelijkheid gedacht wordt, over stukgeslagen illusies, over het spreken als een vorm van niet‑spreken. Over pluimstrijken en konkelfoezen, en ook en vooral over eenzaamheid...
In 1986 schrijft Tom Lanoye aan Walschap een brief: "Had dan toch in het Engels geschreven, Gerard! 'De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas' zou al tien keer verfilmd zijn geweest door Dino de Laurentiis. Maar het meest hou ik van 'Celibaat', te verfilmen door Scorsese, naar een scenariobewerking van Schrader. Akkoord, het heeft zijn titel tegen. Ik dacht ook dat het over lesbische nonnen zou gaan. Maar niets daarvan." (Uit Vrij Nederland, 24 mei 1986)
Tegenover denkproblematiek en geciviliseerde maatschappij staat Walschap in een deel van zijn oeuvre rationalistisch positief; in een ander deel, o.a. in “Sibylle” (1938) en “Bejegening van Christus” (1940), wordt de ratio als destructief en elke cultureel‑maatschappelijke binding als een ondraaglijk juk beschouwd. Zo verheerlijkt Walschap de eenvoud en geborgenheid in het primitieve volkse leven (Volk, 1930; De dood in het dorp, 1930; De wereld van Soo Moereman, 1941), de agressieve vrijheid tegenover alle maatschappelijke normen (Het kind, 1939; De consul, 1943) of de probleemloze vrijheid in Houtekiet (1939), één van zijn meesterwerken.
Naast psychologische romans schreef hij ook probleemromans ("Zuster Virgilia" uit 1951 deed zelfs Etienne Vermeersch zijn geloof even verliezen), sociaal‑politieke, koloniale romans (Oproer in Congo, 1953), avonturenromans (De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas, 1960) en modernistische romans (Het gastmaal, 1966; Het avondmaal, 1968). Walschap heeft in het Nederlandse proza een eigen stijl geschapen, die door directe zakelijkheid, een soms overrompelend ritme, laconieke plasticiteit, syntactische vrijheden en pittig gebruik van de Brabantse volkstaal een zeer sterke kracht bezit.
In 1955 verscheen van Walschap "Salut en merci" wat door L.P.Boon werd bestempeld als "een heroïsch gevecht met bagatellen", terwijl "De muur" (Jos Vandeloo) eigenlijk plagiaat is van "Het kleine meisje en ik" van Gerard Walschap uit 1953. In 1969 is Gerard Walschap in het pamflet "De culturele repressie" woordvoerder was van een generatie (Piet Van Aken, Hubert Lampo, Ward Ruyslinck) die had afgedaan. Walschap had zich b.v. aan de kant van de Amerikanen geschaard wat de oorlog in Vietnam aangaat en boeken als "De verloren zoon" (1958), "De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas" (1960) en "Nieuw Deps" (1961) waren eerder liberaal dan socialistisch van inslag.
Sommige literair-historici rekenen “Tilman Armenaas” tot de pikareske of schelmenroman, waarvan het volksboek van Tijl Uilenspiegel in de Nederlandse literatuur als prototype mag gelden. Qua vorm mag deze typering misschien nog gerechtvaardigd zijn door de heterogene verteltrant (kaderverhaal met parabels, interviews, redevoeringen, flashbacks, allegorieën enz.), maar wat de inhoud betreft gaat dit niet op, vooral voor de hoofdfiguur zelf: Tilman is geen Tijl, man!
Literair-technisch gezien is hij eerst en vooral een “round character” (p.192) i.p.v. het gebruikelijke “flat character” (zwart-wit tekening; de goeden en de slechten). Ideologisch is hij geen schelm maar, net als zijn geestelijke vader die duidelijk door zijn mond spreekt, een biefstukkensocialist.
In die hoedanigheid is het werk dan ook de bijbel van het reformisme, die bol staat van anticommunistische uitlatingen (p.158, 172). In die hoedanigheid kan hij ook de lof van het kapitalisme zingen (p.334), verder aangevuld met conservatieve uitlatingen b.v. over de vrouwen (p.228).
Als je dit werk dan toch per se zou willen klasseren onder een klassiek genre, dan zou ik eerder het leerdicht willen suggereren. Niet alleen wegens de sterk moraliserende inslag, maar ook vanwege de grote eruditie die de schrijver ten toon spreidt.
Al mijn negatieve opmerkingen kunnen immers niet wegnemen dat men inderdaad nooit “ook maar de kleinste kans krijgt om zijn aandacht te laten verslappen”. Een turf van 344 blz. kan men niet “in één ruk” uitlezen, maar men legt het boek toch steeds met tegenzin terzijde. In zijn ouw' dagen is Walschap nog steeds een boeiend, maar reactionair verteller.

Ronny De Schepper

donderdag 15 november 2007

Anton van Wilderode

“Het evangelie en de poëzie, daar is de kleine man gevoelig voor”

Tien jaar geleden was het. Tien jaar geleden zaten we in de poësis in het Sint-Jozef-Klein-Seminarie en Cyriel Coupé (of was het Anton van Wilderode?) trachtte ons warm te maken voor de schoonheid van de literatuur in het algemeen en de poëzie in het bijzonder. Het was natuurlijk een bijzonder ontvankelijke leeftijd en alhoewel we sindsdien nog veel in contact hebben gestaan met poëzie, kennisgemaakt met nieuwe dichters en zelfs in het dagelijkse leven op een bepaald moment dezelfde taak op ons hebben genomen als E.H.Coupé, toch is ons poëtisch gevoel er op die tien jaar misschien eerder op achteruit gegaan. Al loopt de poëzie immers nog zo snel, de harde realiteit achterhaalt ze wel.

Tien jaar geleden was het eveneens. Tien jaar geleden schreef men op Parijse muren: “Onder de straatstenen ligt het strand”, “De verbeelding aan de macht” en “Het is streng verboden te verbieden”. Mei '68. Eerlijk gezegd, veel drong er van deze “revolutie” niet tot ons door. We trokken ook wel de straat op, Sint-Niklaas door (*), maar dan met de salgzin “Leuven Vlaams”, overgenomen uit de beweging in Leuven zelf uiteraard, maar in datzelfde Leuven was het flamingantisme via het antiklerikalisme reeds uitgemond in de linkse strekkingen die in Parijs veel duidelijker tot uiting kwamen. Of zijn Paul Goossens en Kris Merckx voortrekkers van de Vlaamse Beweging soms?

Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag kreeg ik van Wouter Vloebergh in juni 1978 de opdracht om mijn oude Magister te gaan interviewen voor De Voorpost. Ik koos als thema de relatie dichter-mens. Men zegt immers: “Nascentur poetae fiunt oratores” (dichter wordt men geboren, redenaar moet men worden), maar is dit wel zo, was mijn eerste vraag.

Anton van Wilderode: Ik geloof niet dat er een groot onderscheid is. Men heeft de voedingsbodem van de eerste twintig jaar nodig om iets te kunnen bereiken.

- Zo'n tien jaar geleden werd u voor de Gazet van Antwerpen geïnterviewd en een groot gedeelte daarvan was gewijd aan de contestatie e.d. U relativeerde het belang enigszins (“contestatie en jeugdig idealisme zijn van alle tijden”, “de media geven een vertekend beeld” enz.), maar over het algemeen kon men zeggen dat u er optimistisch tegenover stond. Dat was natuurlijk echter een contestatie die ontsproot aan een welvaartmaatschappij (de golden sixties), een welvaart die ondertussen sterk aangevreten is. Daar u nog steeds in het onderwijs staat, maakt u dus ook kennis met die nieuwe jeugd. Men verwijt die wel eens een passieve houding, een gebrek aan kritische zin. En als ze dan al eens de contestataire toer opgaan, dan zou het een soort ongegronde contestatie zijn...

A.V.W.: Die verschillen zijn niet zo geweldig. Ik vind dat dit allemaal een beetje overtrokken wordt. De jeugd is – ik heb het dus reeds gezegd – steeds opstandig geweest, heeft steeds andere gedachten gehad en dat is normaal, dat moet ook. Maar ze konden dat vroeger (en dan spreek ik van vóór de oorlog) minder uiten, want dat werd hun niet toegestaan. Nu wel, omdat het de volwassenen zijn, die veel onzekerder geworden zijn. Wat ook normaal is, want als een volk verstandiger wordt, zich meer ontwikkelt, dan wordt het ook onzekerder.
De jeugd is dus niet zozeer veranderd. Ze mogen alleen meer zeggen, waar ze vroeger zeker evenveel dachten. Het was veel moediger voor de generaties van Albrecht Rodenbach en Ernest van der Hallen, om nu eens twee jeugdleiders te noemen, om toen hun opstandigheid uit te drukken. Want nu “mag” het. Nu wordt men niet meteen uitgestoten, bijvoorbeeld van een school weggestuurd of zo. Dat gebeurt praktisch niet meer, waar dat vroeger schering en inslag was. Een goed deel van de Vlaamse studentenbeweging is monddood gemaakt, door de middelen die men had om ze uit te sluiten.

- In de inleiding van het boek van Willem Persoon staat dat u in uw lessen ook uw Vlaams engagement wil overbrengen...

A.V.W.: Ik denk niet dat iemand in mijn lessen gehinderd wordt door mijn overtuiging. Ik steek ze niet weg, maar kom er ook niet te pas en te onpas op terug. Iedereen weet hoe ik denk, veronderstel ik, juist omdat ik door af en toe in de publiciteit te komen duidelijk geprofileerd sta, waar ze dat van andere leraars misschien minder weten. Maar ook wie anders denkt – en ze hebben daar volledig het recht toe – zal zicn niet ongemakkelijk voelen bij mij.

- Nochtans engageert u zich soms heel sterk. Zo heeft u een homilie gehouden bij een herdenkingsplechtigheid in de collegekerk nadat de VMO het lichaam van Cyriel Verschaeve vanuit Oostenrijk naar hier had gesmokkeld.

A.V.W.: Het bevreemdt mij inderdaad als ik zie met wel enthousiasme men vreemde vrijheidsvechters huldigt en hoe diezelfde mensen huiverig staan tegenover iemand als Verschaeve die nooit een politicus is geweest. Ik keur niet alles goed wat hij gezegd of gedaan heeft, maar ik sta achter de figuur van Verschaeve die zeker het beste gewild heeft voor zijn volk. Nogmaals, hij was geen politicus, maar een zeer groot minnaar. En als minnaar heeft hij misschien wel vergissingen begaan.

- Verschaeve dàcht inderdaad dat hij nooit een politicus is geweest, maar door die actie van de VMO werd alles toch zeer duidelijk in een politieke context geplaatst?

A.V.W.: Maar de VMO-actie komt niet ter sprake bij mij. Dat is gewoon de omstandigheid die de figuur van Verschaeve weer in de actualiteit heeft gebracht. Maar ik zou die homilie ook gehouden hebben indien Verschaeve niet teruggebracht was.

U en Willem Melis zijn ook de enige Wase prominenten die deel uitmaken van Protea...

A.V.W.: Protea is een vereniging die niet voor apartheid is, want niemand is voor apartheid. Maar ze staat een eerlijke studie en een eerlijke berichtgeving over Zuid-Afrika voor. Nu vraag ik me af wie dààr kan tegen zijn?

Nou, Humo bijvoorbeeld, met het argument dat de bronnen die Protea aanboort om eruit z'n informatie te putten eenzijdig pro-Vorster zijn.

A.V.W.: Ja, maar Humo is een snertblad. Dat is geen journalistiek meer. Ook hun interviews niet. Dat is gewoon mensen kleineren. En overigens hebben ze de beginselverklaring van Protea niet gelezen, als men kijkt wat ze daarover geschreven hebben. Kijk, ik zal u het volgende zeggen. Humo heeft André Demedts (ook lid van Protea, RDS) aangevallen, maar wat ik u nu ga vertellen, weet niemand. Jaak Veltman, een journalist van De Standaard, was een jood en vroeg in het begin van de oorlog aan veertig Vlamingen om een gunstige getuigenis over hem, zodat hij eventueel indien hij moeilijkheden zou hebben met de Duitsers, hij kon zeggen dat hij zich actief had ingezet voor de Vlaamse zaak, want hij was een flamingant. Er is één man die daarop positief gereageerd heeft: André Demedts. En ik weet dat niet van Demedts, maar van de familie van Veltman. En die man vallen ze aan. Ik vind dat gemeen. Dat soort journalisten sluit het gesprek af, die zijn allergisch.

- U bent Vlaams geëngageerd én u bent priester. Dat zijn twee dingen die niet steeds samen hebben gehoord. De Kerk heeft vaak het flamingantisme gedwarsboomd.

A.V.W.: Ikzelf heb een paar kleine moeilijkheden daardoor gehad, maar die liggen vrij ver terug in het verleden, namelijk in de tijd dat ik nog student en seminarist was.

- Uw vriend Maurits Coppiets heeft zo erg onder die discrepantie tussen Kerk en Vlaamse Beweging geleden dat hij op een bepaald moment zelfs een geloofscrisis heeft doorgemaakt. Dat is bij u nooit het geval geweest?

A.V.W.: Niet in het minst. De praktische houding van sommige kerkelijke instanties kan soms wel eens voor moeilijkheden zorgen, zeker in het verleden meer dan nu, maar over het algemeen zijn mensen uit de Vlaamse Beweging bij gewetensconflicten erg trouw gebleven. Nu zijn die gewetensproblemen er veel minder omdat men veel vrijer staat en die vrijheid ook door kerkelijke instanties wordt aanvaard.

- Eén van de belangrijke elementen dat toch als een soort nasleep van mei '68 mag worden bestempeld, is de algemene bewustwording inzake het milieu. Voor een dichter moet dit zeker scherp voelbaar zijn. In het hoger vermelde interview drukte u reeds uw ongerustheid uit over de milieuproblemen die de economische ontsluiting van het Waasland met zich bracht en nog vorige week kon ik met mijn eigen ogen vaststellen hoe vooral de streek rond Doel “verloedert”. Ik vergelijk dat graag met “De Teleurgang van de Waterhoek” van Stijn Streuvels.

A.V.W.: Ja, we zijn natuurlijk op die tien jaar niet vooruitgegaan: het is nog tien keer slechter geworden. We zijn wel vooruitgegaan in die zin dat er meer reactie komt, die ook hier en daar al kleine resultaten boekt. Alhoewel, je kan nu protesteren tegen alles, Sidmar, Doel, wat weet ik al. In een democratie mag dat allemaal. Maar het helpt niet. De TGV komt er, hé! De mogelijkheid dat hij er niet zou komen wordt niet eens in aanmerking genomen!
Van het ogenblik af dat ik beginnen schrijven ben, ging het al over mijn omgeving. Ik ben van daaruit vertrokken. En als ik dan het verschil zie tussen wat er toen nog was en wat er nu is, dan is dat pijnlijk. We leven natuurlijk niet in een soort ideaal paradijs, waar je alleen kan zijn met de natuur alleen voor jezelf, maar tussen de ontsluiting van het Waasland en de vernieling van het natuurlijke Waasland ligt toch nog een hemelsbreed verschil.

- En hoe zit het met de culturele ontsluiting?

A.V.W.: Die laat te wensen over, inderdaad. De talenten zijn er nochtans, vooral op grafisch gebied...

- Zou dat niet nauw kunnen samenhangen met het landschap zelf? Ik denk dan trouwens ook aan Sint-Martens-Latem en zo.

A.V.W.: Ja, maar wij Vlamingen zijn in de eerste plaats een volk van schilders, eerder dan van literatoren of zo. Maar als je nu kijkt welke namen er geregeld in de media worden gelanceerd, dan stel je vast dat heel belangrijke namen van hier in het Waasland die ook buiten de streek bekendheid zouden verdienen, nooit aan bod komen.

- Is daar een verklaring voor?

A.V.W.: Het Waasland was een bijzonder gesloten gebied, achter de Schelde en tussen de Nederlandse grens, dus eigenlijk twee zeer sterke grenzen. En ten tweede is de Wase mens misschien te weinig expansief, een nogal ingesloten geest. Nu, ik geloof niet dat men dat op twintig jaar gewoon verandert. Ik zie wel wijzigingen maar het is nog geen ommekeer. Wij zijn opengegooid, maar dat is een procédé dat langzaam moet groeien.

- We hebben nu zowat de belangrijkste wijzigingen die zich binnen die tien jaar op maatschappelijk vlak hebben voltrokken nagegaan, maar ook voor uzelf zijn het zeer belangrijke jaren geweest. Ik som even op zonder volledigheid na te streven: lid van de Koninklijke Vlaamse Academie (1974), het eredoctoraat aan de Leuvense universiteit (1975), de Koopalprijs voor uw Vergilius-vertaling (1975), nog onlangs de prijs van de Scriptores Catholici (1978) en het Rubens-luisterspel ter gelegenheid van het Rubensjaar (1977). Wat is nu voor uzelf het belangrijkste, het meest verrassende geweest? (**)

A.V.W.: Het meest ben ik onder de indruk gekomen (en ook het meest verwonderd geweest) bij dat eredoctoraat. Veruit. Omdat ik daar nooit aan gedacht had, zelfs niet toen ik daarover de eerste berichten ontving. Dat is voor mij iets onvoorstelbaars. Dat is geen valse nederigheid of zo: ik weet dat er honderden mensen zijn in dit land die dat tenminste evenzeer als of zelfs meer dan ik zouden verdienen, en ik ben daaruit gekozen... Ik ben daar oneindig gelukkig om geweet, moet ik zeggen. Maar ik ben dezelfde mens als tien jaar geleden.

- Misschien interesseert het u ook te weten wat mij nu het meest is opgevallen tijdens die tien jaar? En dat is dan de puur statistische vaststelling dat u de best verkochte dichter bent, nog vóór Hugo Claus.

A.V.W.: Ik geloof dat ik wel lezers heb die buiten het zuiver literaire vallen. Ik ga ook veel spreken en kom af en toe dus ook in de belangstelling van de pers, zodat men een aantal kopers krijgt, die er normaal niet zijn. Laat ik zeggen: er zijn veel literair-gezinden die mij kopen en veel Vlaamsgezinden die mij kopen.

- Hoe staat een dichter anno 1978 tegenover zijn publiek?

A.V.W.: Ik ondervind op die lezingen dat ik een heterogeen publiek aantrek, maar ook hoe gevoelig men is voor poëzie. De gewone man is voor twee dingen gevoelig als men daaruit citeert of als men daarover spreekt: het evangelie en de poëzie. En bij dat soort mensen heeft dat niets te maken met snobisme. En dat verrast me telkens weer. Mensen verstaan veel meer van poëzie dan de zogenaamde literair-historici beweren. De gewone man is zeer gevoelig voor poëzie, maar men moet hem de weg mogelijk maken. Men moet een beetje puin ruimen, een beetje de moeilijkheden uit de weg ruimen, om hem tot de teksten te brengen. En dat geldt ook voor de moderne poëzie. Ik sta zeer positief tegenover moderne poëzie en tegenover alle uitingen daarvan, wat niet wil zeggen dat ik onmiddellijk zo zal schrijven. Ik doe geen enkele poging om mij aan te passen. Ongetwijfeld onderga ik natuurlijk invloeden, dat is logisch...

- Ook negatieve, een reactie tegen?

A.V.W.: Ja, tegen een te groot hermetisme, want poëzie is op de eerste plaats mededeling en er moet dus ergens een gat te vinden zijn om erin te kunnen. En sommige auteurs geven dat niet. En die zijn dan veel te elitair (al zijn ze allergisch aan dat woord) omdat ze voor een klein groepje, zelfs niet lezers, maar gewoon critici schrijven, die toch op iedere trein meespringen om zeker de goeie trein niet te missen. Ik moet zeggen, ik ben telkens verbaasd als er van die moderne poëzie wordt voorgelezen en mensen dat allemaal zonder meer schijnen te begrijpen. Ik doe wel mijn best, maar ik kan dat niet, ik beken dat eerlijk.

- Wie ook tegen het hermetisme in de poëzie zijn en dus gelijklopende kenmerken met u vertonen, zonder daarmee te bedoelen dat u tot hun groep behoort, zijn de nieuw-realisten... (***)

A.V.W.: Ik heb wel bezwaar tegen de neiging in onze tijd om alles te veel in hokjes te plaatsen en alles te veel een naam te geven. Vroeger werden de generaties geconstateerd, achteraf soms. Maar nu begint men zich te beschouwen tot een bepaalde generatie, tot een bepaalde richting. En dat kan bruikbaar zijn of interessant, maar ik geloof daar niet erg in. Ik geloof dat men met al die indelingen de kern van de zaak nauwelijks raakt. Als men een auteur zelf kent, dan zal men opmerken dat die veranderingen, wijzigingen ondergaat. Als men jong is, schrijft men meer “literatuur” en daar kom je later wel een beetje op terug. Iedereen van mijn leeftijd is aangevreten geweest door Karel Van de Woestijne, door de literatuur, door de mooie zegging, maar met het ouder worden komt daar een versobering in, ongetwijfeld ook onder invloed van de experimentelen.
Ik denk dat dit duidelijk zichtbaar zal zijn bij mijn nieuwe bundel, die op het einde van het jaar verschijnt: “Dorp zonder ouders”. U voelt het: dat zijn jeugdherinneringen, hetzelfde thema dat ik altijd gehad heb (naast Cultuur is er Natuur geweest). Het zijn dus natuurgedichten, natuur in de brede zin genomen dan. Het gaat niet alleen over Canadabomen, hé!

- Mag ik eens een Humo-vraag stellen? Is dat soms in het kader van het jaar van het dorp?

A.V.W.: Nee, oh nee! Die titel draag ik al lang in mijn hoofd, al jaren, en ik dacht hem juist te veranderen wegens dat jaar van het dorp, maar ik vind dat even stom als juist een titel nemen in functie van dat jaar van het dorp. In mijn gedichten kwam ook vroeger reeds zoveel het dorp voor dat ik daar gerust mag naar verwijzen als mijn eigen thema om zo te zeggen. En daarom zal ik die titel waarschijnlijk niet wijzigen. Maar ik vind het wel een beetje hinderlijk in die zin dat ze gemakkelijk zouden denken dat ik een beetje inspeel op de actualiteit. En dat is zeker niet het geval, dat zal men trouwens zien aan de verzen zelf.

- Er staat ook een essay op stapel over priester-dichter Gery Helderenberg?

A.V.W.: Ik ben daar al een hele tijd mee bezig, maar ik heb nog geen tijd gehad om dat af te werken. Dat zal waarschijnlijk deze vakantie gebeuren. Ik vind hem een zeer groot dichter, vooral dan z'n laatste werken uit zijn ouderdomsperiode. Het is dus niet iemand over wie ik zou schrijven, louter omdat ik daarmee verwantschappen heb (literair of gevoelsmatig), maar omdat ik hem zeer belangrijk vind. Ik hoe trouwens niet van de omschrijving “priester-dichter”. Men zegt toch ook niet: Herman De Coninck is een “journalist-dichter”?

- Maar als Helderenberg zo belangrijk is, vindt u het dan niet jammer dat ik bijvoorbeeld zijn werk niet ken?

A.V.W.: Ja, maar ik begrijp dat. Het zou me zelfs verwonderd hebben, indien u hem wél kende. En weet u waarom? Omdat al zijn werk in privé-uitgaven is verschenen, men kan dat dus niet kopen in een winkel. Maar hij verdient gekend te zijn, inderdaad. De laatste tijd is er gelukkig wat meer belangstelling voor hem. Helderenberg is een geboren Nieuwkerkenaar en nu op rust in Lede, want hij is nu bijna negentig en heeft de laatste tien jaar magnifieke dingen geschreven, wat op die hoge leeftijd op zichzelf al vrij merkwaardig is.

- U werkt ook aan een bloemlezing samen met Kees Fens?

A.V.W.: Ja, die zal waarschijnlijk als titel dragen: “Het Woord was bij God”. Het is dan ook een bloemlezing uit de religieuze poëzie uit Noord en Zuid vanaf het begin tot nu, een vijfhonderdtal verzen. Het zal bij Lannoo verschijnen in diezelfde reeks als “Het Groot Gezinsversboek” van Jozef Deleu.

Ronny De Schepper

(*) Dichterlijke vrijheid. Door een verbod van de plaatselijke politie-inspecteur (mijn vader dus) mocht ik niet deelnemen aan die betogingen. Ik herinner me nog dat ik met name in één van de “lessen” van van Wilderode (hij gaf geen les wegens te veel afwezigen, hij hield gewoon toezicht), heb zitten wenen omdat ik samen met Tony Willaert de enige was van de aanwezigen die wel wilde, maar niet mocht gaan betogen. Ik putte uit die vernederende situatie zoveel kracht dat ik 's avonds letterlijk op tafel klopte en zei dat ik 's anderendaags wél zou gaan betogen. Mijn ouders waren zo verbaasd over mijn uitval (ik vrees dat ik voor de rest zowat een modelkindje was) dat ze het toestonden. “Als ik maar geen auto's in brand stak.” 's Anderendaags stond ik op de Grote Markt van Sint-Niklaas... alleen. Er was geen betoging meer. De revolutie was al voorbij. Zoef! Wat passeert er? De revolutie!
(**) In 1986 kreeg hij ook nog de driejaarlijkse staatsprijs voor een schrijversloopbaan.
(***) Het volgende gedicht van Anton van Wilderode, dat geselecteerd werd voor de platencassette “Microfonie van de Zuid-Nederlandse Schrijvers” vertoont volgens Armand Van Assche veel gelijkenissen met het nieuw-realisme: DE DAG VAN EDEN (1), In memoriam matris

Monografieën
Fred de Swert in de reeks “Grote Ontmoetingen”
Willem Persoon bij uitgeverij De Vlijt
Lieven Rens (in 1983)
Rudolf van de Perre bij het Davidsfonds