Er is een tijd geweest dat zelfs "De vier jaargetijden" zo goed als onbekend waren. We hebben gelukkig niet op Nigel Kennedy moeten wachten om dit werk te leren kennen, maar het is toch pas sedert een historisch concert in Sienna in 1939 dat Vivaldi opnieuw uit de schaduw mocht treden. Kort daarop werd in de Verenigde Staten de eerste opname ervan gemaakt door Louis Kaufman (1906-1994), tevens de concertmeester bij de opname van de muziek voor "Gone with the wind".
Bij "De vier jaargetijden" laat Vivaldi elk van die jaargetijden voorafgaan door een (wellicht zelfgeschreven) sonnet, waarvan hij via een lettersysteem dan ook nog eens aangeeft, wààr een betreffende zin juist in de muziek thuishoort. Vooral in de versie van Harnoncourt kan men dat goed horen. Té goed misschien zelfs. Want tenslotte is het géén symfonisch gedicht. Daar moet je het gedicht echt goed kennen, anders is het soms zelfs geen goede muziek meer (denk aan "L'apprenti sorcier" van Paul Dukas), terwijl het bij Vivaldi een vioolconcerto blijft, met of zonder sonnet!
Luca Pianca, de stichter van Il Giardino Armonico, van zijn kant verklaarde dat Vivaldi tijdens die solo's over de grond kronkelde zoals de eerste de beste hardrock-gitarist. Tenzij dit gewoon moet dienen om te verklaren waarom zij Vivaldi spelen alsof het pure rock'n'roll is natuurlijk. Anderzijds wees hij er wel op dat Vivaldi eerder de laatste componist van de 17de eeuw is dan de eerste van de 18de. Hij heeft namelijk heel jong viool leren spelen en is nooit echt van deze traditie afgeweken.
Want dàt waren het dus eigenlijk: vier afzonderlijke vioolconcerti die op diverse tijdstippen werden gecomponeerd. De echte volgorde is: eerst de lente, dan de herfst en de winter en pas als laatste de zomer. Bovendien noemde Vivaldi zelf zijn werk niet "le quattro stagioni", maar "Il Cimento dell Armonia e dell'Inventione", min of meer te vertalen als "de strijd tussen harmonie en inspiratie”, ofwel de rationele en de verbeeldingsrijke kant van de muziek. Het werk (uitgegeven in 1725 in Amsterdam) bevat overigens nog acht andere concerten.
Toch worden de concerti altijd uitgevoerd in de "natuurlijke" volgorde van de seizoenen (te beginnen met de lente) en zijn ze als concerti dan ook zo genummerd (m.a.w. het vierde concerto is niet "l'estate" maar "l'inverno"). Maar goed, men begint hoe dan ook met de lente.
In het allegro verwelkomen de vogels de lente, min of meer zoals het Vrolijk lentelied van Jan De Wilde, maar voorjaarsstormen leggen hen het zwijgen op. Op het einde van de beweging laten ze zich echter al opnieuw horen.
Het largo wil bloemrijke weiden oproepen en takken vol bloesems die zachtjes heen en weer waaien in de wind. De schaapherder is ingedommeld, evenals zijn hond. De man denkt wellicht: I love my dog as much as I love you, zoals Cat Stevens.
Maar met zijn blaffen heeft de hond zijn meester wakker gemaakt, want in het allegro begeeft hij zich met andere schaapherders in een wilde dans met nimfen, begeleid door doedelzakken. Kortom, un gai printemps, zoals die van Le Quatuor.
De zomer begint met een "allegro non molto". Non molto inderdaad, want de loden hitte belet al te veel beweging. Het is de zwoele sfeer die we ook terugvinden in de Summernights van ene meneer Bo Delaire, eigenlijk een productie van Raymond van het Groenewoud. De koekoek kan men horen, gevolgd door het gekoer van een duifje en het 'slaan' van een vink. Dan steekt de wind op en zoekt de schaapherder onderdak voor de naderende storm. (Vergelijk met Riders on the storm van The Doors.)
Die rust vinden we nog terug in het adagio van de tweede beweging, maar dat gaat over in een presto, wanneer de storm opsteekt en vliegen nerveus beginnen rondzoemen. Min of meer zoals ze dat ook nog bij Pink Floyd deden, al is het dan niet in Summer '68 maar in
Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Groovin' With a Pict.
Ook de derde beweging is een presto, want de storm raast nu op volle kracht. Het dondert en bliksemt en het rijpe koren wordt door de stormwind platgelegd. Het zijn geen zomers meer, zucht France Gall: Plus d'été.
De herfst begint traditiegetrouw met een allegro. De boeren vieren met zang en dans de geslaagde oogst. De drank vloeit bij beken en uiteindelijk valt menigeen in de armen van Morpheus, when autumn leaves start to fall.
De tweede beweging is een adagio molto, want iedereen slaapt zijn roes uit bij een koel briesje. People get together, hiding from the weather, zoals The Kinks zingen in Autumn almanac.
Er wordt ook hier afgesloten met een allegro, want de jagers breken de rust met hun hoorns, hun honden en hun geweren. Het wild tracht te ontsnappen, maar tevergeefs. Kortom, het is het jachtige gedoe van Good morning van The Beatles.
De winter tenslotte begint opnieuw met een "allegro non molto", waarin zowel de bijtende wind, als het stampen om de voeten te warmen en het geklapper van de tanden is te horen. Arghe winter ghi zijt cout klaagt Paul Rans.
De tweede beweging is weer een largo, want het roept de behaaglijke warmte van de kachel op, terwijl het buiten regen giet. Het is de stemming die Raymond van het Groenewoud op een winterochtend overvalt.
Men eindigt met een allegro, want het heeft geijzeld en iedereen doet moeite om zich recht te houden op de gladde straten. Sommigen wagen zich ook op bevroren vijvers. Het ijs begint te kraken en ze moeten zich uit de voeten maken. Helemaal op het einde horen we opnieuw de wind die huilt en roept: Mary! Nietwaar, Jimi Hendrix?
Overigens was de bijnaam van Vivaldi "il prete rosso", wat buiten het voor de handliggende "de rode priester" (let op: rood betekent roodharig, want Vivaldi is van de preconciliaire periode) ook nog "de hete bedpan" zou betekenen. Dat is uiteraard niet evident, maar een mogelijke verklaring zou kunnen zijn: zoals men in Brussel een prostituée een "stoof", d.i. een bedverwarmer, noemde - cfr. de Stoofstraat - zo waren pastoors misschien ook gekend om hun seksuele exploten en noemde men een bedverwarmer in het Italiaans dus een "prete", waarbij "rosso" uiteraard "roodgloeiend" kan betekenen.
Alleszins heeft Vivaldi die bijnaam te danken aan het feit dat hij in het meisjesweeshuis waar hij van 1703 tot 1740 was tewerkgesteld het niet zo nauw nam met zijn gelofte van kuisheid. Het "Ospedale della Pietà" was één van de vier ietwat eigenaardige instellingen van Venetië die zowel een hospitaal- als een kloosterfunctie hadden. Naast de zieken werden echter ook jonge, verlaten meisjes opgenomen die binnen de instelling een volledige muzikale opleiding kregen door Vivaldi die met hen ook een orkest vormde dat één van de attractiepolen van het toenmalige Venetië werd. Ze traden o.a. op als begeleiders van de zangeres Maria Bolognese, maar de voornaamste aandacht ging naar de soloconcerti die Vivaldi speciaal voor z'n meisjes schreef.
Hij had daarbij een zulkdanige voorkeur voor de hobo dat die in de muziekgeschiedenis de cornet als favoriete blaasinstrument verdrong. Alle belangrijke hoboïsten uit de periode kregen er hun opleiding (Rion, Penati, Erdmann, Siber...), maar het voornaamste feit was dat reeds in 1707 één van de meisjes tot lerares hobo werd aangesteld. Dit was Pelagrina dall'Oboe, want het was de gewoonte dat de meisjes werden genoemd naar het instrument dat ze bespeelden. Het was echter met een zangeres, Anna Giro, dat Vivaldi de nauwste (zij het volgens de legende: platonische) betrekkingen had. Nochtans heeft hij heel weinig vocaal werk geschreven, wellicht omdat hij voor het koorwerk gehinderd werd door het feit dat het allemaal meisjes waren. Toch schreef hij ook bas- en tenorpartijen (b.v.in zijn Gloria), waarbij hij de basstemmen dan wel doubleerde met de instrumenten om zo het gebrek aan capaciteit te verdoezelen.
Maar hij mocht dan nog wereldberoemd zijn in Venetië, indien hij zijn muziek niet bij Estienne Roger in Amsterdam had uitgegeven, was die beroemdheid misschien nooit buiten de stadsgrenzen geraakt. Nu kwam echter o.m. Bach in het bezit van enkele van zijn werken die hij prompt bewerkte (het concerto voor vier violen tot dat voor vier klavecimbels b.v.)
Wanneer rond 1738 zijn populariteit op de achtergrond wordt gedrongen omdat de kerkelijke overheden hem omwille van zijn relatie verbieden zich nog verder met opera bezig te houden, verlaat hij verbitterd Venetië en zoekt zijn toevlucht bij Karel VI in Wenen, waar hij twaalf jaar eerder reeds te gast was geweest. Tot overmaat van ramp sterft deze bij zijn aankomst, zodat niet alleen de bescherming wegvalt, maar ook dat er gedurende lange tijd geen opera's of concerten mogen worden uitgevoerd. Bovendien neemt zijn slepende ziekte een beslissende wending zodat Vivaldi in 1741 in armoede is gestorven en in een naamloos graf begraven (tiens, waar hebben we dat nog gehoord?). Ook zijn muziek dreigde in de anonymiteit te verzeilen, ware er dus niet dat concert in 1939...
Posts tonen met het label Raymond Van het Groenewoud. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Raymond Van het Groenewoud. Alle posts tonen
woensdag 30 januari 2008
donderdag 20 december 2007
Piano, maar dan fortissimo
Wie piano zegt, die denkt onmiddellijk aan de Koningin Elisabeth-wedstrijd of andere esbattementen van dergelijke strekking en... niet ten onrechte. De verhouding tussen het koninginne-instrument van de "ernstige" muziek en de "lichte" muziek is nogal tumultueus van de aard geweest. Nu alle rockgroepen ruimschoots (véél te ruimschoots zelf!) gebruik maken van een achterkleinkind van de piano, de synthesizer, is deze tegenstelling niet meer zo opvallend, maar aangezien het hier eerder een bastaardkind betreft (buiten het feit dat men het eveneens met toetsen bespeelt, zijn verder alle overeenkomsten louter toevallig), blijft de spankracht eigenlijk toch wel bestaan. Genoeg alleszins om er even bij stil te staan, dachten wij zo.
De oorsprong van de piano gaat terug tot de 14de en 15de eeuw toen men begon met het bouwen van klavecimbels en spinetten (eigenlijk gewoon een klein klavecimbel, meestal rechthoekig). Antwerpen was een belangrijk centrum hiervan met de Ruckers-dynastie. Al heel vroeg begon men te experimenteren met instrumenten die een snaar aansloegen in plaats van ze te tokkelen (“trekken”), zoals bij het klavecimbel. Van al deze experimenten kende enkel het klavichord een zekere populariteit.
Het oudst bekende handschrift waarin de naam klavichord voorkomt, is "Der Minne Regeln" van E.C.von Minden (1404). Het is een samenvoeging van de "monochord" (met één snaar; al gekend van bij Pythagoras) en "clavis" (sleutel), een term uit de orgelliteratuur waar de toetsen als sleutel fungeerden om kleppen te openen die lucht in de pijpen binnenlieten, bij uitbreiding werd het dus een benaming voor "toets". Het klavier kan worden beschouwd als opvolger van de luit en precies daardoor kon de klaviermuziek zich losmaken van de orgelmuziek. Net zoals op de luit werd er immers profane muziek op uitgevoerd. In 1425 beschrijft Arnaut Van Zwolle als eerste het klavichord. Het oudst bewaarde instrument dateert echter pas uit de zestiende eeuw.
In 1698 is er dan de uitvinding van de "arpicembalo che fà il piano e il forte" door de Florentijn Bartolomeo Cristofori, later afgekort tot “pianoforte”. We kennen dit instrument enkel uit beschrijvingen en patentbrieven, want geen van de instrumenten die hij vervaardigde heeft de tijden overleefd.
In 1721 legt Gottfried Silbermann zijn "cembal d'amour" voor aan J.S.Bach. Vertrekkende van een clavichord, combineert hij dit met de mechaniek van Cristofori. Bach heeft kritiek op de slechte kwaliteit van de hoge tonen en de moeilijkheden bij het bespelen van het instrument. Het zal nog tot 1747 duren vooraleer hij Frederik II een positief advies over dit instrument zal geven.
In 1751 vindt Franz Jacob Späth in Regensburg de tangentenflügel uit, misschien geïnspireerd door het instrument van Christoph Gottlieb Schröter uit 1717.
In 1767 werd ook voor het eerst een pianoforte gebruikt bij een publieke uitvoering. Ene mister Dibdin begeleidde er namelijk het lied "Judith" van Thomas Arne op. Een jaar later gaf Johann Christian Bach in Londen een eerste solorecital op pianoforte. Daardoor was de belangstelling gewekt van Burckhardt Shudi, maar het was vooral zijn schoonzoon John Broadwood die zich op de pianobouw zou toeleggen.
Uit 1787 dateert de oudste vleugel van John Broadwood. Deze krachtige piano stond in schril contrast met de Weense traditie van A.Stein (1728-1792; hij woonde en werkte evenwel in Augsburg), zijn dochter Nannette Streicher, Conrad Graf en Anton Walter, die eerder op het klavichord hadden verdergebouwd. Sloten wel aan bij de traditie van Broadwood: Sébastien Erard (1752-1831), die nochtans reeds in 1777 in Parijs zijn eerste vleugel had voorgesteld, en John Isaac Hawkins (1799-1845), die in 1800 in Philadelphia voor het eerst metalen banden construeert tussen het stemblok (met pennen) en het klankbord, teneinde de steeds groter wordende spanning van de snaren op te vangen. Hij verbeterde eveneens het model dat in 1780 als de eerste rechtopstaande piano ("buffetpiano") werd gepresenteerd door John Schmidt in Salzburg.
In 1821 vervolmaakte Erard de repetitiemechaniek, waarbij de hamer die tegen de snaar werd opgegooid niet helemaal terugviel, maar ongeveer halverwege bleef hangen. Zo werd een vrijwel ongelimiteerde snelle toonherhaling mogelijk. Vanaf deze uitvinding gebruikte men de term "piano" in plaats van "pianoforte".
J.N.Hamal (1709-1778) introduceert de pianoforte in onze gewesten. De oudst overgebleven Belgische piano is echter van de in Gent gevestigde bouwer Christian Fuhrmann. Uit de naam zouden we kunnen afleiden dat hij uit Oostenrijk afkomstig was, waar er een bouwersfamilie met dezelfde naam bestond, maar eigenlijk weten we niets van hem af. Die piano uit 1776 is een kleine tafelpiano die in het gemeentelijke museum van Ronse wordt bewaard.
De eerste Gentse pianobouwer met een gekende geschiedenis is Symphorien Ermel. De man dankt zijn ongewone voornaam aan zijn geboortedorp Saint Symphorien nabij Bergen. Hij vestigde zich rond 1790 in Gent, waar hij ook faam verwierf als pianist en componist. In 1829 verhuist hij zijn winkel van Pekelharing naar de Kortemeire nr.1, maar waarschijnlijk was hij toen reeds gestopt met het bouwen van piano’s en deed hij enkel nog verkoop en herstellingen. Hij stierf in 1843.
In 1836 had Ermel zijn pianozaak reeds gesloten, wat voor Jean Dammekens het sein was om drie huizen verder zijn werkplaats te openen. Dammekens was op dat moment vooral gekend als pianist, maar die overgang naar bouwer is niet zo uitzonderlijk, als men weet dat o.a. Ignaz Pleyel en Muzio Clementi hem dat al hadden voorgedaan. Het bedrijf van Dammekens kende een geweldige bloei. Vijf jaar na de opening werkten er reeds 32 arbeiders en 16 leerjongens, terwijl hij ook nog 18 thuiswerkers in dienst had! Precies even snel volgde echter ook weer de neergang, want de economische crisis van 1847-48 werd hem fataal. In 1847 verhuisde hij naar de Vrijdagmarkt waar ook hij enkel nog als verkoper werkzaam was.
In 1864 perfectioneert Henry Engelhard Steinweg (later Steinway) het rechterpedaal dat Montal twee jaar eerder naast het oorspronkelijke pedaal had geplaatst, dat de registers moet bedienen.
IN BORDEEL EN KERK
Als we de relatie tussen rock en klassiek onder handen willen nemen, dan kunnen we er niet onderuit: we moeten eerst een kleine honderd jaar terug, naar het ontstaan van de jazz met andere woorden. Toen al ontsponnen er zich heftige discussies tussen voor- en tegenstanders van de aanwending van een piano in een jazz-orkest. Het is immers duidelijk dat men geen jazz-piano kan spelen, zoals men bijvoorbeeld met een cornet kon doen, namelijk door naar anderen te luisteren, op een zekere dag ergens een gedeukt instrument te kopen of te lenen en dan op het gehoor beginnen te musiceren. Neen, wie piano wilde spelen, al was het dan jazz-piano, die moest een soliede klassieke opleiding hebben genoten. Dat was zeker het geval met de eerste grote jazz-pianisten, Scott Joplin en Jelly Roll Morton bijvoorbeeld.
Tegenstanders wezen er echter op dat door de "geleerdheid" van de jazz-pianisten veel spontaneïteit en vitaliteit verloren ging, hiervoor hoeven we maar naar de blanke grote jazz-orkesten zoals dat van Paul Whiteman te luisteren. Anderzijds kan men er echter niet onderuit dat men moeilijk een muzikale carrière kan opbouwen op "spontaneïteit" alleen. Ook andere instrumentisten moeten alras ervaren: ofwel een grondige opleiding volgen ofwel voor eeuwig blijven stuntelen. Hoeveel talenten zijn bijgevolg nooit ontdekt omdat "klassieke" ouders hun kinderen wijsmaakten dat er voor die "junglemuziek" geen muziekkennis is vereist! Aangezien zoon- of dochterlief dan weliswaar door de rockmicrobe mag gebeten zijn, heeft hij of zij toch geen zin om uren aan een stuk arpeggio's of andere saaie oefeningen te tokkelen: 't zal zo ook wel gaan! En zo moeten we het zoeken naar een opvolger van Raymond van het Groenewoud (klassieke opleiding, jawel!) alweer uitstellen.
Nu, afgezien van deze discussie over het geslacht van de engelen was er nog een ander element dat de integratie van de piano in een rockorkest niet heeft bevorderd. Als we ons immers vijftig jaar verder verplaatsen in de tijd, namelijk wanneer midden deze eeuw de rock'n'roll ontstaat, dan is de "vader" laten we zeggen inderdaad de jazz, meer bepaald de rhythm'n'blues, maar de "moeder" is de blanke country-muziek, wat bijvoorbeeld zeer goed te merken is bij twee mensen die toch aan de wieg van de rock stonden: Bill Haley en Elvis Presley. Nu was de jazz ondertussen stilaan respectabel geworden en de "straatperiode" van New Orleans reeds ontgroeid, country-muziek daarentegen was meestal nog steeds een volkse aangelegenheid. Spelen op straathoeken met andere woorden en bijgevolg aangepaste instrumenten: gitaar, stringbas, drums. En dat werd dan ook het basisinstrumentarium van een rockgroep (Scotty Moore, Bill Black en D.J. Fontana bij Elvis, maar ook bijvoorbeeld The Crickets van Buddy Holly en The Comets van Bill Haley; Jerry Lee Lewis is de beroemde uitzondering op de regel, omdat hij pianoles had gekregen van de blinde zwarte pianist Paul Whitehead uit New Orleans).
Nochtans was er een plaats waar men "vrij en ongedwongen" de piano kon betokkelen: het bordeel. Uit deze traditie van weliswaar ritmisch maar toch bezadigd te keer gaan (hoe zou het ook anders kunnen!), groeide bijvoorbeeld de stijl van een Fats Domino, terwijl de frenetieke Ray Charles of Little Richard hun opwinding eerder uit... de kerk haalde. Sinds de mooie film "Mississippi Blues" van Bertrand Tavernier weet iedereen - en vooral de reeds genoemde R.V.H.G. ("Liefde voor muziek"!) - hoe opwindend het er tijdens een zwarte eredienst kan aan toegaan. Uiteraard fungeert een orgel hier als begeleidingsinstrument, maar dit aanvaarden we nog als een volle neef van ons troetelkind, onder meer wegens de virtuositeit waarmee genoemde Richard ernaar overschakelde, nadat hij uit het kerkgebouw werd gekieperd aangezien hij het toch een beetje àl te bont had gemaakt. Wat natuurlijk niet belet dat er rechtstreeks uit deze orgeltraditie ook grote rock-organisten zijn opgestaan zoals Booker T. Jones en Bill Doggett. Ongetwijfeld hebben zij veel te danken aan het pionierswerk van Jimmy Smith (1925-2005) die het Hammond-orgel introduceerde in de jazz.
VAN THE BEATLES NAAR PROCOL HARUM
Wie de al even knappe Amerikaanse documentaire van Patrick Montgomery over The Beatles heeft gezien, die weet dat nog eens tien jaar later deze Liverpoolse arbeiderskinderen die het aangezicht van de wereld zouden veranderen ook uit deze twee vaatjes tappen: de zwarte rock- en bluesplaten die via de Amerikaanse schepen in de haven werden aangevoerd en de op country en vooral country-blues teruggaande skiffle-folk van Lonnie Donegan en consoorten. Tegelijk met The Shadows (toen nog The Drifters) starten The Beatles dan ook als skifflegroep onder de naam The Quarrymen en de samenstelling blijft haast ongewijzigd ten opzichte van de jaren vijftig: solo-gitaar, bas, drums, alleen begint de sporadisch aanwezige ritme-gitaar een meer prominente rol te spelen (denken we maar aan het feit hoe Keith Richards bij The Rolling Stones de gevormde instrumentalist Brian Jones van het voorplan verdringt, met de gekende gevolgen...).
The Shadows halen echter enkele jaren vroeger dan The Beatles de top (zij waren van Londen, het centrum van de showbizz en niet uit de "provincie" zoals de Fab Four) en zij versterken nog deze basisopstelling. Bijna alle instrumentale groepen (bij ons bijvoorbeeld The Jokers) gaan de nadruk leggen op de elektrische gitaar, de enige tegenzet komt van producer Joe Meek die een groep samenstelt met het orgel als centraal instrument: The Tornadoes, maar buiten de gelegenheidshit "Telstar" hebben die het in feite nooit erg ver gebracht.
Natuurlijk wil dit ook weer niet zeggen dat àlle beatgroepen op dat stramien gebaseerd waren. Het succes van The Animals ("House of the rising sun") was bijvoorbeeld in niet geringe mate gebaseerd op het briljante orgelspel van Alan Price, maar het is misschien toch typisch dat deze succesformule niet lang stand hield en dat nadat Price zijn eigen Alan Price Set had gesticht - "I put a spell on you" (*) - hij meer de jazz-toer opging, zoals onder meer ook zijn vriend Georgie Fame. En bij The Spencer Davis Group ("Gimme some loving") zat weliswaar ene Steve Winwood, maar die was nog zo piepjong dat hij ook pas later met Traffic ("Paper sun") of solo ("Arc of a diver") echt tot ontplooiing kwam. En bij het quasi onbekende groepje Bluesology zat niet alleen een zanger met een fantastische stem (Rod Stewart) maar ook een pianist, die later de weg zou effenen voor een hele generatie singer-songwriters: Elton John. (**)
Neen, alvorens het klavier een vaste plaats kreeg toegewezen moest men eerst wachten op het bewierookte flower power-jaar 1967, waarin The Beatles zelf het rockinstrumentarium open gooien met "Sgt. Pepper's lonely heartsclub band", maar waar het toch vooral de groep Procol Harum is die met "A whiter shade of pale" de toon zet voor het volgende decennium in de popmuziek. Het gaf bij ons b.v. de kans aan ene Raymond van het Groenewoud om orgel te spelen bij de Antwerpse balgroep St.-James: "Dankzij Procol Harum en A whiter shade of pale! Dan wilden al die gitaargroepjes plotseling ook iemand hebben die orgel kon spelen."
Procol Harum was opgebouwd rond pianist-componist Gary Brooker, maar in eerste instantie is het toch vooral organist Matthew Fisher die met zijn intro, een bewerking van een Bach-thema, hoge ogen gooit. Terecht kreeg hij in 2006 eindelijk datgene waarop hij recht had, met name een deel van de auteursrechten (zij het, helaas voor hem, niét met terugwerkende kracht).
Meteen had de klassieke muziek voor het eerst op een ernstige manier een doorbraak naar de popmuziek geforceerd (vroeger waren er natuurlijk wel reeds, vaak komische, aanpassingen van klassiekers geweest, zoals bijvoorbeeld "Nut rocker" van B. Bumble and the Stringers naar, jawel, Tsjaikovski's "Notenkraker"). Tegelijk was al onmiddellijk het hek van de dam: The Moody Blues namen "Days of future past" op met The London Symphony Orchestra (iedereen kent hieruit wel "Nights in white satin") en nog later zouden Keith Emerson van The Nice, Jon Lord van Deep Purple en Rick Wakeman van Yes hen dit na doen. Soms met succes, maar steeds met bombast en dus loerde de verveling en de dikkenekkerij reeds om het hoekje. De punks zouden daar in 1977 dan ook flink het mes inzetten (al zette met name Keith Emerson vaak eigenhandig het mes in zijn orgel, letterlijk dan) en opnieuw naar de basisformule gitaar-bas-drums grijpen (The Sex Pistols bijvoorbeeld).
Het zal echter een Pyrrhus-overwinning worden, want in de marge van het popgebeuren waren er dankzij uitvinder Robert Moog (1934-2005) heel andere ontwikkelingen op gang gekomen. Eerst nog een beetje onhandig zoals bij Walter Carlos met "Switched-on-Bach" bijvoorbeeld (Walter Carlos is ondertussen Jenny Carlos geworden, no kidding) maar later met veel bravoure door de reeds genoemde Keith Emerson, die mij in zijn volgende groep Emerson, Lake & Palmer met de synthesizer kon verzoenen dankzij de diep kervende solo aan het einde van “Lucky man”. Oh! What a lucky man he was...
Ronny De Schepper
(*) Kenners vragen zich al jaren af wat de instrumentale keerzijde van "I put a spell on you", "Iechyd‑da" (spreek uit “yèkee dà”) wel mag betekenen. Wel, dit is Welsh voor "good health": used as a drinking toast to wish somebody else good health. (Gregory Ball)
(**) In afwachting van een aparte bijdrage over de mensen die in de voetsporen van Franz Schubert traden, hier reeds een paar namen om jullie te doen watertanden: Billy Joel, Randy Newman, Tom Waits...
De oorsprong van de piano gaat terug tot de 14de en 15de eeuw toen men begon met het bouwen van klavecimbels en spinetten (eigenlijk gewoon een klein klavecimbel, meestal rechthoekig). Antwerpen was een belangrijk centrum hiervan met de Ruckers-dynastie. Al heel vroeg begon men te experimenteren met instrumenten die een snaar aansloegen in plaats van ze te tokkelen (“trekken”), zoals bij het klavecimbel. Van al deze experimenten kende enkel het klavichord een zekere populariteit.
Het oudst bekende handschrift waarin de naam klavichord voorkomt, is "Der Minne Regeln" van E.C.von Minden (1404). Het is een samenvoeging van de "monochord" (met één snaar; al gekend van bij Pythagoras) en "clavis" (sleutel), een term uit de orgelliteratuur waar de toetsen als sleutel fungeerden om kleppen te openen die lucht in de pijpen binnenlieten, bij uitbreiding werd het dus een benaming voor "toets". Het klavier kan worden beschouwd als opvolger van de luit en precies daardoor kon de klaviermuziek zich losmaken van de orgelmuziek. Net zoals op de luit werd er immers profane muziek op uitgevoerd. In 1425 beschrijft Arnaut Van Zwolle als eerste het klavichord. Het oudst bewaarde instrument dateert echter pas uit de zestiende eeuw.
In 1698 is er dan de uitvinding van de "arpicembalo che fà il piano e il forte" door de Florentijn Bartolomeo Cristofori, later afgekort tot “pianoforte”. We kennen dit instrument enkel uit beschrijvingen en patentbrieven, want geen van de instrumenten die hij vervaardigde heeft de tijden overleefd.
In 1721 legt Gottfried Silbermann zijn "cembal d'amour" voor aan J.S.Bach. Vertrekkende van een clavichord, combineert hij dit met de mechaniek van Cristofori. Bach heeft kritiek op de slechte kwaliteit van de hoge tonen en de moeilijkheden bij het bespelen van het instrument. Het zal nog tot 1747 duren vooraleer hij Frederik II een positief advies over dit instrument zal geven.
In 1751 vindt Franz Jacob Späth in Regensburg de tangentenflügel uit, misschien geïnspireerd door het instrument van Christoph Gottlieb Schröter uit 1717.
In 1767 werd ook voor het eerst een pianoforte gebruikt bij een publieke uitvoering. Ene mister Dibdin begeleidde er namelijk het lied "Judith" van Thomas Arne op. Een jaar later gaf Johann Christian Bach in Londen een eerste solorecital op pianoforte. Daardoor was de belangstelling gewekt van Burckhardt Shudi, maar het was vooral zijn schoonzoon John Broadwood die zich op de pianobouw zou toeleggen.
Uit 1787 dateert de oudste vleugel van John Broadwood. Deze krachtige piano stond in schril contrast met de Weense traditie van A.Stein (1728-1792; hij woonde en werkte evenwel in Augsburg), zijn dochter Nannette Streicher, Conrad Graf en Anton Walter, die eerder op het klavichord hadden verdergebouwd. Sloten wel aan bij de traditie van Broadwood: Sébastien Erard (1752-1831), die nochtans reeds in 1777 in Parijs zijn eerste vleugel had voorgesteld, en John Isaac Hawkins (1799-1845), die in 1800 in Philadelphia voor het eerst metalen banden construeert tussen het stemblok (met pennen) en het klankbord, teneinde de steeds groter wordende spanning van de snaren op te vangen. Hij verbeterde eveneens het model dat in 1780 als de eerste rechtopstaande piano ("buffetpiano") werd gepresenteerd door John Schmidt in Salzburg.
In 1821 vervolmaakte Erard de repetitiemechaniek, waarbij de hamer die tegen de snaar werd opgegooid niet helemaal terugviel, maar ongeveer halverwege bleef hangen. Zo werd een vrijwel ongelimiteerde snelle toonherhaling mogelijk. Vanaf deze uitvinding gebruikte men de term "piano" in plaats van "pianoforte".
J.N.Hamal (1709-1778) introduceert de pianoforte in onze gewesten. De oudst overgebleven Belgische piano is echter van de in Gent gevestigde bouwer Christian Fuhrmann. Uit de naam zouden we kunnen afleiden dat hij uit Oostenrijk afkomstig was, waar er een bouwersfamilie met dezelfde naam bestond, maar eigenlijk weten we niets van hem af. Die piano uit 1776 is een kleine tafelpiano die in het gemeentelijke museum van Ronse wordt bewaard.
De eerste Gentse pianobouwer met een gekende geschiedenis is Symphorien Ermel. De man dankt zijn ongewone voornaam aan zijn geboortedorp Saint Symphorien nabij Bergen. Hij vestigde zich rond 1790 in Gent, waar hij ook faam verwierf als pianist en componist. In 1829 verhuist hij zijn winkel van Pekelharing naar de Kortemeire nr.1, maar waarschijnlijk was hij toen reeds gestopt met het bouwen van piano’s en deed hij enkel nog verkoop en herstellingen. Hij stierf in 1843.
In 1836 had Ermel zijn pianozaak reeds gesloten, wat voor Jean Dammekens het sein was om drie huizen verder zijn werkplaats te openen. Dammekens was op dat moment vooral gekend als pianist, maar die overgang naar bouwer is niet zo uitzonderlijk, als men weet dat o.a. Ignaz Pleyel en Muzio Clementi hem dat al hadden voorgedaan. Het bedrijf van Dammekens kende een geweldige bloei. Vijf jaar na de opening werkten er reeds 32 arbeiders en 16 leerjongens, terwijl hij ook nog 18 thuiswerkers in dienst had! Precies even snel volgde echter ook weer de neergang, want de economische crisis van 1847-48 werd hem fataal. In 1847 verhuisde hij naar de Vrijdagmarkt waar ook hij enkel nog als verkoper werkzaam was.
In 1864 perfectioneert Henry Engelhard Steinweg (later Steinway) het rechterpedaal dat Montal twee jaar eerder naast het oorspronkelijke pedaal had geplaatst, dat de registers moet bedienen.
IN BORDEEL EN KERK
Als we de relatie tussen rock en klassiek onder handen willen nemen, dan kunnen we er niet onderuit: we moeten eerst een kleine honderd jaar terug, naar het ontstaan van de jazz met andere woorden. Toen al ontsponnen er zich heftige discussies tussen voor- en tegenstanders van de aanwending van een piano in een jazz-orkest. Het is immers duidelijk dat men geen jazz-piano kan spelen, zoals men bijvoorbeeld met een cornet kon doen, namelijk door naar anderen te luisteren, op een zekere dag ergens een gedeukt instrument te kopen of te lenen en dan op het gehoor beginnen te musiceren. Neen, wie piano wilde spelen, al was het dan jazz-piano, die moest een soliede klassieke opleiding hebben genoten. Dat was zeker het geval met de eerste grote jazz-pianisten, Scott Joplin en Jelly Roll Morton bijvoorbeeld.
Tegenstanders wezen er echter op dat door de "geleerdheid" van de jazz-pianisten veel spontaneïteit en vitaliteit verloren ging, hiervoor hoeven we maar naar de blanke grote jazz-orkesten zoals dat van Paul Whiteman te luisteren. Anderzijds kan men er echter niet onderuit dat men moeilijk een muzikale carrière kan opbouwen op "spontaneïteit" alleen. Ook andere instrumentisten moeten alras ervaren: ofwel een grondige opleiding volgen ofwel voor eeuwig blijven stuntelen. Hoeveel talenten zijn bijgevolg nooit ontdekt omdat "klassieke" ouders hun kinderen wijsmaakten dat er voor die "junglemuziek" geen muziekkennis is vereist! Aangezien zoon- of dochterlief dan weliswaar door de rockmicrobe mag gebeten zijn, heeft hij of zij toch geen zin om uren aan een stuk arpeggio's of andere saaie oefeningen te tokkelen: 't zal zo ook wel gaan! En zo moeten we het zoeken naar een opvolger van Raymond van het Groenewoud (klassieke opleiding, jawel!) alweer uitstellen.
Nu, afgezien van deze discussie over het geslacht van de engelen was er nog een ander element dat de integratie van de piano in een rockorkest niet heeft bevorderd. Als we ons immers vijftig jaar verder verplaatsen in de tijd, namelijk wanneer midden deze eeuw de rock'n'roll ontstaat, dan is de "vader" laten we zeggen inderdaad de jazz, meer bepaald de rhythm'n'blues, maar de "moeder" is de blanke country-muziek, wat bijvoorbeeld zeer goed te merken is bij twee mensen die toch aan de wieg van de rock stonden: Bill Haley en Elvis Presley. Nu was de jazz ondertussen stilaan respectabel geworden en de "straatperiode" van New Orleans reeds ontgroeid, country-muziek daarentegen was meestal nog steeds een volkse aangelegenheid. Spelen op straathoeken met andere woorden en bijgevolg aangepaste instrumenten: gitaar, stringbas, drums. En dat werd dan ook het basisinstrumentarium van een rockgroep (Scotty Moore, Bill Black en D.J. Fontana bij Elvis, maar ook bijvoorbeeld The Crickets van Buddy Holly en The Comets van Bill Haley; Jerry Lee Lewis is de beroemde uitzondering op de regel, omdat hij pianoles had gekregen van de blinde zwarte pianist Paul Whitehead uit New Orleans).
Nochtans was er een plaats waar men "vrij en ongedwongen" de piano kon betokkelen: het bordeel. Uit deze traditie van weliswaar ritmisch maar toch bezadigd te keer gaan (hoe zou het ook anders kunnen!), groeide bijvoorbeeld de stijl van een Fats Domino, terwijl de frenetieke Ray Charles of Little Richard hun opwinding eerder uit... de kerk haalde. Sinds de mooie film "Mississippi Blues" van Bertrand Tavernier weet iedereen - en vooral de reeds genoemde R.V.H.G. ("Liefde voor muziek"!) - hoe opwindend het er tijdens een zwarte eredienst kan aan toegaan. Uiteraard fungeert een orgel hier als begeleidingsinstrument, maar dit aanvaarden we nog als een volle neef van ons troetelkind, onder meer wegens de virtuositeit waarmee genoemde Richard ernaar overschakelde, nadat hij uit het kerkgebouw werd gekieperd aangezien hij het toch een beetje àl te bont had gemaakt. Wat natuurlijk niet belet dat er rechtstreeks uit deze orgeltraditie ook grote rock-organisten zijn opgestaan zoals Booker T. Jones en Bill Doggett. Ongetwijfeld hebben zij veel te danken aan het pionierswerk van Jimmy Smith (1925-2005) die het Hammond-orgel introduceerde in de jazz.
VAN THE BEATLES NAAR PROCOL HARUM
Wie de al even knappe Amerikaanse documentaire van Patrick Montgomery over The Beatles heeft gezien, die weet dat nog eens tien jaar later deze Liverpoolse arbeiderskinderen die het aangezicht van de wereld zouden veranderen ook uit deze twee vaatjes tappen: de zwarte rock- en bluesplaten die via de Amerikaanse schepen in de haven werden aangevoerd en de op country en vooral country-blues teruggaande skiffle-folk van Lonnie Donegan en consoorten. Tegelijk met The Shadows (toen nog The Drifters) starten The Beatles dan ook als skifflegroep onder de naam The Quarrymen en de samenstelling blijft haast ongewijzigd ten opzichte van de jaren vijftig: solo-gitaar, bas, drums, alleen begint de sporadisch aanwezige ritme-gitaar een meer prominente rol te spelen (denken we maar aan het feit hoe Keith Richards bij The Rolling Stones de gevormde instrumentalist Brian Jones van het voorplan verdringt, met de gekende gevolgen...).
The Shadows halen echter enkele jaren vroeger dan The Beatles de top (zij waren van Londen, het centrum van de showbizz en niet uit de "provincie" zoals de Fab Four) en zij versterken nog deze basisopstelling. Bijna alle instrumentale groepen (bij ons bijvoorbeeld The Jokers) gaan de nadruk leggen op de elektrische gitaar, de enige tegenzet komt van producer Joe Meek die een groep samenstelt met het orgel als centraal instrument: The Tornadoes, maar buiten de gelegenheidshit "Telstar" hebben die het in feite nooit erg ver gebracht.
Natuurlijk wil dit ook weer niet zeggen dat àlle beatgroepen op dat stramien gebaseerd waren. Het succes van The Animals ("House of the rising sun") was bijvoorbeeld in niet geringe mate gebaseerd op het briljante orgelspel van Alan Price, maar het is misschien toch typisch dat deze succesformule niet lang stand hield en dat nadat Price zijn eigen Alan Price Set had gesticht - "I put a spell on you" (*) - hij meer de jazz-toer opging, zoals onder meer ook zijn vriend Georgie Fame. En bij The Spencer Davis Group ("Gimme some loving") zat weliswaar ene Steve Winwood, maar die was nog zo piepjong dat hij ook pas later met Traffic ("Paper sun") of solo ("Arc of a diver") echt tot ontplooiing kwam. En bij het quasi onbekende groepje Bluesology zat niet alleen een zanger met een fantastische stem (Rod Stewart) maar ook een pianist, die later de weg zou effenen voor een hele generatie singer-songwriters: Elton John. (**)
Neen, alvorens het klavier een vaste plaats kreeg toegewezen moest men eerst wachten op het bewierookte flower power-jaar 1967, waarin The Beatles zelf het rockinstrumentarium open gooien met "Sgt. Pepper's lonely heartsclub band", maar waar het toch vooral de groep Procol Harum is die met "A whiter shade of pale" de toon zet voor het volgende decennium in de popmuziek. Het gaf bij ons b.v. de kans aan ene Raymond van het Groenewoud om orgel te spelen bij de Antwerpse balgroep St.-James: "Dankzij Procol Harum en A whiter shade of pale! Dan wilden al die gitaargroepjes plotseling ook iemand hebben die orgel kon spelen."
Procol Harum was opgebouwd rond pianist-componist Gary Brooker, maar in eerste instantie is het toch vooral organist Matthew Fisher die met zijn intro, een bewerking van een Bach-thema, hoge ogen gooit. Terecht kreeg hij in 2006 eindelijk datgene waarop hij recht had, met name een deel van de auteursrechten (zij het, helaas voor hem, niét met terugwerkende kracht).
Meteen had de klassieke muziek voor het eerst op een ernstige manier een doorbraak naar de popmuziek geforceerd (vroeger waren er natuurlijk wel reeds, vaak komische, aanpassingen van klassiekers geweest, zoals bijvoorbeeld "Nut rocker" van B. Bumble and the Stringers naar, jawel, Tsjaikovski's "Notenkraker"). Tegelijk was al onmiddellijk het hek van de dam: The Moody Blues namen "Days of future past" op met The London Symphony Orchestra (iedereen kent hieruit wel "Nights in white satin") en nog later zouden Keith Emerson van The Nice, Jon Lord van Deep Purple en Rick Wakeman van Yes hen dit na doen. Soms met succes, maar steeds met bombast en dus loerde de verveling en de dikkenekkerij reeds om het hoekje. De punks zouden daar in 1977 dan ook flink het mes inzetten (al zette met name Keith Emerson vaak eigenhandig het mes in zijn orgel, letterlijk dan) en opnieuw naar de basisformule gitaar-bas-drums grijpen (The Sex Pistols bijvoorbeeld).
Het zal echter een Pyrrhus-overwinning worden, want in de marge van het popgebeuren waren er dankzij uitvinder Robert Moog (1934-2005) heel andere ontwikkelingen op gang gekomen. Eerst nog een beetje onhandig zoals bij Walter Carlos met "Switched-on-Bach" bijvoorbeeld (Walter Carlos is ondertussen Jenny Carlos geworden, no kidding) maar later met veel bravoure door de reeds genoemde Keith Emerson, die mij in zijn volgende groep Emerson, Lake & Palmer met de synthesizer kon verzoenen dankzij de diep kervende solo aan het einde van “Lucky man”. Oh! What a lucky man he was...
Ronny De Schepper
(*) Kenners vragen zich al jaren af wat de instrumentale keerzijde van "I put a spell on you", "Iechyd‑da" (spreek uit “yèkee dà”) wel mag betekenen. Wel, dit is Welsh voor "good health": used as a drinking toast to wish somebody else good health. (Gregory Ball)
(**) In afwachting van een aparte bijdrage over de mensen die in de voetsporen van Franz Schubert traden, hier reeds een paar namen om jullie te doen watertanden: Billy Joel, Randy Newman, Tom Waits...
Labels:
Procol Harum,
Raymond Van het Groenewoud
Jan De Wilde
Volgens Miel Appelmans, de “paus” van Tliedboek, zijn er slechts drie ware talenten in Vlaanderen: Wannes van de Velde, Raymond van het Groenewoud en Jan De Wilde.
Als nieuwjaarsgeschenk geboren in 1944 in Aalst, toen de Duitsers reeds nattigheid begonnen te voelen, is Jan Albert Maria De Wilde van zijn vijfde tot zijn veertiende jaar lid van het knapenkoor van het Sint-Maartensinstituut, wat later het befaamde Cantate Domino zou worden. Op vijftienjarige leeftijd was hij aan een eerste gitaar toe. Georges Brassens staat op dat moment in grote letters in zijn dagboek vermeld. Nu nog trouwens. Wel grappig, als men weet dat zowat iedereen ermee akkoord gaat dat Jan De Wilde kan worden aangeduid als "the turning point" in de geschiedenis van de Vlaamse "gitaarklopperkes", zoals wijlen collega Lode De Pooter de Vlaamse rockscene bestempelde, precies omdat Jans innovatie erin bestond op het eind van de jaren zestig over te schakelen naar het in de popmuziek reeds zeer populaire Angelsaksische idioom. Wie vóór De Wilde in Vlaanderen au sérieux wenste te worden genomen met op muziek gezette teksten deed dat tot dan toe immers door min of meer klakkeloos de Franse chansonniers na te apen.
AUTOBIOGRAFISCH?
In 1967 mag Jan De Wilde terecht een bloem in zijn haar steken, want niet alleen behaalt hij dan het diploma van kunstschilder in Sint-Lukas te Gent, maar ook mogen twee liedjes van hem naast Ferre Grignard en Wannes van de Velde plaatsnemen op de elpee "De Muze". Hijzelf vond zich toen al een hele schijf waardig, maar die kwam er pas in 1970 toen hij opgemerkt werd op het Humorfestival van Heist. Nadien wordt zijn aandrang om elpees te maken steeds kleiner, de tussenpozen worden des te groter.
Telkens krijgen die albums wel een zeer autobiografisch cachet mee. De eerste heette "Zzzrroo" (zéér autobiografisch, bevestigt echtgenote Lieve Van Steenberge, in het gewone leven vertaalster bij de VRT), door genoemde Appelmans onmiddellijk als “de beste Vlaamse elpee aller tijden” uitgeroepen. De tweede wordt "Vogelenzang 5" (1972), zijn toenmalige adres, toevallig ook dat van Louis Paul Boon. Kwalitatief gezien was deze eigenlijk nóg beter, maar het verrassingseffect was weg, zodat het terugkeren van onderwerpen zoals de dood en het zichzelf relativeren hier en daar reeds tégen Jan werden uitgespeeld. Vandaar dat de derde, "Knikkerterrorist" (1975), het qua thematiek over een andere boeg gooide. Nummers als “Rolstoel” en in mindere mate ook “Brugge” openbaarden voor mij althans een nieuwe Jan De Wilde. Op de volgende "PVBA Koekejoe en Cie" (1980) leren we dan weer dat die Koekejoe een knikkerterrorist is die eet met z'n handen en zo mager is als een lat.
- Ondanks het feit dat ik me zeer bewust ben van het gevaar uit teksten, hoe autobiografisch ze ook mogen zijn of schijnen, conclusies te trekken voor wat de schrijver zelf betreft, lijk jij me toch iemand die vooral de nadruk legt op het schrijven van teksten. Daarmee bedoel ik dat je pas een lied maakt wanneer je een onderwerp hebt en dat dit onderwerp ook niet los van jou staat. Dat je dus niet zegt: ik moet nu eenmaal elk jaar of om de twee jaar een elpee uitbrengen. Dat is trouwens bewezen. Daarom vraag ik mij af: hoe ver kan je daarin gaan, met het vereenzelvigen van Jan De Wilde, de zanger, met de Jan De Wilde zoals die uit de teksten naar voren komt?
Jan: Eerst en vooral moet ik zeggen dat ik eerst de melodie schrijf en dan pas de tekst.
- Dat verwondert mij. En heb je dan zelfs geen onderwerp in je hoofd op dat moment?
Jan: Neen. Soms gebeurt het wel dat ik reeds een zin heb of een onderwerp, maar dat is dan vaak moeilijk vol te houden. De reden waarom ik zo werk is echter gewoon van vormelijke aard. Het is gemakkelijker een tekst op een melodie te schrijven dan omgekeerd. Bovendien onthou ik zeer, zeer goed melodieën. Ik ben feitelijk wel meer muzikant dan ik me gewoonlijk voordoe. Wat er uit de bus komt, is misschien niet zo geweldig, maar ik voel me meer muzikant dan wat anders. Ik kan echter ook wel teksten maken. Ik heb nu stilaan de techniek.
Over dat andere aspect, namelijk de ik-vorm, in die vorm zit je dichter bij het onderwerp. Ik denk aan "Rolstoel" bijvoorbeeld, over een gehandicapte. Het wordt op die manier veel persoonlijker. Als toehoorder ga je je gemakkelijker engageren in de gedachtengang van de verteller. In de hij-vorm is het epischer en neem je als toehoorder meer afstand. Ik hou enorm veel van verhalen, maar ik merk dat bij liedjes de ik-vorm handiger is, om jezelf als toehoorder erin te herkennen. Ik praat of ik zing echter niet graag over mezelf. Wél wil ik mijn eigen conclusies en gevoelens verwerken in mijn teksten.
- We mogen elkaar niet verkeerd begrijpen. Ik bedoel niet dat elke "ik" uit de liedjes met jou zou overeenstemmen. En daartegenover staat dat bijvoorbeeld "Hier komt Jan De Wilde" in de hij-vorm is.
Jan: Dat komt omdat het een liedje is dat is samengesteld uit perskritieken.
EIGENLIJK
Een interview met Jan De Wilde is een zaak van schrijven en schrappen. Zijn twijfelzucht is legendarisch. Het stopwoordje "eigenlijk" of varianten erop ("feitelijk", "in feite") komen herhaaldelijk voor. Jan De Wilde corrigeert zichzelf dan ook voortdurend. De vraag ligt dan ook voor de hand of Jan nog wel interesse kan opbrengen voor vraaggesprekken dan wel of hij, net zoals Hugo Claus bijvoorbeeld, "schuifkes opentrekt" waarin voor elke vraag wel een passend antwoord ligt, er niet voor terugschrikkend dat dit antwoord wel eens compleet het tegengestelde zou kunnen zijn van wat hij gisteren of morgen zou verklaren...
Jan: Het valt wel voor dat ik soms "verkeerde" antwoorden geef, ja. Zeker voor radio-interviews. Je wordt dan verondersteld van vlug te formuleren en dat kan ik niet, ik ben eerder aan de trage kant. En dat leidt soms tot een min of meer leugenachtig antwoord, dat ik - als ik daarop later kan terugkomen - dan wel eens corrigeer. Dat is dus echter niet opzettelijk, al kan ik me wel voorstellen dat het soms zo veel wordt dat je begint te "spelen". Maar voor mij is het allemaal nog wel grappig, ik amuseer me nog.
- Binnen de, ja hoe zou ik het zeggen, "showbusiness" klinkt zo belachelijk...
Jan: Liedjesmakerij.
- Welja, onder de liedjesmakers ben jij een figuur die nogal apart staat.
Jan: Akkoord.
- Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat je niet "meedraait" in het circuit. Jij bent geen vlotte jongen op party's en het "doorzakken achteraf" zie ik bij jou ook zo niet zitten.
Jan: Nee.
- Dat maakt alles bij elkaar dat je een rustige indruk geeft, bezadigd, gelukkiger dan de anderen misschien zelfs wel, ook al zei Lieve me daarnet nog: "Hij trekt zich het leed van de wereld teveel aan." Om nu terug te keren naar mijn uitgangspunt, namelijk je teksten, komt dan de privacy die je voor jezelf hebt opgebouwd op die manier niet in het gedrang?
Jan: Jawel, maar het gaat niet echt over mij. (Zucht) Verdorie, 't is moeilijk, hé? (Probeert het nog eens:) Het gaat eigenlijk over hoe de wereld op mij afkomt. Dàt verwerk ik, maar het gaat niet over mijn eigen problemen. De problemen van anderen worden mijn problemen. Ik kan nooit hele elpees afleveren over mijn verliefdheden en zo, maar wel over verliefdheden van anderen. Ik ben, je hebt het zelf gezegd, tamelijk tevreden. "Gelukkig" is niet het goede woord. Ik ben tevreden met mijn eigen situatie, met wat ik gekregen heb in het leven. Ik heb niet te klagen. Ik ben in het Westen geboren in een land waar ik me vrij comfortabel voel. Ik ben niet gelukkig met alles wat hier gebeurt en de maatschappelijke vorm van heel het gedoe, maar wat ik persoonlijk krijg, daarmee ben ik tevreden. Ik zie ook wat àndere mensen krijgen en dat die daar wél over te klagen hebben. En hùn mistevredenheid raakt mij. Ik trek mij dat aan en op die manier ben ik dus ook niet gelukkig. Dat is in die zin abnormaal omdat kunstenaars gewoonlijk zeer egocentrisch zijn. Ik ken er verscheidene die zelfs abnormaal egocentrisch zijn. Ik ga natuurlijk geen namen noemen om geen last te krijgen. Als ze trouwens niet zo egocentrisch waren, dan waren het ook niet zo'n grote kunstenaars.
Maar daar ligt voor mij de moeilijkheid. Ik ben niet egocentrisch - het is geen eigen lof, hoor, 't is gewoon een constatering - en ik ben ook geen groot kunstenaar. En ik denk ook niet dat ik het ooit zal worden. Je moet dan immers zeer ambitieus zijn. Ik zou daarentegen mezelf als vrij normaal bestempelen, "binnen de normen vallend", niet abnormaal egocentrisch en niet abonormaal altruïstisch. Gewoon. Normaal. Het interesseert me niet om de beste tekstschrijver te zijn of de grootste gitaarvirtuoos. Ik wil me alleen maar amuseren met muziek. Muziek is een vertroosting voor mij. Iets dat je rijker maakt, dat je prettiger in je vel doet voelen. Hoe triestig sommige liedjes ook zijn, van Brassens of Randy Newman bijvoorbeeld, toch bieden ze troost. En dat effect wil ik ook graag op de mensen overbrengen. Dat zal echter maar bij een klein aantal mensen het geval zijn, omdat er weinig mensen zijn die echt luisteren. Dat zijn dan alleen mensen die niet egocentrisch zijn. Egocentrische mensen kunnen niet luisteren.
BIECHTVADER
Het gesprek heeft al meteen een heel andere wending genomen dan verwacht. Ik begin mij meer en meer als een soort biechtvader te voelen. Vaak gaat men een artiest opzoeken om heel zakelijk over een nieuwe plaat of zo te praten, maar om de een of andere reden grijpen de artiesten die gelegenheid aan om hun hart uit te storten. Ik wil niet verhelen dat ik me hierdoor gevleid voel. Het zal iemand van "Dag Allemaal" of "Story" toch niet zo vaak overkomen, denk ik dan. Alhoewel. Het verschil is misschien nog het meest dat die confidenties niet steeds hun weg hoeven te vinden naar de gedrukte tekst zelf uiteraard.
De gemeende verklaringen van Jan De Wilde, die zelfs enigszins als een soort van manifest kunnen overkomen, hebben dan ook de overhand gekregen op een discussie over zijn "oeuvre" om het met een plechtig, maar in zijn geval toch niet overdreven woord te zeggen. Toch wil ik een paar markante uitspraken over een aantal nummers niet achterwege laten.
"Mexico of zo": “Dat is geschreven aan de hand van een heel concreet geval. Een vrouw die weg gaat van haar man omdat hij niet genoeg verdient. Als iemand zich daarin herkent, dan kan dat pijn doen, maar ik vind dat een goede soort pijn. Als je bij een acupuncturist gaat, dan doet de prik ook pijn, maar het zit er wel in dat je nadien beter bent. Ik beschouw muziek niet als een drug, maar als een geneesmiddel.”
"Na de zondvloed": “De directe aanleiding hiervoor is dat hier in de buurt een leverancier van schuilkelders woont. Akkoord, iedereen moet z'n brood verdienen, maar dit vind ik nogal griezelig. Eigenlijk vind ik het zelfs ronduit slecht, omdat die dingen je een vals gevoel van veiligheid geven. 't Is echte struisvogelpolitiek in de letterlijke zin van het woord.”
"Zoiets houdt je overend": “Eenzaamheid is het gevoel dat je geest alleen is, dat je niet begrepen wordt, dat er niemand in je geïnteresseerd is. Maar dat is soms moeilijk uit te leggen in een korte liedjestekst en dan kies je het beste een figuur die ook echt fysiek alleen is.”
PORNOZANGER
"Grote Ombudsman" (d.i.God): “Voor mij is dat geen echt probleem meer, maar voor een hele hoop mensen nog wel, vandaar. Anderzijds ben ik wel religieus in de letterlijke zin van het woord (religere = met elkaar verbinden), je moet proberen in harmonie te leren leven met andere levende zaken. We zondigen daar natuurlijk tegen door te eten (zegt hij tijdens het nuttigen van een kippetje, RDS), maar ook vegetariërs doen dat, planten leven immers ook.”
"Koekelberg": “Een uiting van haat tegenover steden. Brussel is een miskraam van jewelste en de talenkwestie maakt het alleen maar gedrochtelijker. Maar de hoofdreden is dat grote concentraties van volk onleefbaar zijn. Ik zie hierop geen uitzonderingen.”
"Despootjes": “Er zijn veel mensen die vinden dat kinderen despootjes zijn, maar die het niet durven zeggen. Het is een feit dat kinderen je leven ingrijpend veranderen. Waarom zou je dat niet mogen zeggen? Daarom ben je toch geen egoïst? Sommige kinderen kunnen ook regelrechte krengen zijn, waarom niet, de ouders ervan kunnen ook krengen zijn... Het kind heeft zichzelf niet gemaakt. De vertedering over kinderen vind ik echter vals.”
"Evaluatie": “Het krampachtig zoeken van de katholieke kerk om aansluiting te krijgen bij deze tijd, zo van we zijn samen onderweg, daarvan kon ik niet nalaten om er eens een tekst over te maken. Ze willen per se hun klanten behouden en de manier waarop dat gedaan wordt is soms lichtjes lachwekkend.” (Het is overigens voor hem geen bezwaar om een paar jaar later samen met Lieve lid te worden van het kerkkoor. Daarvoor moest er wel een nieuwe pastoor komen, want de vorige vond hem "een pornozanger" omwille van "Joke"...)
"Lieve Lumumba, klotepa": “Vormt een mooie aanvulling bij Despootjes. Wie dàt verkeerd heeft begrepen, moet dan hier maar eens naar luisteren. Dan kun je me toch niet verdenken van onbegrip voor kinderen. Als een kind een heel affectieve relatie heeft met een voorwerp, een dier of een mens, dan mag je daar niet in het minst in tussenkomen, dan moet je dat heel erg respecteren.”
- En dan was er natuurlijk ook "Zevenslager", dat door menigeen in verband werd gebracht met de moorden gepleegd door Horion en Feneulle in Sint-Amandsberg...
Jan: Maar dat is niet zo. Zo'n toestanden interesseren me al tientallen jaren, maar die belangstelling is wel nog gepousseerd omdat we, toen we nog in Lede woonden (in die fameuze Vogelenzang, RDS), via de jeugdclub kennis hebben gemaakt met een jonge student in de rechten, die toen al briljant was en dat ook is gebleven toen hij is afgestudeerd. En erg geëngageerd op menselijk gebied. Ik heb het hier dus over de verdediger van Horion, Jef Vermassen. Een paar woorden ben ik dan ook schatplichtig aan hem. Hij is er immers veel meer mee bezig en heeft ook de tijd om zich erover te bezinnen. Ik versnipper mijn aandacht meer. Ik kijk vanuit een hoekje rond en de mensen komen wel naar me toe om te praten, maar ik doe zelf eigenlijk geen moeite om mij in het gewoel te storten. Dat ligt aan mijn temperament. Ik ben geen persoon die er dan zelf ook iets aan gaat doen. Ik trek alleen bepaalde conclusies. En ik denk wel dat er zo'n mensen ook nodig zijn.
- Je bent nu eenmaal geen advocaat (of geen priester, of geen sociaal assistent, vult Jan zelf aan), maar je bent wel zanger en als zanger engageer je je wél, vind ik. Zo'n nummer als "Zevenslager", veel verder kun je als zanger toch niet gaan?
Jan: Ik probeer het wel zo te verwoorden dat de mensen niet de indruk krijgen dat ze gemoraliseerd worden. Dat wil ik vermijden, want van zodra de mensen de indruk krijgen van "hola, hij wil de pastoor uithangen", dan knappen velen af. Maar het is zéér moeilijk van niet te moraliseren. Ik denk dat ik er bij "Zevenslager" tamelijk in geslaagd ben. Telkens als ik het zing in een zaal wordt het altijd heel stil, ook bij een moeilijk publiek. Ik denk dus wel dat het indruk maakt.
- Dat je over al die liedjes zo zit te tobben, bewijst wel dat ik gelijk heb als ik veronderstel dat je met elk liedje een "ei" kwijt moet en dat je niet gewoon "voor het plezier" liedjes maakt...
Jan: Ja, dit is typisch één van dat soort vragen waarover je eigenlijk eerst eens zou moeten kunnen nadenken. (Lacht) Het is inderdaad zo dat de meeste liedjes wel degelijk "eieren" zijn. Maar dan niet van het soort dat ze er absoluut uit moesten, opdat ik niet ziek zou worden. Ik heb immers een goede verhouding met tal van vrienden en als ik dus met iets zit, kan ik dat wel aan hen kwijt. Maar daarbuiten heb ik toch nog altijd de drang om iets te "maken". Of het nu schilderijen zijn of liedjes maakt niet zoveel uit. Alleen, liedjes vind ik tot nu toe nog altijd het leukst. Al zou ik ook graag cartoons maken, maar dat lijkt me veel moeilijker, daarvoor moet je veel meer discipline opbrengen. Met liedjes kan je trager werken. Meestal laat ik een tekst een tijdje liggen om te zien of hij goed blijft dan wel of ik hem niet beter zou weggooien. En daartegenover staat dan weer dat, als je het dan uiteindelijk toch gezegd krijgt, liedjes een veel directer medium zijn. Het is eigenlijk het ideale medium.
CENTIMETERS
- "Koekejoe" heb je opgenomen met de medewerking van de Centimeters, die op dat moment nog bij Raymond van het Groenewoud speelden en dus pas met jou "on the road" gingen bij "De bende van Jan De Wilde" zeven jaar later, ook al spelen ze dààrop niet mee!
Jan: De enige reden waarom ik de Centimeters heb uitgenodigd om met mij die plaat op te nemen, is dat ik er zo goed mee overweg kan. Als ze nu toevallig minder goed zouden spelen, dan had ik ze waarschijnlijk ook wel gevraagd. Het zijn heel lieve jongens, ik speel niet met moeilijke karakters. En ook dit: Mich Verbelen, Jean Blaute en Stoy Stoffelen zijn zo op elkaar ingespeeld dat het doodeenvoudig was om de basis op te nemen. Metronomen waren het. Je moest nooit iets hernemen.
- De "baas" (Raymond van het Groenewoud) was er echter niet bij?
Jan: Dat was gewoon het gevolg van een misverstand. Ook hem had ik er graag bij gehad omdat het zo'n enorme muzikant is, maar ik dacht dat hij het niet graag deed. Na afloop heb ik gehoord dat hij het wél graag zou hebben gedaan. Daarover heb ik ondertussen wel spijt. Het zou anders nóg gezelliger geweest zijn.
- Nu ja, Raymond was er al bij op je tweede elpee (op "Jan de Grote Griezel"), maar uiteraard niet op de tournee met de Centimeters. Toch had je enorme trak...
Jan: Ja. Ik vind mezelf echt een krukkerige gitarist, terwijl zij heel geroutineerd zijn. Als ze willen, spelen ze me honderd keer van de planken. Ik weet dat ze me appreciëren en dat ze me goed genoeg vinden, maar in feite ben ik op dat gebied toch maar een amateur. Maar dat wil nu ook weer niet zeggen dat ik zou "stuntelen". Dat is zo'n mythe die me blijft achtervolgen en die stilaan toch wel erg onrechtvaardig is. Sommigen kunnen er zich maar niet mee verzoenen dat ik de klassieke theatertruuks weiger te gebruiken.
- Nooit aan gedacht een tweede gitarist in dienst te nemen?
Jan: Ik wel, maar zij hadden blijkbaar liever geen vreemde eend in de bijt. Ik heb ook de selectie van de nummers aan hen overgelaten. Ik ben afgegaan op wat zij graag wilden spelen. Tenslotte kan het mij niet zoveel schelen, ik ben over bijna geen enkel van mijn liedjes beschaamd.
IDEOLOGIEËN
- Op "De Bende" stond een nummer dat ik alvast controversieel vond, maar het viel me op dat buiten "De Morgen" niemand, maar dan ook niemand met een woord repte over "Communisten". Net alsof het niet op de elpee stond...
Jan: Ja, maar dat komt omdat er maar weinig over de elpee als zodanig is geschreven, wat me uiteraard een beetje tegenvalt. Ik dacht dat ze toch toegankelijker was dan vroegere platen, maar waarschijnlijk is dat niet zo. 't Zal wel weer zoals altijd zijn: journalisten die bij mij komen en zeggen "vijf jaar geleden heb ik je plaat gekraakt en nu heb ik er spijt van". Dat is wel frustrerend natuurlijk.
- Kom, kom, Jan, je "kraken" dat heeft men toch nooit gedaan...
Jan: En Johan Anthierens dan? Voor "Knikkerterrorist" belde hij me op met de mededeling dat hij ze ging beluisteren om te recenseren voor Humo en dat hij nadien dan zou terugbellen om nog wat telefonische vragen te stellen. Tien minuten later hing hij alweer aan de lijn met de mededeling: "Ik heb ze beluisterd en vind ze niet goed." Echt waar, hé, op tien minuten had hij ze helemaal "beluisterd"! Maar wat nu "Communisten" betreft, op plaat zal wel niemand zich daaraan storen denk ik, maar in de zaal krijg je soms toch rare reacties. In 't begin lacht men ermee, maar als ik er dan op 't eind ook de fascisten bij haal, dan valt het stil. Dan vraagt men zich af: zou het dan toch een serieus liedje kunnen zijn?
- Ook door de combinatie van zaken die wel eens aan het stereotiepe beeld beantwoorden, zoals die rode Lada's, met totaal maffe toestanden zoals die Micha Marah-opblaaspoppen...
Jan: Ja, dat is slapstick natuurlijk. Maar eigenlijk is het wel een serieus liedje, toegegeven. Ik wil ermee etaleren dat ik geen man van ideologieën ben. Daarvoor ben ik een veel te grote twijfelaar.
- Toch schakel je niet alle ideologieën gelijk. Niet in je privé-leven en ook niet in dit liedje, vind ik.
Jan: Nee. Maar ik vergelijk ook niets. Ik verkneukel me alleen maar om heel doctrinaire mensen, van eender welke strekking. Verder voel ik me inderdaad meer op mijn gemak bij mensen die men traditioneel in het linkse vakje stopt. Mijn beste vrienden zijn communisten, wat daarom niet wil zeggen dat het KP-leden zouden zijn. Anderzijds heb ik van vroeger ook nog wel vrienden uit "het andere kamp" overgehouden en daar kom ik nog steeds goed mee overeen, al ga ik wel politieke discussies uit de weg.
OPVANGCENTRUM
Jan heeft inderdaad ook nogal wat maoïstische kameraden. Daarover zegt huisvriend Lieven Tavernier in een andere Humo: "Op een keer kwam de toenmalige studentenleider Renaat Willockx in het universiteitsrestaurant op me afgestapt; doodernstig vroeg hij: Lieven, wat heb je vandaag voor de revolutie gedaan? Er schoot mij niet zo gauw iets te binnen."
Of Jan De Wilde nuttig werk heeft verricht in het kader van de revolutie is niet zo zeker, maar zoals het echtpaar Sigiswald Kuijken-Marleen Thiers de toeverlaat is van klassieke muzikanten in nood, zo zorgen Jan en Lieve voor de zielen in nood uit het zogenaamde lichtere genre...
Jan: Ze kwamen allemaal bij ons thuis hun wonden likken. Wij waren zowat het enige stabiele koppel bij wie ze konden uithuilen. Als ze daar eenmaal mee klaar waren, stuurden wij hen met een schouderklopje weer de nacht in.
Aldus Jan in alweer een andere Humo. Maar zo afstandelijk zijn Jan en Lieve in realiteit niet. Dat mocht ik zelf ondervinden toen ik hem eind 1980 ging interviewen over "PVBA Koekejoe en Cie". De dag van het interview kreeg ik immers een telefoontje van mijn toenmalige echtgenote dat het niet meer nodig was dat ik nog naar huis kwam... En zo werd tussen het interview door telefonisch onderhandeld over wat er nu ging gebeuren. Uiteindelijk hebben Jan en Lieve mij midden in de nacht met de wagen toch naar huis gebracht. Zelf ben ik immers een openbare vervoergebruiker, maar het openbaar vervoer houdt geen rekening met dergelijke problematieken.
- Terug naar "De bende": over dat andere "ironische" nummer, "De West-Vlaamsche Leeuw", wordt wél gesproken. En ook al verklaar je dan dat je het in feite allemaal niet zo bedoelt, als ik een West-Vlaamse communist zou zijn, dan zou ik het hiermee moeilijker hebben dan met "Communisten"...
Jan: 't Zit natuurlijk wel subtieler in elkaar dan je kan uitleggen. Ik gebruik enkele van de meest gangbare clichés over West-Vlaanderen, maar juist door die zo op te stapelen krijg je een heel ander effect dan wanneer ik één cliché zou nemen om daarrond een liedje te maken. In het tweede deel corrigeer ik die clichés trouwens min of meer. Want al lachend wil ik eigenlijk aanduiden dat het West-Vlaamse ras toch iets heel speciaals is. Maar om dat duidelijk te maken, zou het beter door een echte West-Vlaming geschreven zijn, ja. Ik heb bewondering voor West-Vlamingen, net zoals ik bewondering heb voor de weinige communisten die er nog zijn.
HEHE
"De bende" werd opgenomen bij EMI, waar "fan" Guy Brulez van persjongen tot labelmanager was opgeklommen, terwijl Jan met zijn oorspronkelijke firma Phonogram in aanvaring was gekomen, omdat er na de pensionering van Walter Moens niemand nog naar hem omkeek. Typisch is dat wanneer in 1991 de firma inpikt op het succes van "Héhé" met een "Best of"-CD (eigenlijk een heruitgave van de LP "Portret"), Jan zelf daar niet eens van op de hoogte werd gebracht! Laat staan dat hij inspraak zou hebben gehad bij de samenstelling van de CD.
"Héhé" was overigens een productie van Hennie Vrienten en diens Magnificent Seven zorgen dan ook voor de begeleiding op deze CD. Live gebeurde dat ook wel eens bij speciale gelegenheden, maar meestal liet Jan zich nog steeds bijstaan door zijn vrouw op bas en een bevriend gitarist. In die tijd was dat Wigbert Van Lierde, die echter kort daarna zelf aan een solocarrière zou beginnen, die net als Urbanus destijds, deze van zijn leermeester ver zou overstijgen. Maar, in tegenstelling dan weer tot zowel Jan als Urbain, was ze even vlug weer over als ze was gestart.
Jan zelf was in die tijd ook bassist van Cuisine Cajun.
KLASSIEK ORKEST
Zijn eeuwigdurende carrière liep dus niet steeds over platgetreden paden, zo ging hij in 1991 zowaar op pad met een klassiek orkest. Hoe is Jan De Wilde eigenlijk bij Dirk Vermeulen en Prima La Musica terechtgekomen?
Jan: Ik heb nooit muziek geleerd en daar heb ik nog altijd spijt van. Wij waren te arm om een piano te kopen en toen ik dus liedjes begon te schrijven, moest ik altijd gaan aankloppen bij Frans Ieven en dat vond ik op de duur wel vernederend. Met de moed der wanhoop ben ik dan uiteindelijk toch nog muziek gaan studeren. Zeker wanneer Urbain mij vroeg om zijn platen te producen. En toen hij me dan vroeg de muziek voor 'Hector' te schrijven moest ik uitkijken naar muzikanten. 't Was zomer, maar na twee dagen had mijn vrouw toch een paar virtuozen gevonden. Dat werd echter een ongelooflijke tegenvaller. Een telefoonorkest werkt niet, dat is reeds eerder gezegd, hé. Daarom heb ik raad gevraagd aan een eminent musicoloog uit mijn buurt, André De Groeve, en die bracht mij in contact met Dirk. Deze had trouwens reeds meegewerkt aan "Grootvader geplant", een single van Urbain. En zo is de idee van die klassieke bewerkingen dan gegroeid. Het eigenlijke orkest van Dirk, Sinfonia, zag dat echter niet zitten en daarom heeft hij Prima La Musica opgericht.
- Toen je bij de aanvang zei dat je eerst de muziek schreef en dan pas de tekst, was ik ten zeerste verbaasd, maar eigenlijk heb je gelijk: in de fond zijn je liedjes muzikaal zeer goed geconstrueerd. Dat kan men bijvoorbeeld horen bij de bewerkingen die voor dit programma werden gemaakt. Daarnaast speelde Prima La Musica ook nog uittreksels uit de Kunst der Fuge van Bach...
Jan: Dat was uiteraard geen toeval, want ik ben dol op Bach. Ik hou van de meest uiteenlopende genres en vind een eenvoudig nummer van Ry Cooder even boeiend als een symfonie van Mozart. Wat me niet ligt dat zijn bepaalde vormen van jazzmuziek en ook niet het getormenteerde van de symfonieën van Beethoven. Om nog te zwijgen van Wagner! Maar ik heb bijvoorbeeld altijd al veel belangstelling gehad voor muziek uit het zuiden van de Verenigde Staten, laten we zeggen de "hardere" volksmuziek, zoals cajun, tex-mex, bluegrass en zelfs rock'n'roll uit de jaren vijftig. Dat is echter nooit tot uiting gekomen in mijn liedjes, wat jammer is. Eigenlijk hou ik van te veel dingen. In feite zou je een plaat moeten maken per genre dat je bewondert.
- Zoals de reeds genoemde Ry Cooder heeft gedaan...
Jan: Voor die man doe ik tien keer per dag mijn hoed af. Maar hier in Vlaanderen kan dat uiteraard niet. Onze zolen zijn al versleten van één plaat om de zes jaar aan de man te brengen! Er is zelfs een tijd geweest dat iedereen zich ervoor schaamde om met eigen liedjes naar buiten te komen, omdat dit als oubollig en kneuterig werd beschouwd. Gelukkig, nu màg het weer. Persoonlijk hou ik zoals gezegd van een heleboel genres en dat is maar normaal ook, voor een volwassen mens. Maar jonge mensen zijn heel gevoelig voor sectarisme in de muziek, dat heeft Raymond in "Cha Cha Cha" ook al gezongen. Als zij bijvoorbeeld van blues houden, dan zouden ze beschaamd zijn om daarvoor uit te komen. En dat vind ik erg, heel erg. Maar gelukkig mag je nu stilaan weer van kleinschaliger muziek houden, muziek voor minderheden.
- Ik ben het overigens niet helemaal met je eens dat je die fifties-muziek niet kan horen in jouw liedjes. De eerste plaatkant van "De Bende van Jan De Wilde" eindigt bijvoorbeeld met twee nummers die a.h.w. een A- en een B-kant van een single uit die tijd konden zijn. Ik heb het over "Otomobiel" met zo'n beetje "Peggy Sue"-drums en "Bij het gebulder" dat dan zo'n echte slow is.
Jan: 'k Zie dat toch nog niet zo direct op een jukebox staan, hoor. "Otomobiel" heeft in 't midden een break. Ik vind dit typisch zo'n nummer dat ik harder en koeler had gewild. En dan "Bij het gebulder"... (barst uit in een "bulderende" lach). 'k Zie het al gebeuren dat ze daar op de dansvloer staan te cheeck-to-cheecken op die ver-schrik-ke-lij-ke tekst (hij handelt namelijk over de Derde Wereldoorlog, die echt een oorlog zal zijn, zoals iedereen wel weet, "to end all wars", maar dan in de meest letterlijke betekenis van het woord, RDS). Oorspronkelijk had ik het bedoeld als parodie op nummers zoals "Mandolienen in Beiroet", vandaar dat ik het zing in de trage Elvis Presley-stijl die hier bij ons door Will Tura eigenlijk wel mooi is overgenomen. Maar terwijl ik de tekst maakte werd ik meegesleept. Vandaar alweer die tweeslachtigheid die overigens ook in de muziek zit. Op het eerste gehoor klinkt ze erg zoet, maar er zit opzettelijk een vals orgeltje in. Op mijn eigen bandje thuis was dat zelfs verschrikkelijk vals, snerpend, maar producer Jean Blaute heeft dat in de studio afgezwakt omdat anders iedereen dat nummer zou overslaan op de plaat. Trouwens ook nu nog staat het op verzoek van mijn vrouw speciaal daarom als laatste nummer: wie het niet kan aanhoren, kan de plaat daarvóór al omdraaien.
Ronny De Schepper
Als nieuwjaarsgeschenk geboren in 1944 in Aalst, toen de Duitsers reeds nattigheid begonnen te voelen, is Jan Albert Maria De Wilde van zijn vijfde tot zijn veertiende jaar lid van het knapenkoor van het Sint-Maartensinstituut, wat later het befaamde Cantate Domino zou worden. Op vijftienjarige leeftijd was hij aan een eerste gitaar toe. Georges Brassens staat op dat moment in grote letters in zijn dagboek vermeld. Nu nog trouwens. Wel grappig, als men weet dat zowat iedereen ermee akkoord gaat dat Jan De Wilde kan worden aangeduid als "the turning point" in de geschiedenis van de Vlaamse "gitaarklopperkes", zoals wijlen collega Lode De Pooter de Vlaamse rockscene bestempelde, precies omdat Jans innovatie erin bestond op het eind van de jaren zestig over te schakelen naar het in de popmuziek reeds zeer populaire Angelsaksische idioom. Wie vóór De Wilde in Vlaanderen au sérieux wenste te worden genomen met op muziek gezette teksten deed dat tot dan toe immers door min of meer klakkeloos de Franse chansonniers na te apen.
AUTOBIOGRAFISCH?
In 1967 mag Jan De Wilde terecht een bloem in zijn haar steken, want niet alleen behaalt hij dan het diploma van kunstschilder in Sint-Lukas te Gent, maar ook mogen twee liedjes van hem naast Ferre Grignard en Wannes van de Velde plaatsnemen op de elpee "De Muze". Hijzelf vond zich toen al een hele schijf waardig, maar die kwam er pas in 1970 toen hij opgemerkt werd op het Humorfestival van Heist. Nadien wordt zijn aandrang om elpees te maken steeds kleiner, de tussenpozen worden des te groter.
Telkens krijgen die albums wel een zeer autobiografisch cachet mee. De eerste heette "Zzzrroo" (zéér autobiografisch, bevestigt echtgenote Lieve Van Steenberge, in het gewone leven vertaalster bij de VRT), door genoemde Appelmans onmiddellijk als “de beste Vlaamse elpee aller tijden” uitgeroepen. De tweede wordt "Vogelenzang 5" (1972), zijn toenmalige adres, toevallig ook dat van Louis Paul Boon. Kwalitatief gezien was deze eigenlijk nóg beter, maar het verrassingseffect was weg, zodat het terugkeren van onderwerpen zoals de dood en het zichzelf relativeren hier en daar reeds tégen Jan werden uitgespeeld. Vandaar dat de derde, "Knikkerterrorist" (1975), het qua thematiek over een andere boeg gooide. Nummers als “Rolstoel” en in mindere mate ook “Brugge” openbaarden voor mij althans een nieuwe Jan De Wilde. Op de volgende "PVBA Koekejoe en Cie" (1980) leren we dan weer dat die Koekejoe een knikkerterrorist is die eet met z'n handen en zo mager is als een lat.
- Ondanks het feit dat ik me zeer bewust ben van het gevaar uit teksten, hoe autobiografisch ze ook mogen zijn of schijnen, conclusies te trekken voor wat de schrijver zelf betreft, lijk jij me toch iemand die vooral de nadruk legt op het schrijven van teksten. Daarmee bedoel ik dat je pas een lied maakt wanneer je een onderwerp hebt en dat dit onderwerp ook niet los van jou staat. Dat je dus niet zegt: ik moet nu eenmaal elk jaar of om de twee jaar een elpee uitbrengen. Dat is trouwens bewezen. Daarom vraag ik mij af: hoe ver kan je daarin gaan, met het vereenzelvigen van Jan De Wilde, de zanger, met de Jan De Wilde zoals die uit de teksten naar voren komt?
Jan: Eerst en vooral moet ik zeggen dat ik eerst de melodie schrijf en dan pas de tekst.
- Dat verwondert mij. En heb je dan zelfs geen onderwerp in je hoofd op dat moment?
Jan: Neen. Soms gebeurt het wel dat ik reeds een zin heb of een onderwerp, maar dat is dan vaak moeilijk vol te houden. De reden waarom ik zo werk is echter gewoon van vormelijke aard. Het is gemakkelijker een tekst op een melodie te schrijven dan omgekeerd. Bovendien onthou ik zeer, zeer goed melodieën. Ik ben feitelijk wel meer muzikant dan ik me gewoonlijk voordoe. Wat er uit de bus komt, is misschien niet zo geweldig, maar ik voel me meer muzikant dan wat anders. Ik kan echter ook wel teksten maken. Ik heb nu stilaan de techniek.
Over dat andere aspect, namelijk de ik-vorm, in die vorm zit je dichter bij het onderwerp. Ik denk aan "Rolstoel" bijvoorbeeld, over een gehandicapte. Het wordt op die manier veel persoonlijker. Als toehoorder ga je je gemakkelijker engageren in de gedachtengang van de verteller. In de hij-vorm is het epischer en neem je als toehoorder meer afstand. Ik hou enorm veel van verhalen, maar ik merk dat bij liedjes de ik-vorm handiger is, om jezelf als toehoorder erin te herkennen. Ik praat of ik zing echter niet graag over mezelf. Wél wil ik mijn eigen conclusies en gevoelens verwerken in mijn teksten.
- We mogen elkaar niet verkeerd begrijpen. Ik bedoel niet dat elke "ik" uit de liedjes met jou zou overeenstemmen. En daartegenover staat dat bijvoorbeeld "Hier komt Jan De Wilde" in de hij-vorm is.
Jan: Dat komt omdat het een liedje is dat is samengesteld uit perskritieken.
EIGENLIJK
Een interview met Jan De Wilde is een zaak van schrijven en schrappen. Zijn twijfelzucht is legendarisch. Het stopwoordje "eigenlijk" of varianten erop ("feitelijk", "in feite") komen herhaaldelijk voor. Jan De Wilde corrigeert zichzelf dan ook voortdurend. De vraag ligt dan ook voor de hand of Jan nog wel interesse kan opbrengen voor vraaggesprekken dan wel of hij, net zoals Hugo Claus bijvoorbeeld, "schuifkes opentrekt" waarin voor elke vraag wel een passend antwoord ligt, er niet voor terugschrikkend dat dit antwoord wel eens compleet het tegengestelde zou kunnen zijn van wat hij gisteren of morgen zou verklaren...
Jan: Het valt wel voor dat ik soms "verkeerde" antwoorden geef, ja. Zeker voor radio-interviews. Je wordt dan verondersteld van vlug te formuleren en dat kan ik niet, ik ben eerder aan de trage kant. En dat leidt soms tot een min of meer leugenachtig antwoord, dat ik - als ik daarop later kan terugkomen - dan wel eens corrigeer. Dat is dus echter niet opzettelijk, al kan ik me wel voorstellen dat het soms zo veel wordt dat je begint te "spelen". Maar voor mij is het allemaal nog wel grappig, ik amuseer me nog.
- Binnen de, ja hoe zou ik het zeggen, "showbusiness" klinkt zo belachelijk...
Jan: Liedjesmakerij.
- Welja, onder de liedjesmakers ben jij een figuur die nogal apart staat.
Jan: Akkoord.
- Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat je niet "meedraait" in het circuit. Jij bent geen vlotte jongen op party's en het "doorzakken achteraf" zie ik bij jou ook zo niet zitten.
Jan: Nee.
- Dat maakt alles bij elkaar dat je een rustige indruk geeft, bezadigd, gelukkiger dan de anderen misschien zelfs wel, ook al zei Lieve me daarnet nog: "Hij trekt zich het leed van de wereld teveel aan." Om nu terug te keren naar mijn uitgangspunt, namelijk je teksten, komt dan de privacy die je voor jezelf hebt opgebouwd op die manier niet in het gedrang?
Jan: Jawel, maar het gaat niet echt over mij. (Zucht) Verdorie, 't is moeilijk, hé? (Probeert het nog eens:) Het gaat eigenlijk over hoe de wereld op mij afkomt. Dàt verwerk ik, maar het gaat niet over mijn eigen problemen. De problemen van anderen worden mijn problemen. Ik kan nooit hele elpees afleveren over mijn verliefdheden en zo, maar wel over verliefdheden van anderen. Ik ben, je hebt het zelf gezegd, tamelijk tevreden. "Gelukkig" is niet het goede woord. Ik ben tevreden met mijn eigen situatie, met wat ik gekregen heb in het leven. Ik heb niet te klagen. Ik ben in het Westen geboren in een land waar ik me vrij comfortabel voel. Ik ben niet gelukkig met alles wat hier gebeurt en de maatschappelijke vorm van heel het gedoe, maar wat ik persoonlijk krijg, daarmee ben ik tevreden. Ik zie ook wat àndere mensen krijgen en dat die daar wél over te klagen hebben. En hùn mistevredenheid raakt mij. Ik trek mij dat aan en op die manier ben ik dus ook niet gelukkig. Dat is in die zin abnormaal omdat kunstenaars gewoonlijk zeer egocentrisch zijn. Ik ken er verscheidene die zelfs abnormaal egocentrisch zijn. Ik ga natuurlijk geen namen noemen om geen last te krijgen. Als ze trouwens niet zo egocentrisch waren, dan waren het ook niet zo'n grote kunstenaars.
Maar daar ligt voor mij de moeilijkheid. Ik ben niet egocentrisch - het is geen eigen lof, hoor, 't is gewoon een constatering - en ik ben ook geen groot kunstenaar. En ik denk ook niet dat ik het ooit zal worden. Je moet dan immers zeer ambitieus zijn. Ik zou daarentegen mezelf als vrij normaal bestempelen, "binnen de normen vallend", niet abnormaal egocentrisch en niet abonormaal altruïstisch. Gewoon. Normaal. Het interesseert me niet om de beste tekstschrijver te zijn of de grootste gitaarvirtuoos. Ik wil me alleen maar amuseren met muziek. Muziek is een vertroosting voor mij. Iets dat je rijker maakt, dat je prettiger in je vel doet voelen. Hoe triestig sommige liedjes ook zijn, van Brassens of Randy Newman bijvoorbeeld, toch bieden ze troost. En dat effect wil ik ook graag op de mensen overbrengen. Dat zal echter maar bij een klein aantal mensen het geval zijn, omdat er weinig mensen zijn die echt luisteren. Dat zijn dan alleen mensen die niet egocentrisch zijn. Egocentrische mensen kunnen niet luisteren.
BIECHTVADER
Het gesprek heeft al meteen een heel andere wending genomen dan verwacht. Ik begin mij meer en meer als een soort biechtvader te voelen. Vaak gaat men een artiest opzoeken om heel zakelijk over een nieuwe plaat of zo te praten, maar om de een of andere reden grijpen de artiesten die gelegenheid aan om hun hart uit te storten. Ik wil niet verhelen dat ik me hierdoor gevleid voel. Het zal iemand van "Dag Allemaal" of "Story" toch niet zo vaak overkomen, denk ik dan. Alhoewel. Het verschil is misschien nog het meest dat die confidenties niet steeds hun weg hoeven te vinden naar de gedrukte tekst zelf uiteraard.
De gemeende verklaringen van Jan De Wilde, die zelfs enigszins als een soort van manifest kunnen overkomen, hebben dan ook de overhand gekregen op een discussie over zijn "oeuvre" om het met een plechtig, maar in zijn geval toch niet overdreven woord te zeggen. Toch wil ik een paar markante uitspraken over een aantal nummers niet achterwege laten.
"Mexico of zo": “Dat is geschreven aan de hand van een heel concreet geval. Een vrouw die weg gaat van haar man omdat hij niet genoeg verdient. Als iemand zich daarin herkent, dan kan dat pijn doen, maar ik vind dat een goede soort pijn. Als je bij een acupuncturist gaat, dan doet de prik ook pijn, maar het zit er wel in dat je nadien beter bent. Ik beschouw muziek niet als een drug, maar als een geneesmiddel.”
"Na de zondvloed": “De directe aanleiding hiervoor is dat hier in de buurt een leverancier van schuilkelders woont. Akkoord, iedereen moet z'n brood verdienen, maar dit vind ik nogal griezelig. Eigenlijk vind ik het zelfs ronduit slecht, omdat die dingen je een vals gevoel van veiligheid geven. 't Is echte struisvogelpolitiek in de letterlijke zin van het woord.”
"Zoiets houdt je overend": “Eenzaamheid is het gevoel dat je geest alleen is, dat je niet begrepen wordt, dat er niemand in je geïnteresseerd is. Maar dat is soms moeilijk uit te leggen in een korte liedjestekst en dan kies je het beste een figuur die ook echt fysiek alleen is.”
PORNOZANGER
"Grote Ombudsman" (d.i.God): “Voor mij is dat geen echt probleem meer, maar voor een hele hoop mensen nog wel, vandaar. Anderzijds ben ik wel religieus in de letterlijke zin van het woord (religere = met elkaar verbinden), je moet proberen in harmonie te leren leven met andere levende zaken. We zondigen daar natuurlijk tegen door te eten (zegt hij tijdens het nuttigen van een kippetje, RDS), maar ook vegetariërs doen dat, planten leven immers ook.”
"Koekelberg": “Een uiting van haat tegenover steden. Brussel is een miskraam van jewelste en de talenkwestie maakt het alleen maar gedrochtelijker. Maar de hoofdreden is dat grote concentraties van volk onleefbaar zijn. Ik zie hierop geen uitzonderingen.”
"Despootjes": “Er zijn veel mensen die vinden dat kinderen despootjes zijn, maar die het niet durven zeggen. Het is een feit dat kinderen je leven ingrijpend veranderen. Waarom zou je dat niet mogen zeggen? Daarom ben je toch geen egoïst? Sommige kinderen kunnen ook regelrechte krengen zijn, waarom niet, de ouders ervan kunnen ook krengen zijn... Het kind heeft zichzelf niet gemaakt. De vertedering over kinderen vind ik echter vals.”
"Evaluatie": “Het krampachtig zoeken van de katholieke kerk om aansluiting te krijgen bij deze tijd, zo van we zijn samen onderweg, daarvan kon ik niet nalaten om er eens een tekst over te maken. Ze willen per se hun klanten behouden en de manier waarop dat gedaan wordt is soms lichtjes lachwekkend.” (Het is overigens voor hem geen bezwaar om een paar jaar later samen met Lieve lid te worden van het kerkkoor. Daarvoor moest er wel een nieuwe pastoor komen, want de vorige vond hem "een pornozanger" omwille van "Joke"...)
"Lieve Lumumba, klotepa": “Vormt een mooie aanvulling bij Despootjes. Wie dàt verkeerd heeft begrepen, moet dan hier maar eens naar luisteren. Dan kun je me toch niet verdenken van onbegrip voor kinderen. Als een kind een heel affectieve relatie heeft met een voorwerp, een dier of een mens, dan mag je daar niet in het minst in tussenkomen, dan moet je dat heel erg respecteren.”
- En dan was er natuurlijk ook "Zevenslager", dat door menigeen in verband werd gebracht met de moorden gepleegd door Horion en Feneulle in Sint-Amandsberg...
Jan: Maar dat is niet zo. Zo'n toestanden interesseren me al tientallen jaren, maar die belangstelling is wel nog gepousseerd omdat we, toen we nog in Lede woonden (in die fameuze Vogelenzang, RDS), via de jeugdclub kennis hebben gemaakt met een jonge student in de rechten, die toen al briljant was en dat ook is gebleven toen hij is afgestudeerd. En erg geëngageerd op menselijk gebied. Ik heb het hier dus over de verdediger van Horion, Jef Vermassen. Een paar woorden ben ik dan ook schatplichtig aan hem. Hij is er immers veel meer mee bezig en heeft ook de tijd om zich erover te bezinnen. Ik versnipper mijn aandacht meer. Ik kijk vanuit een hoekje rond en de mensen komen wel naar me toe om te praten, maar ik doe zelf eigenlijk geen moeite om mij in het gewoel te storten. Dat ligt aan mijn temperament. Ik ben geen persoon die er dan zelf ook iets aan gaat doen. Ik trek alleen bepaalde conclusies. En ik denk wel dat er zo'n mensen ook nodig zijn.
- Je bent nu eenmaal geen advocaat (of geen priester, of geen sociaal assistent, vult Jan zelf aan), maar je bent wel zanger en als zanger engageer je je wél, vind ik. Zo'n nummer als "Zevenslager", veel verder kun je als zanger toch niet gaan?
Jan: Ik probeer het wel zo te verwoorden dat de mensen niet de indruk krijgen dat ze gemoraliseerd worden. Dat wil ik vermijden, want van zodra de mensen de indruk krijgen van "hola, hij wil de pastoor uithangen", dan knappen velen af. Maar het is zéér moeilijk van niet te moraliseren. Ik denk dat ik er bij "Zevenslager" tamelijk in geslaagd ben. Telkens als ik het zing in een zaal wordt het altijd heel stil, ook bij een moeilijk publiek. Ik denk dus wel dat het indruk maakt.
- Dat je over al die liedjes zo zit te tobben, bewijst wel dat ik gelijk heb als ik veronderstel dat je met elk liedje een "ei" kwijt moet en dat je niet gewoon "voor het plezier" liedjes maakt...
Jan: Ja, dit is typisch één van dat soort vragen waarover je eigenlijk eerst eens zou moeten kunnen nadenken. (Lacht) Het is inderdaad zo dat de meeste liedjes wel degelijk "eieren" zijn. Maar dan niet van het soort dat ze er absoluut uit moesten, opdat ik niet ziek zou worden. Ik heb immers een goede verhouding met tal van vrienden en als ik dus met iets zit, kan ik dat wel aan hen kwijt. Maar daarbuiten heb ik toch nog altijd de drang om iets te "maken". Of het nu schilderijen zijn of liedjes maakt niet zoveel uit. Alleen, liedjes vind ik tot nu toe nog altijd het leukst. Al zou ik ook graag cartoons maken, maar dat lijkt me veel moeilijker, daarvoor moet je veel meer discipline opbrengen. Met liedjes kan je trager werken. Meestal laat ik een tekst een tijdje liggen om te zien of hij goed blijft dan wel of ik hem niet beter zou weggooien. En daartegenover staat dan weer dat, als je het dan uiteindelijk toch gezegd krijgt, liedjes een veel directer medium zijn. Het is eigenlijk het ideale medium.
CENTIMETERS
- "Koekejoe" heb je opgenomen met de medewerking van de Centimeters, die op dat moment nog bij Raymond van het Groenewoud speelden en dus pas met jou "on the road" gingen bij "De bende van Jan De Wilde" zeven jaar later, ook al spelen ze dààrop niet mee!
Jan: De enige reden waarom ik de Centimeters heb uitgenodigd om met mij die plaat op te nemen, is dat ik er zo goed mee overweg kan. Als ze nu toevallig minder goed zouden spelen, dan had ik ze waarschijnlijk ook wel gevraagd. Het zijn heel lieve jongens, ik speel niet met moeilijke karakters. En ook dit: Mich Verbelen, Jean Blaute en Stoy Stoffelen zijn zo op elkaar ingespeeld dat het doodeenvoudig was om de basis op te nemen. Metronomen waren het. Je moest nooit iets hernemen.
- De "baas" (Raymond van het Groenewoud) was er echter niet bij?
Jan: Dat was gewoon het gevolg van een misverstand. Ook hem had ik er graag bij gehad omdat het zo'n enorme muzikant is, maar ik dacht dat hij het niet graag deed. Na afloop heb ik gehoord dat hij het wél graag zou hebben gedaan. Daarover heb ik ondertussen wel spijt. Het zou anders nóg gezelliger geweest zijn.
- Nu ja, Raymond was er al bij op je tweede elpee (op "Jan de Grote Griezel"), maar uiteraard niet op de tournee met de Centimeters. Toch had je enorme trak...
Jan: Ja. Ik vind mezelf echt een krukkerige gitarist, terwijl zij heel geroutineerd zijn. Als ze willen, spelen ze me honderd keer van de planken. Ik weet dat ze me appreciëren en dat ze me goed genoeg vinden, maar in feite ben ik op dat gebied toch maar een amateur. Maar dat wil nu ook weer niet zeggen dat ik zou "stuntelen". Dat is zo'n mythe die me blijft achtervolgen en die stilaan toch wel erg onrechtvaardig is. Sommigen kunnen er zich maar niet mee verzoenen dat ik de klassieke theatertruuks weiger te gebruiken.
- Nooit aan gedacht een tweede gitarist in dienst te nemen?
Jan: Ik wel, maar zij hadden blijkbaar liever geen vreemde eend in de bijt. Ik heb ook de selectie van de nummers aan hen overgelaten. Ik ben afgegaan op wat zij graag wilden spelen. Tenslotte kan het mij niet zoveel schelen, ik ben over bijna geen enkel van mijn liedjes beschaamd.
IDEOLOGIEËN
- Op "De Bende" stond een nummer dat ik alvast controversieel vond, maar het viel me op dat buiten "De Morgen" niemand, maar dan ook niemand met een woord repte over "Communisten". Net alsof het niet op de elpee stond...
Jan: Ja, maar dat komt omdat er maar weinig over de elpee als zodanig is geschreven, wat me uiteraard een beetje tegenvalt. Ik dacht dat ze toch toegankelijker was dan vroegere platen, maar waarschijnlijk is dat niet zo. 't Zal wel weer zoals altijd zijn: journalisten die bij mij komen en zeggen "vijf jaar geleden heb ik je plaat gekraakt en nu heb ik er spijt van". Dat is wel frustrerend natuurlijk.
- Kom, kom, Jan, je "kraken" dat heeft men toch nooit gedaan...
Jan: En Johan Anthierens dan? Voor "Knikkerterrorist" belde hij me op met de mededeling dat hij ze ging beluisteren om te recenseren voor Humo en dat hij nadien dan zou terugbellen om nog wat telefonische vragen te stellen. Tien minuten later hing hij alweer aan de lijn met de mededeling: "Ik heb ze beluisterd en vind ze niet goed." Echt waar, hé, op tien minuten had hij ze helemaal "beluisterd"! Maar wat nu "Communisten" betreft, op plaat zal wel niemand zich daaraan storen denk ik, maar in de zaal krijg je soms toch rare reacties. In 't begin lacht men ermee, maar als ik er dan op 't eind ook de fascisten bij haal, dan valt het stil. Dan vraagt men zich af: zou het dan toch een serieus liedje kunnen zijn?
- Ook door de combinatie van zaken die wel eens aan het stereotiepe beeld beantwoorden, zoals die rode Lada's, met totaal maffe toestanden zoals die Micha Marah-opblaaspoppen...
Jan: Ja, dat is slapstick natuurlijk. Maar eigenlijk is het wel een serieus liedje, toegegeven. Ik wil ermee etaleren dat ik geen man van ideologieën ben. Daarvoor ben ik een veel te grote twijfelaar.
- Toch schakel je niet alle ideologieën gelijk. Niet in je privé-leven en ook niet in dit liedje, vind ik.
Jan: Nee. Maar ik vergelijk ook niets. Ik verkneukel me alleen maar om heel doctrinaire mensen, van eender welke strekking. Verder voel ik me inderdaad meer op mijn gemak bij mensen die men traditioneel in het linkse vakje stopt. Mijn beste vrienden zijn communisten, wat daarom niet wil zeggen dat het KP-leden zouden zijn. Anderzijds heb ik van vroeger ook nog wel vrienden uit "het andere kamp" overgehouden en daar kom ik nog steeds goed mee overeen, al ga ik wel politieke discussies uit de weg.
OPVANGCENTRUM
Jan heeft inderdaad ook nogal wat maoïstische kameraden. Daarover zegt huisvriend Lieven Tavernier in een andere Humo: "Op een keer kwam de toenmalige studentenleider Renaat Willockx in het universiteitsrestaurant op me afgestapt; doodernstig vroeg hij: Lieven, wat heb je vandaag voor de revolutie gedaan? Er schoot mij niet zo gauw iets te binnen."
Of Jan De Wilde nuttig werk heeft verricht in het kader van de revolutie is niet zo zeker, maar zoals het echtpaar Sigiswald Kuijken-Marleen Thiers de toeverlaat is van klassieke muzikanten in nood, zo zorgen Jan en Lieve voor de zielen in nood uit het zogenaamde lichtere genre...
Jan: Ze kwamen allemaal bij ons thuis hun wonden likken. Wij waren zowat het enige stabiele koppel bij wie ze konden uithuilen. Als ze daar eenmaal mee klaar waren, stuurden wij hen met een schouderklopje weer de nacht in.
Aldus Jan in alweer een andere Humo. Maar zo afstandelijk zijn Jan en Lieve in realiteit niet. Dat mocht ik zelf ondervinden toen ik hem eind 1980 ging interviewen over "PVBA Koekejoe en Cie". De dag van het interview kreeg ik immers een telefoontje van mijn toenmalige echtgenote dat het niet meer nodig was dat ik nog naar huis kwam... En zo werd tussen het interview door telefonisch onderhandeld over wat er nu ging gebeuren. Uiteindelijk hebben Jan en Lieve mij midden in de nacht met de wagen toch naar huis gebracht. Zelf ben ik immers een openbare vervoergebruiker, maar het openbaar vervoer houdt geen rekening met dergelijke problematieken.
- Terug naar "De bende": over dat andere "ironische" nummer, "De West-Vlaamsche Leeuw", wordt wél gesproken. En ook al verklaar je dan dat je het in feite allemaal niet zo bedoelt, als ik een West-Vlaamse communist zou zijn, dan zou ik het hiermee moeilijker hebben dan met "Communisten"...
Jan: 't Zit natuurlijk wel subtieler in elkaar dan je kan uitleggen. Ik gebruik enkele van de meest gangbare clichés over West-Vlaanderen, maar juist door die zo op te stapelen krijg je een heel ander effect dan wanneer ik één cliché zou nemen om daarrond een liedje te maken. In het tweede deel corrigeer ik die clichés trouwens min of meer. Want al lachend wil ik eigenlijk aanduiden dat het West-Vlaamse ras toch iets heel speciaals is. Maar om dat duidelijk te maken, zou het beter door een echte West-Vlaming geschreven zijn, ja. Ik heb bewondering voor West-Vlamingen, net zoals ik bewondering heb voor de weinige communisten die er nog zijn.
HEHE
"De bende" werd opgenomen bij EMI, waar "fan" Guy Brulez van persjongen tot labelmanager was opgeklommen, terwijl Jan met zijn oorspronkelijke firma Phonogram in aanvaring was gekomen, omdat er na de pensionering van Walter Moens niemand nog naar hem omkeek. Typisch is dat wanneer in 1991 de firma inpikt op het succes van "Héhé" met een "Best of"-CD (eigenlijk een heruitgave van de LP "Portret"), Jan zelf daar niet eens van op de hoogte werd gebracht! Laat staan dat hij inspraak zou hebben gehad bij de samenstelling van de CD.
"Héhé" was overigens een productie van Hennie Vrienten en diens Magnificent Seven zorgen dan ook voor de begeleiding op deze CD. Live gebeurde dat ook wel eens bij speciale gelegenheden, maar meestal liet Jan zich nog steeds bijstaan door zijn vrouw op bas en een bevriend gitarist. In die tijd was dat Wigbert Van Lierde, die echter kort daarna zelf aan een solocarrière zou beginnen, die net als Urbanus destijds, deze van zijn leermeester ver zou overstijgen. Maar, in tegenstelling dan weer tot zowel Jan als Urbain, was ze even vlug weer over als ze was gestart.
Jan zelf was in die tijd ook bassist van Cuisine Cajun.
KLASSIEK ORKEST
Zijn eeuwigdurende carrière liep dus niet steeds over platgetreden paden, zo ging hij in 1991 zowaar op pad met een klassiek orkest. Hoe is Jan De Wilde eigenlijk bij Dirk Vermeulen en Prima La Musica terechtgekomen?
Jan: Ik heb nooit muziek geleerd en daar heb ik nog altijd spijt van. Wij waren te arm om een piano te kopen en toen ik dus liedjes begon te schrijven, moest ik altijd gaan aankloppen bij Frans Ieven en dat vond ik op de duur wel vernederend. Met de moed der wanhoop ben ik dan uiteindelijk toch nog muziek gaan studeren. Zeker wanneer Urbain mij vroeg om zijn platen te producen. En toen hij me dan vroeg de muziek voor 'Hector' te schrijven moest ik uitkijken naar muzikanten. 't Was zomer, maar na twee dagen had mijn vrouw toch een paar virtuozen gevonden. Dat werd echter een ongelooflijke tegenvaller. Een telefoonorkest werkt niet, dat is reeds eerder gezegd, hé. Daarom heb ik raad gevraagd aan een eminent musicoloog uit mijn buurt, André De Groeve, en die bracht mij in contact met Dirk. Deze had trouwens reeds meegewerkt aan "Grootvader geplant", een single van Urbain. En zo is de idee van die klassieke bewerkingen dan gegroeid. Het eigenlijke orkest van Dirk, Sinfonia, zag dat echter niet zitten en daarom heeft hij Prima La Musica opgericht.
- Toen je bij de aanvang zei dat je eerst de muziek schreef en dan pas de tekst, was ik ten zeerste verbaasd, maar eigenlijk heb je gelijk: in de fond zijn je liedjes muzikaal zeer goed geconstrueerd. Dat kan men bijvoorbeeld horen bij de bewerkingen die voor dit programma werden gemaakt. Daarnaast speelde Prima La Musica ook nog uittreksels uit de Kunst der Fuge van Bach...
Jan: Dat was uiteraard geen toeval, want ik ben dol op Bach. Ik hou van de meest uiteenlopende genres en vind een eenvoudig nummer van Ry Cooder even boeiend als een symfonie van Mozart. Wat me niet ligt dat zijn bepaalde vormen van jazzmuziek en ook niet het getormenteerde van de symfonieën van Beethoven. Om nog te zwijgen van Wagner! Maar ik heb bijvoorbeeld altijd al veel belangstelling gehad voor muziek uit het zuiden van de Verenigde Staten, laten we zeggen de "hardere" volksmuziek, zoals cajun, tex-mex, bluegrass en zelfs rock'n'roll uit de jaren vijftig. Dat is echter nooit tot uiting gekomen in mijn liedjes, wat jammer is. Eigenlijk hou ik van te veel dingen. In feite zou je een plaat moeten maken per genre dat je bewondert.
- Zoals de reeds genoemde Ry Cooder heeft gedaan...
Jan: Voor die man doe ik tien keer per dag mijn hoed af. Maar hier in Vlaanderen kan dat uiteraard niet. Onze zolen zijn al versleten van één plaat om de zes jaar aan de man te brengen! Er is zelfs een tijd geweest dat iedereen zich ervoor schaamde om met eigen liedjes naar buiten te komen, omdat dit als oubollig en kneuterig werd beschouwd. Gelukkig, nu màg het weer. Persoonlijk hou ik zoals gezegd van een heleboel genres en dat is maar normaal ook, voor een volwassen mens. Maar jonge mensen zijn heel gevoelig voor sectarisme in de muziek, dat heeft Raymond in "Cha Cha Cha" ook al gezongen. Als zij bijvoorbeeld van blues houden, dan zouden ze beschaamd zijn om daarvoor uit te komen. En dat vind ik erg, heel erg. Maar gelukkig mag je nu stilaan weer van kleinschaliger muziek houden, muziek voor minderheden.
- Ik ben het overigens niet helemaal met je eens dat je die fifties-muziek niet kan horen in jouw liedjes. De eerste plaatkant van "De Bende van Jan De Wilde" eindigt bijvoorbeeld met twee nummers die a.h.w. een A- en een B-kant van een single uit die tijd konden zijn. Ik heb het over "Otomobiel" met zo'n beetje "Peggy Sue"-drums en "Bij het gebulder" dat dan zo'n echte slow is.
Jan: 'k Zie dat toch nog niet zo direct op een jukebox staan, hoor. "Otomobiel" heeft in 't midden een break. Ik vind dit typisch zo'n nummer dat ik harder en koeler had gewild. En dan "Bij het gebulder"... (barst uit in een "bulderende" lach). 'k Zie het al gebeuren dat ze daar op de dansvloer staan te cheeck-to-cheecken op die ver-schrik-ke-lij-ke tekst (hij handelt namelijk over de Derde Wereldoorlog, die echt een oorlog zal zijn, zoals iedereen wel weet, "to end all wars", maar dan in de meest letterlijke betekenis van het woord, RDS). Oorspronkelijk had ik het bedoeld als parodie op nummers zoals "Mandolienen in Beiroet", vandaar dat ik het zing in de trage Elvis Presley-stijl die hier bij ons door Will Tura eigenlijk wel mooi is overgenomen. Maar terwijl ik de tekst maakte werd ik meegesleept. Vandaar alweer die tweeslachtigheid die overigens ook in de muziek zit. Op het eerste gehoor klinkt ze erg zoet, maar er zit opzettelijk een vals orgeltje in. Op mijn eigen bandje thuis was dat zelfs verschrikkelijk vals, snerpend, maar producer Jean Blaute heeft dat in de studio afgezwakt omdat anders iedereen dat nummer zou overslaan op de plaat. Trouwens ook nu nog staat het op verzoek van mijn vrouw speciaal daarom als laatste nummer: wie het niet kan aanhoren, kan de plaat daarvóór al omdraaien.
Ronny De Schepper
vrijdag 30 november 2007
Gentse Feesten (lunchtheater)
Raf Vandenbussche behaalde met "Depot socio" de publieksprijs in de wedstrijd voor lunchtheater. Het werd op 20 maart 1993 opgevoerd in de Backstage in een regie van Helga Demeyer. Het decor bestond uit een aantal "koppen" geleend door AMSAB nadat productieleidster Greta De Paepe o.a. aan mij gevraagd had of ik er zo geen wist staan!
Jacques Wolff, ongetwijfeld een amateur, speelt een oude Gentse volksfiguur die dergelijke beelden moet afstoffen en uitlenen indien nodig - maar dat laatste is niet vaak meer nodig. Myriam Bronzwaar is de secretaresse van Vandenbroucke, die 'omdat het niet anders kan' toch een beeld van Eedje Anseele komt ophalen. Jacques kent haar niet "van zijn wijkclub", zegt hij, maar wat denkt dat boerke wel? Ze is geselecteerd door De Witte & Morel en als referentie heeft ze haar dienst bij Vandeputte van het VBO.
"Het VBO? Maar dat is een bocht van 180°!"
"Snulleke, het VBO ligt vlakbij de Keizerslaan, ge kent gij zeker uwe weg niet in Brussel."
Enzovoort. Eigenlijk wel geestig, zij het niet erg briljant geacteerd.
Raf heeft duidelijk zijn frustraties van zich afgeschreven. "Uiteraard" leest Jacques "Het Laatste Nieuws" en kijkt hij naar VTM, maar anderzijds kent hij toch nog zijn klassieken, terwijl ze voor Myriam alleen maar seksobjecten zijn. Maar als Jacques dan denkt dat ze voor alles "in" is, dan krijgt hij natuurlijk een draai om z'n oren voor dergelijke "seksuele intimiteiten tijdens het werk".
Ikzelf had ook meegedaan aan deze wedstrijd, maar ik werd niet geselecteerd omdat ik “te veel 'Educating Rita' had nagebootst”. Ja, dat was nogal wiedes. Als “schuilnaam” (verplicht omdat het een wedstrijd was) had ik “Russell Williams” opgegeven, een sympathieke Engelse wielrenner overigens, maar vooral een omkering van Willy Russell, de auteur van “Educating Rita”. Er was dus geen sprake van plagiaat of zo, maar een bewuste aanpassing van het origineel.
En hoe was dat nou zo gekomen? Want het spreekt vanzelf dat ik niet opzettelijk iets had geschreven om aan een wedstrijd mee te doen, deze tekst lag al enkele jaren in mijn lade. En dat kwam als volgt.
In die tijd had Nora Tilley heel wat succes met de Nederlandse versie van dit stuk, samen met Tuur De Weert. Aangezien ik destijds smoor was op Nora, heb ik deze voorstelling wel drie keer gezien, o.a. ook samen met mijn toenmalige vriendin. Ook zij zag dit stuk wel zitten en daarom besloten we onze eigen versie in te studeren.
Al vlug bleek dat mijn vriendin geen dialect kon spreken. Bovendien vond ze dat de rollen in ons geval eigenlijk omgekeerd waren. Maar natuurlijk konden de geslachten niet zo maar omgewisseld worden. In casu de man zou dan een haarkapper worden en dan dook er dus plotseling een heel ander aspect op...
Bijgevolg deed ik mijn best om een nieuw stuk te schrijven met hetzelfde uitgangspunt. Ik geef toe dat het resultaat niet helemaal geslaagd is, maar met deze uitleg erbij, vind ik dat het er toch nog mee door kan.
Gentse Feesten
*****************
Zaal en scène zijn helemaal verduisterd, terwijl "Geen schoenen aan" van Raymond van het Groenewoud (van de elpee "Habba") door de boxen schalt. Na de eerste strofe glijdt de muziek zachtjes weg, terwijl tegelijk het licht op de scène langzaam aan gaat. Als het stil is, is er fel licht dat schijnt over een bank, die blijkbaar in een park staat. Het is ochtend én zomer.
Op de bank ligt een jongeman van vooraan in de twintig te slapen. Hij gebruikt een plastic zak als hoofdkussen, waarin een paar spullen zitten die ons meteen duidelijk maken dat hij er weliswaar slordig en vuil bijloopt vanwege de vorige nacht (zou er soms nog een leeg flesje Duvel in zijn nabijheid rond dwalen?), maar dat dit geen gewoonte is van hem. Hij is met andere woorden geen landloper.
Verder is het nog gemakkelijk te zeggen wat hij niet is: hij is geen punker, geen hippie, geen noem-maar-op, maar zijn vuile jeans maken toch ook duidelijk dat hij geen bankbediende of minister is. Maar voor de rest zou hij zowat vanalles kunnen zijn, een student net zo goed als een garagist.
Terwijl hij rustig verder slaapt, komt een goed ogende dame op die stilaan naar de veertig gaat. Alhoewel zij hoge hakken draagt en een ietwat deftige (maar aantrekkelijke) zomerjurk, voelt men ook bij haar instinktmatig dat een tiental jaren terug, zij misschien ook wel op zo'n bank in het park kan hebben geslapen. Misschien is het door de manier waarop zij een pull over de schouders draagt of door een zekere nonchalance in haar houding of weet ik veel.
Nù zijn het alleszins precies die verrekte schoenen die haar de duivel aandoen. Er is een steentje tussen haar tenen geraakt en ondanks haar wild om zich heen schoppen (letterlijk dan) wil dat daar maar niet weg. Ten einde raad merkt ze de bank op, die haast helemaal wordt ingenomen door de jongeman. Alleen naast de plastic zak is nog een minuskuul plaatsje.
De vrouw - die een pak kursussen, of zoiets, in de armen draagt - kijkt sceptisch naar het tafereel. Het is duidelijk: ofwel gaat ze op de grond zitten om haar schoen los te maken, ofwel probeert ze zich naast het hoofd van de jonge kerel te wurmen. Even voelt ze nog even vertwijfeld aan de grond, maar het gras is nog nat van de dauw. Het wordt dus de bank.
Plaatsnemen op een plekje van zowat 20 x 20 cm is reeds geen sinecure, maar dan ook nog je schoen proberen uitdoen met een pak kursussen op je schoot, daar moeten natuurlijk moeilijkheden van komen. En jawel hoor, zeer tot haar ontevredenheid heeft ze de jongeman wakker gestoten en zal ze dus verplicht zijn zich te verontschuldigen.
Voor het gemak zullen we nu reeds verklappen dat zij Janine heet en hij Erik. Hij spreekt dialekt en zij "beschaafd", maar beiden niet extreem, zodat de konversatie toch vrij natuurlijk verloopt.
JANINE (terwijl Erik de gebruikelijke ochtendgeluiden uitstoot, ratelt ze aan één stuk door): Ja, sorry hoor, ja ziet u, er zat een steentje in mijn schoen en dat stoorde me geweldig, ja het deed zelfs pijn en het wilde er maar niet uit en het gras is nog nat van de dauw en ik zag dat er hier nog een beetje plaats was en ik dacht, ja misschien kan ik er nog wel bij zonder u wakker te maken, maar nu is het toch gebeurd, het spijt me verschrikkelijk, maar stoort u zich maar niet aan mij, zo dadelijk heb ik mijn schoen weer vastgemaakt en dan ben ik weg, ik ben zelfs al wat over tijd, ik zal me dus moeten haasten, slaapt u dus maar rustig verder, nogmaals sorry... (dat kan desnoods zo nog een tijdje doorgaan, ondertussen is Erik klaar wakker en slaat haar verbijsterd gade, uiteindelijk krijgt hij er toch een woordje tussen:)
ERIK: Hoi, hoi, hoi!
JANINE stopt haar geratel.
ERIK: Wat krijgen we nu zeg?
JANINE: Wel ja, wat ik zo juist kom te zeggen: er zat een steentje in mijn schoen en... (ze is opnieuw vertrokken, maar Erik legt vriendelijk zijn hand op haar mond)
ERIK: Dàt noem ik nog eens ontwaken!
Stilte.
ERIK: Ge hebt me toevallig toch niet wakker gekùst?
JANINE: Ik...
ERIK (geeft haar de tijd niet om te antwoorden): Want dàt zou formidabel zijn. De kikker die tot prins wordt gekust. Of hoe zeggen ze dat? Gotver, gotver, gotver, ik wist het hé, die Gentse Feesten dat is iets speciaals. Daar hoor ik nu in Temse al tien jaar over spreken en...
JANINE: In Temse?
ERIK: Ja, daar kom ik vandaan. Allé, daar woon ik. Of nee, beter gezegd, daar woonde ik tot gisteren. Maar gisterennamiddag, nadat ik naar de aankomst van de Ronde van Frankrijk had gekeken, heb ik heel mijn boeltje samengepakt en ben ik naar hier afgezakt. 't Moest er ééns van komen en dan liever op 't onverwachts. Ja, belangrijke beslissingen moet ge op een slag en een keer nemen, vind ik. Gij niet?
JANINE: Ik...
ERIK: En nu ben ik hier. En ik heb het mij nog geen moment beklaagd. Verdomme, ik heb mij goed gehad gisteravond daar aan Sint-Jacobs. En zeggen dat er mensen zijn die zeggen dat het er vroeger nog zoveel beter was. Dat kan wel zijn, maar voor mij was het toch iets helemaal anders dan ik gewoon ben. Allé, in zo'n dorp, wat valt er daar nu te beleven? Ik had het al lang moeten afbollen. Maar ja, mijn vrouw hé...
JANINE: Ah, u bent...
ERIK: Getrouwd, ja, ik ben getrouwd. Als ik nog maar goed achttien was, verdomme. Een mens weet dan niet waar ge aan begint, hé. (Zingt uit "Vrijgezel" van Benny Neyman:) "Nee echt, hij zou het nooit meer doen"...
Toch wordt hij er stil van. Aangezien Janine ook niet onmiddellijk weet wat te zeggen, blijft het een tijdje stil. Dan beginnen ze beiden tegelijk opnieuw te praten:
JANINE: En dan ben je nu...
ERIK: En nu ben ik dan...
Ze lachen. Het ijs is gebroken.
ERIK: Normaal moeten we nu nog eens tegelijk beginnen praten. Zo gaat dat altijd in de film. En nadien zegt gij: begint gij maar. En ik zeg: nee, doet gij maar, euh... Ja, hoe heet ge eigenlijk?
JANINE: Janine.
ERIK: Erik (ze geven elkaar de hand), maar men noemt mij Rod.
JANINE: Rot?
ERIK: Rod, ja, Rod Stewart, kent ge die niet? (Hij geeft haar de tijd niet om te antwoorden) Nu ja, d'r zijn er wel meer die hem niet kennen. Of àls men hem kent, begrijpt men niet wat ik zo speciaal vind aan hem. Eigenlijk zou ik dus eerder moeten zeggen: ik zou willen dat men mij Rod noemt, want niemand doet dat in feite, zelfs Tania niet.
JANINE: Tania?
ERIK: Mijn vrouw. Of mijn ex-vrouw, zoals ge wilt.
JANINE (om de pijnlijke stilte te doorbreken): En wat is er dan zo speciaal aan die Rod Stewart?
ERIK: Dat is een zanger. Een popzanger. Dat is natuurlijk niets speciaals, zo zijn er veel en er zijn er nogal wat waarvan ik hou. Maar de Rod, als ik die hoor... Allé, neem nu, "I don't want to talk about it", dat is pure poëzie.
JANINE (schrikt): Verdorie, over poëzie gesproken (kijkt op haar horloge), ik moet dringend opstappen. Wel, Erik of Rod...
ERIK (neemt haar pols en kijkt ook op haar horloge): Hoe laat is het misschien? (Schrikt ook) Verdomme! Ik mag mij ook wel haasten. Ik moet om tien uur in de les zijn. Kom ik speciaal naar hier voor die kursus en dan zou ik hem nog missen ook.
JANINE (terwijl ze zich beiden wat fatsoeneren om op te stappen): Kursus? Ik dacht dat je hier voor de Gentse Feesten was.
ERIK (een beetje gegeneerd): Ja, 't is te zeggen... 't Een met 't ander... Ik had eigenlijk al lang gehoord van een vriend die aan de universiteit studeert, dat daar in de zomer ook kursussen worden gegeven voor gewone mensen, allé mensen zoals ik enfin.
JANINE (lacht): En wat voor mensen zijn dat dan wel, mensen zoals jij?
ERIK: Tja, dat kan vanalles zijn. Mensen die vroeg van school zijn gegaan, omdat ze het beu waren of omdat hun ouders erop aandrongen dat ze zelf voor hun kost zouden zorgen en die daar dan later spijt van krijgen. Kijk, ik ben taxichauffeur, maar dat is toch geen echt leven, hé. Al die zatteklap die ik altijd moet horen. En over 't schoon weer. Of 't slecht weer, al naargelang.
JANINE: En je wil dus opnieuw gaan studeren?
ERIK: Niet echt, nee. Ik heb overigens geen diploma van hoger middelbaar, hoe zou ik dan aan de universiteit geraken. (Nog voor Janine de kans krijgt het te zeggen:) Via de middenjury zeker? Ja, dag Jan, daar zien ze iemand als mij nog niet staan. Neenee, ik heb dat allemaal onderzocht, kind, en dat is niks voor mij.
JANINE: Dus toch geen beslissing van de ene dag op de andere?
ERIK (na een verontschuldigend lachje): En die vriend van mij, dat is een germanist. Op café zat die steeds maar te vertellen over die lerares van hem, allé dat noemen ze dan een assistente. Nederlandse literatuur geeft ze (Janine is zo geïnteresseerd dat ze opnieuw vergeet op te stappen). En hij zegt dat die dat zo goed kan..., zo goed kan..., allé, hoe moet ik dat zeggen? Zo goed kan overbrengen! Dat ze die gedichten en die romans uitlegt alsof ze ze zelf heeft geschreven. En let op hé, die gast is daar niet verliefd op of zo, hé, want hij zegt dat ze er wel nogal gewoontjes uitziet, maar dat ze in het vuur van haar bespreking ineens heel anders wordt. (Lacht) Jaja, hij vermoedt zelfs dat het er nog een is van de tijd van '68. Dat kent ge toch, hé, de tijd van '68? Verdomme, als ik toen zestien jaar was geweest, dan was ik toch niet in die stomme houtfabriek gaan werken. (Droomt heel even weg, maar dan weer nuchter) Maar allé, daar ben ik nu toch ook weer vanaf. Die taxi-affaire, dat is toch al iets beter. Wel, en daarom kom ik die kursus volgen. Niet om een diploma te halen of zo, maar gewoon, om er dan weer een paar maanden tegen te kunnen, tegen mijn taxi...
JANINE (duidelijk verveeld met de wending die het gesprek heeft genomen, plots gehaast): Wel, zorg dan maar dat je de eerste keer al niet te laat komt in de les. Dag, Erik. Tot ziens misschien.
ERIK (als ze al weg is, haar dromerig achterna starend): Ja, misschien.
Black-out en keihard "Do you think I'm sexy" van Rod Stewart.
* * * * *
Een bureau vol boeken. Daarachter Janine die geamuseerd in een poëziebundel bladert en nog nageniet van het sukses. Als vanzelfsprekend wordt er geklopt en nadat zij "binnen" heeft geroepen, staat een ietwat sprakeloze Erik in de deuropening. Hij heeft z'n best gedaan om er wat keuriger uit te zien dan deze morgen.
JANINE: En Erik? Hoe is het je bevallen, de les van die assistente die er maar gewoontjes uitziet? Is ze tijdens de bespreking ineens heel anders geworden?
ERIK (stamelt): Ik wist niet... Sorry dat ik deze morgen... Ik hoop dat ge 't mij niet kwalijk neemt... Enfin, 't was toch niet zo erg, hoop ik...
JANINE (lachend): Welnee, het heeft me deugd gedaan dat iemand nog eens zo ongezouten zijn mening zegt over mij. Dat hoor ik bijna nooit meer de laatste tijd. Zelfs Jan...
ERIK: Jan?
JANINE: De knul waarmee ik samenwoon, zelfs die lijkt soms wel bang te zijn van mij. Nu ja, misschien jaag ik de mensen ook wel angst aan. Ik kan soms zo kategoriek zijn dat ik er zelf verwonderd van sta. Maar het hangt me zo de keel uit, hé. Heel dat gedoe hier. Al die gatlikkers van studenten. Om dan nog te zwijgen van het feit dat ik op mijn beurt het gat moet likken van de professoren. (Erik kijkt even op bij deze plotse uitval) Ja sorry, misschien verwacht je dat niet van je nieuwe idool, maar ik neem aan dat die Rod Stewart van je dat ook af en toe wel eens zal zeggen, of niet soms? (Ontspannen, rustiger) Nee, Erik, bedankt jongen voor deze morgen. Ik vond het ondanks alles een kompliment. Want weet je dat zelfs naar deze zomerkursus vooral studentjes komen die "zichzelf nog wat willen bijwerken" in plaats van "gewone mensen zoals jij" voor wie hij in feite bedoeld is?
ERIK: Ja, na één les weet ik dat al, ja. Ik werd al onmiddellijk uitgelachen omdat ik Paul van Ostayen niet kende. Maar allé, welke taxichauffeur heeft er nu al van Paul van Ostayen gehoord?
JANINE: Wie weet! Er zal toch wel ergens een straat naar hem genoemd zijn zeker? (Ze lachen. Even pauze.) En kèn je hem nu, Paul van Ostayen?
ERIK (plots heel entoesiast): Jazeker! Ik vind hem bijna zo goed als Rod Stewart. En hij heeft ook vanalles hé. Zachte ballades gelijk als dat van die kano naar zee en dan meezingers zoals dat over die naaimachine en ook keiharde rock, dat zijn dan die gedichten waarbij de woorden in verschillende grootte over heel de pagina verspreid zijn. Waw, wijs jong. En gij hebt dat heel goed gedaan! (Wat kalmer) Allé, als ik dat zo mag zeggen... Zou dat niet kunnen dat gij ook een dichteres zijt?
JANINE (lacht, bijna hysterisch): Dat was in '68, jongeman. (Bitter) Nu is dat voorbij, àlles is voorbij... (even stilte, dan trekt ze een lade open en haalt er een fles whisky en twee glazen uit; tegen Erik die in een wandkast met boeken staat te snuffelen:) Maar ga toch zitten! Whisky?
ERIK (negeert het zitten, maar komt in de loop van het gesprek wel z'n whisky halen): Daar staat niet veel interessants bij, hé?
JANINE (opgewekt lachend): Precies! Dat is het 'm nou juist! "Daar staat niet veel interessants bij". Neen, jongen, dat zijn meestal referentiewerken. (Erik wil niet laten merken dat hij dat woord niet begrijpt, maar ze heeft het toch gezien.) Boeken die ik nodig kan hebben bij het voorbereiden van mijn lessen of bij de verbetering van examens of testen of bij het bespreken ervan met een of andere student. Neen, vriend, de "serieuze" boeken die bewaar ik hier (opent opnieuw de whisky-lade en haalt er een niet meer zo nieuwe pocket uit).
ERIK (leest op de kaft): "Levend begraven in de blues", een sonnettencyclus van Janis Van Zuylen.
JANINE: Wil je het lezen? (Ze slaat haar whisky in één teug achterover.)
ERIK: O.K. (Behoedzaam) Is het nog niet wat vroeg om zoveel te drinken?
JANINE (schamper): Wat heb jij dan deze nacht gedronken? Spuitwater?
ERIK (even scherp): Wat zoudt gij doen als ge juist van uw vrouw weggegaan zijt, allé van uw man dan in uw geval.
JANINE: Exakt!
Even stilte.
ERIK (zuinigjes): Ah...
JANINE (met overtuiging): Ha!
Even stilte.
ERIK: Dàt was het dus.
JANINE: Dat was het.
Even stilte.
ERIK: En?
JANINE: En wat?
ERIK: Wilt ge erover praten? ... Of liever niet?
JANINE (haalt de schouders op): Wat heeft het voor zin? (Speelt met haar glas) Wil jij erover praten?
ERIK: Waarover?
JANINE: Waarom je het precies bent afgestapt b.v.?
Stilte. Ze kijken mekaar aan. Het heeft geen zin het uit te leggen. Het is eigenlijk niet uit te leggen en toch begrijpen ze mekaar. Het is om precies dezelfde reden.
JANINE (het resoluut over een andere boeg gooiend): En nu?
ERIK: Nu?
JANINE (kijkt op haar horloge): Half één. Wordt het een pak frieten met een klad mayonaise of maak ik je iets lekkers klaar?
ERIK (vat het eerst nog op als een vorm van beleefdheid): Oh? Nee, nee, bedankt, ik zal mijn plan wel trekken.
JANINE (bedenkelijk): Zeg, ik moet je toch niet smeken, hé? (Met een diepe zucht) Laten we het dan zo stellen: ik had alles al in huis gehaald om voor Jan iets klaar te maken en ik zou het erg vinden, heel erg zelfs, om dat nu helemaal op m'n eentje naar binnen te werken.
ERIK (aarzelt nog): Ha zo...
JANINE (nadrukkelijk): Please!
ERIK: Als ik u daarmee een plezier kan doen...
JANINE (staat gedecideerd recht): Dat is dan gesetteld.
Ze begint haar boeken samen te rapen en gaat naar de deur, terwijl Erik in afwachting even in de pocket bladert en verstrooid wegdroomt.
JANINE (met de deurknop in de hand): Oh ja...
ERIK (kijkt op): Mmmm?
JANINE: Waar slaap je eigenlijk vannacht? Weer op een bank in het park?
Black-out en keihard "Stay with me" van Rod Stewart & the Faces.
* * *
Bij Janine thuis. Gezellig, ontspannen. Een week later. De Gentse Feesten zijn voorbij, de kursus ook. Janine - in jeans - ruimt, "Stay with me" neuriënd, wat op: lege flessen, volle asbakken, rondslingerende platen, enfin de bekende prettige naweeën van een wat ontstuimig feestje. Na enige tijd wordt er gebeld. Janine gaat de deur openen en men hoort haar verrast reageren. Niet te verwonderen, als ze de kamer weer binnenkomt is ze immers vergezeld van Erik in konfektiepak met een ruikertje bloemen in de ene hand en een keurig verpakte c.d. in de andere. Janine bekijkt hem met gemengde blikken.
ERIK (stuntelig): Ja, ik dacht, ik kan haar toch zo niet verlaten, ik moet haar toch bedanken voor alles wat ze voor mij heeft gedaan... (Hij wil nog wel doorgaan met dergelijke onzin, maar Janine onderbreekt hem met een gebaar, toch duurt het nog een beetje voor ze iets kan uitbrengen.)
JANINE (stil): 't Is vanavond nog de dag van de lege portemonnees...
ERIK (idem): Ach, de Gentse Feesten... Eigenlijk kwam ik toch vooral voor die kursus en die...
Uit een vaag gebaar begrijpen we dat die afgelopen is, alleszins toch voor hem. Janine knikt. Erik staat wat onwennig met de bloemen in zijn hand, de c.d. heeft hij ergens neergelegd. Eindelijk merkt Janine het op en gaat ze naar hem toe om ze aan te nemen. Ze willen elkaar eerst formeel kussen, maar uiteindelijk wordt het een passionele zoen, waaruit Janine zich na een tijdje moeizaam losmaakt. Het huilen staat haar nader dan het lachen. Erik ook trouwens. Janine gaat de bloemen in een vaas schikken en spreekt met afgewend gezicht.
JANINE: Terug naar Temse dus?
ERIK (tracht er zich grapjassend van af te maken): Eerder terug naar mijn taxi. Ik kan niet eeuwig op uw kosten blijven leven.
JANINE: Dus toch "lege portemonnees"?
Ze lachen geforceerd.
ERIK: Oh ja, ik heb nog iets bij voor u.
Hij geeft haar de c.d., Janine pakt ze uit met de rug naar het publiek, zodanig dat men niet kan zien welke het juist is. Janine begint schokkend te lachen op een manier dat het ook grienen kan zijn.
ERIK (een beetje ontdaan): Wat is er? Vindt ge ze niet goed?
Janine (nog steeds met haar rug naar hem en het publiek) schudt ontkennend het hoofd, het lachen is nu wel degelijk in huilen overgegaan. Erik wordt steeds meer beduusd. Uiteindelijk legt hij zijn arm om haar schouder. Janine draait zich bruusk om en huilt het uit tegen zijn borst. Dan houdt ze er even mee op, kijkt hem even aan en slaat hem hard met de vuisten op de borst, maar meteen daarna vleit ze er zich weer huilend tegen.
JANINE (van zodra ze enigszins kan spreken): Lieve smeerlap. Of smerige schat. Verdomme, wat moet ik nou? Je bent zo lief. Maar tegelijk... Waarom kun je nu niet...
Erik tilt haar kin op zodat ze elkaar als antwoord even in de ogen kijken. Dan geeft Janine hem nog een vlugge kus, zegt verstikt "bedankt", droogt haar tranen en neemt de c.d. nu duidelijk zichtbaar vast. Het is "Atlantic Crossing" van Rod Stewart.
ERIK (tracht opnieuw luchtig te doen): Maar wat viel er nu te lachen met die c.d.?
JANINE (gedempt): Ik heb ze al...
ERIK: Wat?!?
JANINE: Ik heb ze al. (Ze neemt een totaal verfomfaaide elpee uit haar platenrek.) Maar toch bedankt. Eerst en vooral voor de attentie, maar ook omdat ik best een c.d. kon gebruiken, mijn plaat is zowat "rot" gedraaid...
ERIK (paf): Maar... maar... vorige week in het park zegde ge toch dat ge Rod Stewart niet kende?
JANINE (lacht voor het eerst ontspannen): Neenee, je hebt me de tijd niet gegeven om te antwoorden. En ik vond het nadien wel "geestig" (dialektisch uitgesproken zoals Raymond van het Groenewoud) je in de waan te laten. "Is da nie heestig?"
Erik proest het uit, ze vallen in elkaars armen. Dan is het Erik die plots op z'n horloge kijkt. Het valt op dat hij er voor het eerst een draagt, tijd is nu opnieuw "geld".
JANINE: Dat was het dan?
ERIK (stil): Dat was het.
Omdat er niks meer te zeggen valt, kussen ze elkaar nog heel eventjes, waarna Erik - bijna op z'n tenen - de kamer verlaat. Als de deur achter hem dichtslaat, blijft Janine nog even met de armen naast het lichaam staan tot ze er zich van bewust wordt dat ze nog met die oude Rod Stewart-plaat in de handen staat. Ze gooit ze ergens in een hoek en neemt de nieuwe c.d. behoedzaam uit het doosje en gaat ermee naar de c.d.-speler. Als alles klaar is - ze hoeft enkel nog op "play" te duwen - wordt er gebeld. Ze gaat open maken en meteen komt ze weer op, samen met Erik die druk gestikuleert.
ERIK: Vergeet ik verdomme nog iets. (Haalt de dichtbundel uit zijn zak en overhandigt die aan Janine.) Hier, het boekje dat ge mij hebt laten lezen. 't Was inderdaad de moeite waard, ik vond het...
JANINE (onderbreekt hem, ze is naar een bureau gegaan en schudt een lade uit op de grond: er vallen een tiental dergelijke pockets uit): Je mag het houden, ik heb er toch nog genoeg...
ERIK: Ik had het kunnen weten. Janis Van Zuylen... (Janine maakt als het ware een verontschuldigend gebaar.) En Janis is natuurlijk... (samen:) Janis Joplin! (Ze lachen en knuffelen elkaar opnieuw.)
ERIK: Ge hebt me wel ferm liggen, hoor, gij met uw Mozart en Bach een ganse week.
JANINE (gespeeld kinderlijk): Dat is toch ook mooi?
ERIK: Zeker, maar 'k had het moeten weten dat achtenzestigers daarmee niet grootgebracht zijn.
JANINE: Zeker niet. Eerder met dit.
Ze duwt bliksemsnel op play en uit de boxen klinken de eerste noten van "I don't want to talk about it". Ze kijken elkaar even ernstig aan en uiteindelijk zegt Janine stil, op het moment dat Rod Stewart zelf begint te zingen...
JANINE: En nu? Nog altijd naar Temse?
Black-out en keihard de rest van "I don't want to talk about it".
Ronny De Schepper
Jacques Wolff, ongetwijfeld een amateur, speelt een oude Gentse volksfiguur die dergelijke beelden moet afstoffen en uitlenen indien nodig - maar dat laatste is niet vaak meer nodig. Myriam Bronzwaar is de secretaresse van Vandenbroucke, die 'omdat het niet anders kan' toch een beeld van Eedje Anseele komt ophalen. Jacques kent haar niet "van zijn wijkclub", zegt hij, maar wat denkt dat boerke wel? Ze is geselecteerd door De Witte & Morel en als referentie heeft ze haar dienst bij Vandeputte van het VBO.
"Het VBO? Maar dat is een bocht van 180°!"
"Snulleke, het VBO ligt vlakbij de Keizerslaan, ge kent gij zeker uwe weg niet in Brussel."
Enzovoort. Eigenlijk wel geestig, zij het niet erg briljant geacteerd.
Raf heeft duidelijk zijn frustraties van zich afgeschreven. "Uiteraard" leest Jacques "Het Laatste Nieuws" en kijkt hij naar VTM, maar anderzijds kent hij toch nog zijn klassieken, terwijl ze voor Myriam alleen maar seksobjecten zijn. Maar als Jacques dan denkt dat ze voor alles "in" is, dan krijgt hij natuurlijk een draai om z'n oren voor dergelijke "seksuele intimiteiten tijdens het werk".
Ikzelf had ook meegedaan aan deze wedstrijd, maar ik werd niet geselecteerd omdat ik “te veel 'Educating Rita' had nagebootst”. Ja, dat was nogal wiedes. Als “schuilnaam” (verplicht omdat het een wedstrijd was) had ik “Russell Williams” opgegeven, een sympathieke Engelse wielrenner overigens, maar vooral een omkering van Willy Russell, de auteur van “Educating Rita”. Er was dus geen sprake van plagiaat of zo, maar een bewuste aanpassing van het origineel.
En hoe was dat nou zo gekomen? Want het spreekt vanzelf dat ik niet opzettelijk iets had geschreven om aan een wedstrijd mee te doen, deze tekst lag al enkele jaren in mijn lade. En dat kwam als volgt.
In die tijd had Nora Tilley heel wat succes met de Nederlandse versie van dit stuk, samen met Tuur De Weert. Aangezien ik destijds smoor was op Nora, heb ik deze voorstelling wel drie keer gezien, o.a. ook samen met mijn toenmalige vriendin. Ook zij zag dit stuk wel zitten en daarom besloten we onze eigen versie in te studeren.
Al vlug bleek dat mijn vriendin geen dialect kon spreken. Bovendien vond ze dat de rollen in ons geval eigenlijk omgekeerd waren. Maar natuurlijk konden de geslachten niet zo maar omgewisseld worden. In casu de man zou dan een haarkapper worden en dan dook er dus plotseling een heel ander aspect op...
Bijgevolg deed ik mijn best om een nieuw stuk te schrijven met hetzelfde uitgangspunt. Ik geef toe dat het resultaat niet helemaal geslaagd is, maar met deze uitleg erbij, vind ik dat het er toch nog mee door kan.
Gentse Feesten
*****************
Zaal en scène zijn helemaal verduisterd, terwijl "Geen schoenen aan" van Raymond van het Groenewoud (van de elpee "Habba") door de boxen schalt. Na de eerste strofe glijdt de muziek zachtjes weg, terwijl tegelijk het licht op de scène langzaam aan gaat. Als het stil is, is er fel licht dat schijnt over een bank, die blijkbaar in een park staat. Het is ochtend én zomer.
Op de bank ligt een jongeman van vooraan in de twintig te slapen. Hij gebruikt een plastic zak als hoofdkussen, waarin een paar spullen zitten die ons meteen duidelijk maken dat hij er weliswaar slordig en vuil bijloopt vanwege de vorige nacht (zou er soms nog een leeg flesje Duvel in zijn nabijheid rond dwalen?), maar dat dit geen gewoonte is van hem. Hij is met andere woorden geen landloper.
Verder is het nog gemakkelijk te zeggen wat hij niet is: hij is geen punker, geen hippie, geen noem-maar-op, maar zijn vuile jeans maken toch ook duidelijk dat hij geen bankbediende of minister is. Maar voor de rest zou hij zowat vanalles kunnen zijn, een student net zo goed als een garagist.
Terwijl hij rustig verder slaapt, komt een goed ogende dame op die stilaan naar de veertig gaat. Alhoewel zij hoge hakken draagt en een ietwat deftige (maar aantrekkelijke) zomerjurk, voelt men ook bij haar instinktmatig dat een tiental jaren terug, zij misschien ook wel op zo'n bank in het park kan hebben geslapen. Misschien is het door de manier waarop zij een pull over de schouders draagt of door een zekere nonchalance in haar houding of weet ik veel.
Nù zijn het alleszins precies die verrekte schoenen die haar de duivel aandoen. Er is een steentje tussen haar tenen geraakt en ondanks haar wild om zich heen schoppen (letterlijk dan) wil dat daar maar niet weg. Ten einde raad merkt ze de bank op, die haast helemaal wordt ingenomen door de jongeman. Alleen naast de plastic zak is nog een minuskuul plaatsje.
De vrouw - die een pak kursussen, of zoiets, in de armen draagt - kijkt sceptisch naar het tafereel. Het is duidelijk: ofwel gaat ze op de grond zitten om haar schoen los te maken, ofwel probeert ze zich naast het hoofd van de jonge kerel te wurmen. Even voelt ze nog even vertwijfeld aan de grond, maar het gras is nog nat van de dauw. Het wordt dus de bank.
Plaatsnemen op een plekje van zowat 20 x 20 cm is reeds geen sinecure, maar dan ook nog je schoen proberen uitdoen met een pak kursussen op je schoot, daar moeten natuurlijk moeilijkheden van komen. En jawel hoor, zeer tot haar ontevredenheid heeft ze de jongeman wakker gestoten en zal ze dus verplicht zijn zich te verontschuldigen.
Voor het gemak zullen we nu reeds verklappen dat zij Janine heet en hij Erik. Hij spreekt dialekt en zij "beschaafd", maar beiden niet extreem, zodat de konversatie toch vrij natuurlijk verloopt.
JANINE (terwijl Erik de gebruikelijke ochtendgeluiden uitstoot, ratelt ze aan één stuk door): Ja, sorry hoor, ja ziet u, er zat een steentje in mijn schoen en dat stoorde me geweldig, ja het deed zelfs pijn en het wilde er maar niet uit en het gras is nog nat van de dauw en ik zag dat er hier nog een beetje plaats was en ik dacht, ja misschien kan ik er nog wel bij zonder u wakker te maken, maar nu is het toch gebeurd, het spijt me verschrikkelijk, maar stoort u zich maar niet aan mij, zo dadelijk heb ik mijn schoen weer vastgemaakt en dan ben ik weg, ik ben zelfs al wat over tijd, ik zal me dus moeten haasten, slaapt u dus maar rustig verder, nogmaals sorry... (dat kan desnoods zo nog een tijdje doorgaan, ondertussen is Erik klaar wakker en slaat haar verbijsterd gade, uiteindelijk krijgt hij er toch een woordje tussen:)
ERIK: Hoi, hoi, hoi!
JANINE stopt haar geratel.
ERIK: Wat krijgen we nu zeg?
JANINE: Wel ja, wat ik zo juist kom te zeggen: er zat een steentje in mijn schoen en... (ze is opnieuw vertrokken, maar Erik legt vriendelijk zijn hand op haar mond)
ERIK: Dàt noem ik nog eens ontwaken!
Stilte.
ERIK: Ge hebt me toevallig toch niet wakker gekùst?
JANINE: Ik...
ERIK (geeft haar de tijd niet om te antwoorden): Want dàt zou formidabel zijn. De kikker die tot prins wordt gekust. Of hoe zeggen ze dat? Gotver, gotver, gotver, ik wist het hé, die Gentse Feesten dat is iets speciaals. Daar hoor ik nu in Temse al tien jaar over spreken en...
JANINE: In Temse?
ERIK: Ja, daar kom ik vandaan. Allé, daar woon ik. Of nee, beter gezegd, daar woonde ik tot gisteren. Maar gisterennamiddag, nadat ik naar de aankomst van de Ronde van Frankrijk had gekeken, heb ik heel mijn boeltje samengepakt en ben ik naar hier afgezakt. 't Moest er ééns van komen en dan liever op 't onverwachts. Ja, belangrijke beslissingen moet ge op een slag en een keer nemen, vind ik. Gij niet?
JANINE: Ik...
ERIK: En nu ben ik hier. En ik heb het mij nog geen moment beklaagd. Verdomme, ik heb mij goed gehad gisteravond daar aan Sint-Jacobs. En zeggen dat er mensen zijn die zeggen dat het er vroeger nog zoveel beter was. Dat kan wel zijn, maar voor mij was het toch iets helemaal anders dan ik gewoon ben. Allé, in zo'n dorp, wat valt er daar nu te beleven? Ik had het al lang moeten afbollen. Maar ja, mijn vrouw hé...
JANINE: Ah, u bent...
ERIK: Getrouwd, ja, ik ben getrouwd. Als ik nog maar goed achttien was, verdomme. Een mens weet dan niet waar ge aan begint, hé. (Zingt uit "Vrijgezel" van Benny Neyman:) "Nee echt, hij zou het nooit meer doen"...
Toch wordt hij er stil van. Aangezien Janine ook niet onmiddellijk weet wat te zeggen, blijft het een tijdje stil. Dan beginnen ze beiden tegelijk opnieuw te praten:
JANINE: En dan ben je nu...
ERIK: En nu ben ik dan...
Ze lachen. Het ijs is gebroken.
ERIK: Normaal moeten we nu nog eens tegelijk beginnen praten. Zo gaat dat altijd in de film. En nadien zegt gij: begint gij maar. En ik zeg: nee, doet gij maar, euh... Ja, hoe heet ge eigenlijk?
JANINE: Janine.
ERIK: Erik (ze geven elkaar de hand), maar men noemt mij Rod.
JANINE: Rot?
ERIK: Rod, ja, Rod Stewart, kent ge die niet? (Hij geeft haar de tijd niet om te antwoorden) Nu ja, d'r zijn er wel meer die hem niet kennen. Of àls men hem kent, begrijpt men niet wat ik zo speciaal vind aan hem. Eigenlijk zou ik dus eerder moeten zeggen: ik zou willen dat men mij Rod noemt, want niemand doet dat in feite, zelfs Tania niet.
JANINE: Tania?
ERIK: Mijn vrouw. Of mijn ex-vrouw, zoals ge wilt.
JANINE (om de pijnlijke stilte te doorbreken): En wat is er dan zo speciaal aan die Rod Stewart?
ERIK: Dat is een zanger. Een popzanger. Dat is natuurlijk niets speciaals, zo zijn er veel en er zijn er nogal wat waarvan ik hou. Maar de Rod, als ik die hoor... Allé, neem nu, "I don't want to talk about it", dat is pure poëzie.
JANINE (schrikt): Verdorie, over poëzie gesproken (kijkt op haar horloge), ik moet dringend opstappen. Wel, Erik of Rod...
ERIK (neemt haar pols en kijkt ook op haar horloge): Hoe laat is het misschien? (Schrikt ook) Verdomme! Ik mag mij ook wel haasten. Ik moet om tien uur in de les zijn. Kom ik speciaal naar hier voor die kursus en dan zou ik hem nog missen ook.
JANINE (terwijl ze zich beiden wat fatsoeneren om op te stappen): Kursus? Ik dacht dat je hier voor de Gentse Feesten was.
ERIK (een beetje gegeneerd): Ja, 't is te zeggen... 't Een met 't ander... Ik had eigenlijk al lang gehoord van een vriend die aan de universiteit studeert, dat daar in de zomer ook kursussen worden gegeven voor gewone mensen, allé mensen zoals ik enfin.
JANINE (lacht): En wat voor mensen zijn dat dan wel, mensen zoals jij?
ERIK: Tja, dat kan vanalles zijn. Mensen die vroeg van school zijn gegaan, omdat ze het beu waren of omdat hun ouders erop aandrongen dat ze zelf voor hun kost zouden zorgen en die daar dan later spijt van krijgen. Kijk, ik ben taxichauffeur, maar dat is toch geen echt leven, hé. Al die zatteklap die ik altijd moet horen. En over 't schoon weer. Of 't slecht weer, al naargelang.
JANINE: En je wil dus opnieuw gaan studeren?
ERIK: Niet echt, nee. Ik heb overigens geen diploma van hoger middelbaar, hoe zou ik dan aan de universiteit geraken. (Nog voor Janine de kans krijgt het te zeggen:) Via de middenjury zeker? Ja, dag Jan, daar zien ze iemand als mij nog niet staan. Neenee, ik heb dat allemaal onderzocht, kind, en dat is niks voor mij.
JANINE: Dus toch geen beslissing van de ene dag op de andere?
ERIK (na een verontschuldigend lachje): En die vriend van mij, dat is een germanist. Op café zat die steeds maar te vertellen over die lerares van hem, allé dat noemen ze dan een assistente. Nederlandse literatuur geeft ze (Janine is zo geïnteresseerd dat ze opnieuw vergeet op te stappen). En hij zegt dat die dat zo goed kan..., zo goed kan..., allé, hoe moet ik dat zeggen? Zo goed kan overbrengen! Dat ze die gedichten en die romans uitlegt alsof ze ze zelf heeft geschreven. En let op hé, die gast is daar niet verliefd op of zo, hé, want hij zegt dat ze er wel nogal gewoontjes uitziet, maar dat ze in het vuur van haar bespreking ineens heel anders wordt. (Lacht) Jaja, hij vermoedt zelfs dat het er nog een is van de tijd van '68. Dat kent ge toch, hé, de tijd van '68? Verdomme, als ik toen zestien jaar was geweest, dan was ik toch niet in die stomme houtfabriek gaan werken. (Droomt heel even weg, maar dan weer nuchter) Maar allé, daar ben ik nu toch ook weer vanaf. Die taxi-affaire, dat is toch al iets beter. Wel, en daarom kom ik die kursus volgen. Niet om een diploma te halen of zo, maar gewoon, om er dan weer een paar maanden tegen te kunnen, tegen mijn taxi...
JANINE (duidelijk verveeld met de wending die het gesprek heeft genomen, plots gehaast): Wel, zorg dan maar dat je de eerste keer al niet te laat komt in de les. Dag, Erik. Tot ziens misschien.
ERIK (als ze al weg is, haar dromerig achterna starend): Ja, misschien.
Black-out en keihard "Do you think I'm sexy" van Rod Stewart.
* * * * *
Een bureau vol boeken. Daarachter Janine die geamuseerd in een poëziebundel bladert en nog nageniet van het sukses. Als vanzelfsprekend wordt er geklopt en nadat zij "binnen" heeft geroepen, staat een ietwat sprakeloze Erik in de deuropening. Hij heeft z'n best gedaan om er wat keuriger uit te zien dan deze morgen.
JANINE: En Erik? Hoe is het je bevallen, de les van die assistente die er maar gewoontjes uitziet? Is ze tijdens de bespreking ineens heel anders geworden?
ERIK (stamelt): Ik wist niet... Sorry dat ik deze morgen... Ik hoop dat ge 't mij niet kwalijk neemt... Enfin, 't was toch niet zo erg, hoop ik...
JANINE (lachend): Welnee, het heeft me deugd gedaan dat iemand nog eens zo ongezouten zijn mening zegt over mij. Dat hoor ik bijna nooit meer de laatste tijd. Zelfs Jan...
ERIK: Jan?
JANINE: De knul waarmee ik samenwoon, zelfs die lijkt soms wel bang te zijn van mij. Nu ja, misschien jaag ik de mensen ook wel angst aan. Ik kan soms zo kategoriek zijn dat ik er zelf verwonderd van sta. Maar het hangt me zo de keel uit, hé. Heel dat gedoe hier. Al die gatlikkers van studenten. Om dan nog te zwijgen van het feit dat ik op mijn beurt het gat moet likken van de professoren. (Erik kijkt even op bij deze plotse uitval) Ja sorry, misschien verwacht je dat niet van je nieuwe idool, maar ik neem aan dat die Rod Stewart van je dat ook af en toe wel eens zal zeggen, of niet soms? (Ontspannen, rustiger) Nee, Erik, bedankt jongen voor deze morgen. Ik vond het ondanks alles een kompliment. Want weet je dat zelfs naar deze zomerkursus vooral studentjes komen die "zichzelf nog wat willen bijwerken" in plaats van "gewone mensen zoals jij" voor wie hij in feite bedoeld is?
ERIK: Ja, na één les weet ik dat al, ja. Ik werd al onmiddellijk uitgelachen omdat ik Paul van Ostayen niet kende. Maar allé, welke taxichauffeur heeft er nu al van Paul van Ostayen gehoord?
JANINE: Wie weet! Er zal toch wel ergens een straat naar hem genoemd zijn zeker? (Ze lachen. Even pauze.) En kèn je hem nu, Paul van Ostayen?
ERIK (plots heel entoesiast): Jazeker! Ik vind hem bijna zo goed als Rod Stewart. En hij heeft ook vanalles hé. Zachte ballades gelijk als dat van die kano naar zee en dan meezingers zoals dat over die naaimachine en ook keiharde rock, dat zijn dan die gedichten waarbij de woorden in verschillende grootte over heel de pagina verspreid zijn. Waw, wijs jong. En gij hebt dat heel goed gedaan! (Wat kalmer) Allé, als ik dat zo mag zeggen... Zou dat niet kunnen dat gij ook een dichteres zijt?
JANINE (lacht, bijna hysterisch): Dat was in '68, jongeman. (Bitter) Nu is dat voorbij, àlles is voorbij... (even stilte, dan trekt ze een lade open en haalt er een fles whisky en twee glazen uit; tegen Erik die in een wandkast met boeken staat te snuffelen:) Maar ga toch zitten! Whisky?
ERIK (negeert het zitten, maar komt in de loop van het gesprek wel z'n whisky halen): Daar staat niet veel interessants bij, hé?
JANINE (opgewekt lachend): Precies! Dat is het 'm nou juist! "Daar staat niet veel interessants bij". Neen, jongen, dat zijn meestal referentiewerken. (Erik wil niet laten merken dat hij dat woord niet begrijpt, maar ze heeft het toch gezien.) Boeken die ik nodig kan hebben bij het voorbereiden van mijn lessen of bij de verbetering van examens of testen of bij het bespreken ervan met een of andere student. Neen, vriend, de "serieuze" boeken die bewaar ik hier (opent opnieuw de whisky-lade en haalt er een niet meer zo nieuwe pocket uit).
ERIK (leest op de kaft): "Levend begraven in de blues", een sonnettencyclus van Janis Van Zuylen.
JANINE: Wil je het lezen? (Ze slaat haar whisky in één teug achterover.)
ERIK: O.K. (Behoedzaam) Is het nog niet wat vroeg om zoveel te drinken?
JANINE (schamper): Wat heb jij dan deze nacht gedronken? Spuitwater?
ERIK (even scherp): Wat zoudt gij doen als ge juist van uw vrouw weggegaan zijt, allé van uw man dan in uw geval.
JANINE: Exakt!
Even stilte.
ERIK (zuinigjes): Ah...
JANINE (met overtuiging): Ha!
Even stilte.
ERIK: Dàt was het dus.
JANINE: Dat was het.
Even stilte.
ERIK: En?
JANINE: En wat?
ERIK: Wilt ge erover praten? ... Of liever niet?
JANINE (haalt de schouders op): Wat heeft het voor zin? (Speelt met haar glas) Wil jij erover praten?
ERIK: Waarover?
JANINE: Waarom je het precies bent afgestapt b.v.?
Stilte. Ze kijken mekaar aan. Het heeft geen zin het uit te leggen. Het is eigenlijk niet uit te leggen en toch begrijpen ze mekaar. Het is om precies dezelfde reden.
JANINE (het resoluut over een andere boeg gooiend): En nu?
ERIK: Nu?
JANINE (kijkt op haar horloge): Half één. Wordt het een pak frieten met een klad mayonaise of maak ik je iets lekkers klaar?
ERIK (vat het eerst nog op als een vorm van beleefdheid): Oh? Nee, nee, bedankt, ik zal mijn plan wel trekken.
JANINE (bedenkelijk): Zeg, ik moet je toch niet smeken, hé? (Met een diepe zucht) Laten we het dan zo stellen: ik had alles al in huis gehaald om voor Jan iets klaar te maken en ik zou het erg vinden, heel erg zelfs, om dat nu helemaal op m'n eentje naar binnen te werken.
ERIK (aarzelt nog): Ha zo...
JANINE (nadrukkelijk): Please!
ERIK: Als ik u daarmee een plezier kan doen...
JANINE (staat gedecideerd recht): Dat is dan gesetteld.
Ze begint haar boeken samen te rapen en gaat naar de deur, terwijl Erik in afwachting even in de pocket bladert en verstrooid wegdroomt.
JANINE (met de deurknop in de hand): Oh ja...
ERIK (kijkt op): Mmmm?
JANINE: Waar slaap je eigenlijk vannacht? Weer op een bank in het park?
Black-out en keihard "Stay with me" van Rod Stewart & the Faces.
* * *
Bij Janine thuis. Gezellig, ontspannen. Een week later. De Gentse Feesten zijn voorbij, de kursus ook. Janine - in jeans - ruimt, "Stay with me" neuriënd, wat op: lege flessen, volle asbakken, rondslingerende platen, enfin de bekende prettige naweeën van een wat ontstuimig feestje. Na enige tijd wordt er gebeld. Janine gaat de deur openen en men hoort haar verrast reageren. Niet te verwonderen, als ze de kamer weer binnenkomt is ze immers vergezeld van Erik in konfektiepak met een ruikertje bloemen in de ene hand en een keurig verpakte c.d. in de andere. Janine bekijkt hem met gemengde blikken.
ERIK (stuntelig): Ja, ik dacht, ik kan haar toch zo niet verlaten, ik moet haar toch bedanken voor alles wat ze voor mij heeft gedaan... (Hij wil nog wel doorgaan met dergelijke onzin, maar Janine onderbreekt hem met een gebaar, toch duurt het nog een beetje voor ze iets kan uitbrengen.)
JANINE (stil): 't Is vanavond nog de dag van de lege portemonnees...
ERIK (idem): Ach, de Gentse Feesten... Eigenlijk kwam ik toch vooral voor die kursus en die...
Uit een vaag gebaar begrijpen we dat die afgelopen is, alleszins toch voor hem. Janine knikt. Erik staat wat onwennig met de bloemen in zijn hand, de c.d. heeft hij ergens neergelegd. Eindelijk merkt Janine het op en gaat ze naar hem toe om ze aan te nemen. Ze willen elkaar eerst formeel kussen, maar uiteindelijk wordt het een passionele zoen, waaruit Janine zich na een tijdje moeizaam losmaakt. Het huilen staat haar nader dan het lachen. Erik ook trouwens. Janine gaat de bloemen in een vaas schikken en spreekt met afgewend gezicht.
JANINE: Terug naar Temse dus?
ERIK (tracht er zich grapjassend van af te maken): Eerder terug naar mijn taxi. Ik kan niet eeuwig op uw kosten blijven leven.
JANINE: Dus toch "lege portemonnees"?
Ze lachen geforceerd.
ERIK: Oh ja, ik heb nog iets bij voor u.
Hij geeft haar de c.d., Janine pakt ze uit met de rug naar het publiek, zodanig dat men niet kan zien welke het juist is. Janine begint schokkend te lachen op een manier dat het ook grienen kan zijn.
ERIK (een beetje ontdaan): Wat is er? Vindt ge ze niet goed?
Janine (nog steeds met haar rug naar hem en het publiek) schudt ontkennend het hoofd, het lachen is nu wel degelijk in huilen overgegaan. Erik wordt steeds meer beduusd. Uiteindelijk legt hij zijn arm om haar schouder. Janine draait zich bruusk om en huilt het uit tegen zijn borst. Dan houdt ze er even mee op, kijkt hem even aan en slaat hem hard met de vuisten op de borst, maar meteen daarna vleit ze er zich weer huilend tegen.
JANINE (van zodra ze enigszins kan spreken): Lieve smeerlap. Of smerige schat. Verdomme, wat moet ik nou? Je bent zo lief. Maar tegelijk... Waarom kun je nu niet...
Erik tilt haar kin op zodat ze elkaar als antwoord even in de ogen kijken. Dan geeft Janine hem nog een vlugge kus, zegt verstikt "bedankt", droogt haar tranen en neemt de c.d. nu duidelijk zichtbaar vast. Het is "Atlantic Crossing" van Rod Stewart.
ERIK (tracht opnieuw luchtig te doen): Maar wat viel er nu te lachen met die c.d.?
JANINE (gedempt): Ik heb ze al...
ERIK: Wat?!?
JANINE: Ik heb ze al. (Ze neemt een totaal verfomfaaide elpee uit haar platenrek.) Maar toch bedankt. Eerst en vooral voor de attentie, maar ook omdat ik best een c.d. kon gebruiken, mijn plaat is zowat "rot" gedraaid...
ERIK (paf): Maar... maar... vorige week in het park zegde ge toch dat ge Rod Stewart niet kende?
JANINE (lacht voor het eerst ontspannen): Neenee, je hebt me de tijd niet gegeven om te antwoorden. En ik vond het nadien wel "geestig" (dialektisch uitgesproken zoals Raymond van het Groenewoud) je in de waan te laten. "Is da nie heestig?"
Erik proest het uit, ze vallen in elkaars armen. Dan is het Erik die plots op z'n horloge kijkt. Het valt op dat hij er voor het eerst een draagt, tijd is nu opnieuw "geld".
JANINE: Dat was het dan?
ERIK (stil): Dat was het.
Omdat er niks meer te zeggen valt, kussen ze elkaar nog heel eventjes, waarna Erik - bijna op z'n tenen - de kamer verlaat. Als de deur achter hem dichtslaat, blijft Janine nog even met de armen naast het lichaam staan tot ze er zich van bewust wordt dat ze nog met die oude Rod Stewart-plaat in de handen staat. Ze gooit ze ergens in een hoek en neemt de nieuwe c.d. behoedzaam uit het doosje en gaat ermee naar de c.d.-speler. Als alles klaar is - ze hoeft enkel nog op "play" te duwen - wordt er gebeld. Ze gaat open maken en meteen komt ze weer op, samen met Erik die druk gestikuleert.
ERIK: Vergeet ik verdomme nog iets. (Haalt de dichtbundel uit zijn zak en overhandigt die aan Janine.) Hier, het boekje dat ge mij hebt laten lezen. 't Was inderdaad de moeite waard, ik vond het...
JANINE (onderbreekt hem, ze is naar een bureau gegaan en schudt een lade uit op de grond: er vallen een tiental dergelijke pockets uit): Je mag het houden, ik heb er toch nog genoeg...
ERIK: Ik had het kunnen weten. Janis Van Zuylen... (Janine maakt als het ware een verontschuldigend gebaar.) En Janis is natuurlijk... (samen:) Janis Joplin! (Ze lachen en knuffelen elkaar opnieuw.)
ERIK: Ge hebt me wel ferm liggen, hoor, gij met uw Mozart en Bach een ganse week.
JANINE (gespeeld kinderlijk): Dat is toch ook mooi?
ERIK: Zeker, maar 'k had het moeten weten dat achtenzestigers daarmee niet grootgebracht zijn.
JANINE: Zeker niet. Eerder met dit.
Ze duwt bliksemsnel op play en uit de boxen klinken de eerste noten van "I don't want to talk about it". Ze kijken elkaar even ernstig aan en uiteindelijk zegt Janine stil, op het moment dat Rod Stewart zelf begint te zingen...
JANINE: En nu? Nog altijd naar Temse?
Black-out en keihard de rest van "I don't want to talk about it".
Ronny De Schepper
Abonneren op:
Posts (Atom)