Posts tonen met het label The Beatles. Alle posts tonen
Posts tonen met het label The Beatles. Alle posts tonen

woensdag 30 januari 2008

Antonio Vivaldi

Er is een tijd geweest dat zelfs "De vier jaargetijden" zo goed als onbekend waren. We hebben gelukkig niet op Nigel Kennedy moeten wachten om dit werk te leren kennen, maar het is toch pas sedert een historisch concert in Sienna in 1939 dat Vivaldi opnieuw uit de schaduw mocht treden. Kort daarop werd in de Verenigde Staten de eerste opname ervan gemaakt door Louis Kaufman (1906-1994), tevens de concertmeester bij de opname van de muziek voor "Gone with the wind".
Bij "De vier jaargetijden" laat Vivaldi elk van die jaargetijden voorafgaan door een (wellicht zelfgeschreven) sonnet, waarvan hij via een lettersysteem dan ook nog eens aangeeft, wààr een betreffende zin juist in de muziek thuishoort. Vooral in de versie van Harnoncourt kan men dat goed horen. Té goed misschien zelfs. Want tenslotte is het géén symfonisch gedicht. Daar moet je het gedicht echt goed kennen, anders is het soms zelfs geen goede muziek meer (denk aan "L'apprenti sorcier" van Paul Dukas), terwijl het bij Vivaldi een vioolconcerto blijft, met of zonder sonnet!
Luca Pianca, de stichter van Il Giardino Armonico, van zijn kant verklaarde dat Vivaldi tijdens die solo's over de grond kronkelde zoals de eerste de beste hardrock-gitarist. Tenzij dit gewoon moet dienen om te verklaren waarom zij Vivaldi spelen alsof het pure rock'n'roll is natuurlijk. Anderzijds wees hij er wel op dat Vivaldi eerder de laatste componist van de 17de eeuw is dan de eerste van de 18de. Hij heeft namelijk heel jong viool leren spelen en is nooit echt van deze traditie afgeweken.
Want dàt waren het dus eigenlijk: vier afzonderlijke vioolconcerti die op diverse tijdstippen werden gecomponeerd. De echte volgorde is: eerst de lente, dan de herfst en de winter en pas als laatste de zomer. Bovendien noemde Vivaldi zelf zijn werk niet "le quattro stagioni", maar "Il Cimento dell Armonia e dell'Inventione", min of meer te vertalen als "de strijd tussen harmonie en inspiratie”, ofwel de rationele en de verbeeldingsrijke kant van de muziek. Het werk (uitgegeven in 1725 in Amsterdam) bevat overigens nog acht andere concerten.
Toch worden de concerti altijd uitgevoerd in de "natuurlijke" volgorde van de seizoenen (te beginnen met de lente) en zijn ze als concerti dan ook zo genummerd (m.a.w. het vierde concerto is niet "l'estate" maar "l'inverno"). Maar goed, men begint hoe dan ook met de lente.
In het allegro verwelkomen de vogels de lente, min of meer zoals het Vrolijk lentelied van Jan De Wilde, maar voorjaarsstormen leggen hen het zwijgen op. Op het einde van de beweging laten ze zich echter al opnieuw horen.
Het largo wil bloemrijke weiden oproepen en takken vol bloesems die zachtjes heen en weer waaien in de wind. De schaapherder is ingedommeld, evenals zijn hond. De man denkt wellicht: I love my dog as much as I love you, zoals Cat Stevens.
Maar met zijn blaffen heeft de hond zijn meester wakker gemaakt, want in het allegro begeeft hij zich met andere schaapherders in een wilde dans met nimfen, begeleid door doedelzakken. Kortom, un gai printemps, zoals die van Le Quatuor.
De zomer begint met een "allegro non molto". Non molto inderdaad, want de loden hitte belet al te veel beweging. Het is de zwoele sfeer die we ook terugvinden in de Summernights van ene meneer Bo Delaire, eigenlijk een productie van Raymond van het Groenewoud. De koekoek kan men horen, gevolgd door het gekoer van een duifje en het 'slaan' van een vink. Dan steekt de wind op en zoekt de schaapherder onderdak voor de naderende storm. (Vergelijk met Riders on the storm van The Doors.)
Die rust vinden we nog terug in het adagio van de tweede beweging, maar dat gaat over in een presto, wanneer de storm opsteekt en vliegen nerveus beginnen rondzoemen. Min of meer zoals ze dat ook nog bij Pink Floyd deden, al is het dan niet in Summer '68 maar in
Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Groovin' With a Pict.
Ook de derde beweging is een presto, want de storm raast nu op volle kracht. Het dondert en bliksemt en het rijpe koren wordt door de stormwind platgelegd. Het zijn geen zomers meer, zucht France Gall: Plus d'été.
De herfst begint traditiegetrouw met een allegro. De boeren vieren met zang en dans de geslaagde oogst. De drank vloeit bij beken en uiteindelijk valt menigeen in de armen van Morpheus, when autumn leaves start to fall.
De tweede beweging is een adagio molto, want iedereen slaapt zijn roes uit bij een koel briesje. People get together, hiding from the weather, zoals The Kinks zingen in Autumn almanac.
Er wordt ook hier afgesloten met een allegro, want de jagers breken de rust met hun hoorns, hun honden en hun geweren. Het wild tracht te ontsnappen, maar tevergeefs. Kortom, het is het jachtige gedoe van Good morning van The Beatles.
De winter tenslotte begint opnieuw met een "allegro non molto", waarin zowel de bijtende wind, als het stampen om de voeten te warmen en het geklapper van de tanden is te horen. Arghe winter ghi zijt cout klaagt Paul Rans.
De tweede beweging is weer een largo, want het roept de behaaglijke warmte van de kachel op, terwijl het buiten regen giet. Het is de stemming die Raymond van het Groenewoud op een winterochtend overvalt.
Men eindigt met een allegro, want het heeft geijzeld en iedereen doet moeite om zich recht te houden op de gladde straten. Sommigen wagen zich ook op bevroren vijvers. Het ijs begint te kraken en ze moeten zich uit de voeten maken. Helemaal op het einde horen we opnieuw de wind die huilt en roept: Mary! Nietwaar, Jimi Hendrix?
Overigens was de bijnaam van Vivaldi "il prete rosso", wat buiten het voor de handliggende "de rode priester" (let op: rood betekent roodharig, want Vivaldi is van de preconciliaire periode) ook nog "de hete bedpan" zou betekenen. Dat is uiteraard niet evident, maar een mogelijke verklaring zou kunnen zijn: zoals men in Brussel een prostituée een "stoof", d.i. een bedverwarmer, noemde - cfr. de Stoofstraat - zo waren pastoors misschien ook gekend om hun seksuele exploten en noemde men een bedverwarmer in het Italiaans dus een "prete", waarbij "rosso" uiteraard "roodgloeiend" kan betekenen.
Alleszins heeft Vivaldi die bijnaam te danken aan het feit dat hij in het meisjesweeshuis waar hij van 1703 tot 1740 was tewerkgesteld het niet zo nauw nam met zijn gelofte van kuisheid. Het "Ospedale della Pietà" was één van de vier ietwat eigenaardige instellingen van Venetië die zowel een hospitaal- als een kloosterfunctie hadden. Naast de zieken werden echter ook jonge, verlaten meisjes opgenomen die binnen de instelling een volledige muzikale opleiding kregen door Vivaldi die met hen ook een orkest vormde dat één van de attractiepolen van het toenmalige Venetië werd. Ze traden o.a. op als begeleiders van de zangeres Maria Bolognese, maar de voornaamste aandacht ging naar de soloconcerti die Vivaldi speciaal voor z'n meisjes schreef.
Hij had daarbij een zulkdanige voorkeur voor de hobo dat die in de muziekgeschiedenis de cornet als favoriete blaasinstrument verdrong. Alle belangrijke hoboïsten uit de periode kregen er hun opleiding (Rion, Penati, Erdmann, Siber...), maar het voornaamste feit was dat reeds in 1707 één van de meisjes tot lerares hobo werd aangesteld. Dit was Pelagrina dall'Oboe, want het was de gewoonte dat de meisjes werden genoemd naar het instrument dat ze bespeelden. Het was echter met een zangeres, Anna Giro, dat Vivaldi de nauwste (zij het volgens de legende: platonische) betrekkingen had. Nochtans heeft hij heel weinig vocaal werk geschreven, wellicht omdat hij voor het koorwerk gehinderd werd door het feit dat het allemaal meisjes waren. Toch schreef hij ook bas- en tenorpartijen (b.v.in zijn Gloria), waarbij hij de basstemmen dan wel doubleerde met de instrumenten om zo het gebrek aan capaciteit te verdoezelen.
Maar hij mocht dan nog wereldberoemd zijn in Venetië, indien hij zijn muziek niet bij Estienne Roger in Amsterdam had uitgegeven, was die beroemdheid misschien nooit buiten de stadsgrenzen geraakt. Nu kwam echter o.m. Bach in het bezit van enkele van zijn werken die hij prompt bewerkte (het concerto voor vier violen tot dat voor vier klavecimbels b.v.)
Wanneer rond 1738 zijn populariteit op de achtergrond wordt gedrongen omdat de kerkelijke overheden hem omwille van zijn relatie verbieden zich nog verder met opera bezig te houden, verlaat hij verbitterd Venetië en zoekt zijn toevlucht bij Karel VI in Wenen, waar hij twaalf jaar eerder reeds te gast was geweest. Tot overmaat van ramp sterft deze bij zijn aankomst, zodat niet alleen de bescherming wegvalt, maar ook dat er gedurende lange tijd geen opera's of concerten mogen worden uitgevoerd. Bovendien neemt zijn slepende ziekte een beslissende wending zodat Vivaldi in 1741 in armoede is gestorven en in een naamloos graf begraven (tiens, waar hebben we dat nog gehoord?). Ook zijn muziek dreigde in de anonymiteit te verzeilen, ware er dus niet dat concert in 1939...

dinsdag 15 januari 2008

Johann Sebastian Bach

Met behulp van de computer werden recent enkele nieuwe Bach-stukken "gecomponeerd". De computer werd gevoed met een inventaris van alle werken en maakte samenstellingen volgens de frequentie waarin de verschillende stilistische kenmerken voorkwamen. Het resultaat was echter niet meer dan een "gemiddelde" Bach. Het is nog altijd zoals met de meest gesofisticeerde schaakcomputer: de échte Bach blijft onklopbaar.

Johann Sebastian Bach kan men ongetwijfeld als een late uitbloeier van de polyfonie beschouwen. Hij was dus wel eerder conservatief, maar hij heeft alles wat vóór hem bestond op het gebied van contrapunt samengevat en tot een ongeëvenaard hoogtepunt gebracht.
Maar laten we eerst en vooral een blijvend misverstand opruimen, namelijk zijn beroemde toccata voor orgel (BWV 565) mag eigenlijk niet aan hem worden toegeschreven. Dat is trouwens niet eens de enige musicologische "vergissing": het adagio in G voor strijkers en orgel van Tommaso Albinoni is immers eigenlijk een 20ste eeuwse compositie van ene Remo Giazotto op basis van een thema van Albinoni. The Doors maakten er overigens ook een goede versie van. The Toys maakten anderzijds ook een leuke versie van Bachs menuet uit het Klavierbüchlein voor Anna Magdalena onder de titel "A lover's concerto" (er bestaat ook een versie door The Supremes), terwijl de aria van Jozef van Arimathea "Mache dich mein Herze rein" uit de Matthäuspassion duidelijk aan de basis ligt van het lied "Cent mille chansons". Dat is helemaal niet zo heiligschennend als het lijkt: Bach zelf baseerde niet minder dan vijf thema's uit zijn Matthäuspassion (waaronder het bekende "O Haupt voll Blut und Wunden") op het liefdeslied "Mein Gmüth ist mir verwirret", de grootste "hit" van Hans Leo Hassler, die op dat moment reeds meer dan honderd jaar oud was. Die golden oldie, bedoelen we dan, niet Hassler zelf, die leefde van 1564 tot 1612. Als het trouwens een troost kan zijn voor kameraad Bach: ook Elvis Presley zingt zowel "There goes my everything" voor zijn lief als "He is my everything" voor The Lord! Oh Lord!
In 1717 wordt Bach muziekdirecteur bij Prins Leopold van Anhalt-Köthen. Het zal de gelukkigste periode uit zijn leven worden, wat zich zal weerspiegelen in een uiterst vruchtbare compositie-arbeid. In de zomer van 1720 stierf echter zijn vrouw Maria Barbara, zodat hij er vandaan wou om organist te worden in de St.Jacobi-kerk in Hamburg. Dat lukte niet en daarom probeerde hij het maar op een andere manier. Zo gaf hij op 24 maart 1721 "six concerts avec plusieurs instruments dédiées a son altesse royalle monseigneur Crétien Louis" uit. Een merkwaardige titel voor niks anders dan de beroemde "Brandenburgse concerten". Die "Crétien Louis" is namelijk niemand minder dan Christian Ludwig, markgraaf van Brandenburg (1677-1734). Die had vroeger reeds blijk gegeven van interesse voor het werk van Bach en had gezegd dat hij steeds met ander werk mocht afkomen. Met deze concerten solliciteerde Bach dus eigenlijk naar een plaatsje aan zijn hof.
Volgens Philip Pickett deed hij dat door de markgraaf te eren als een antieke held. In die optiek zou het eerste concerto b.v. de triomfantelijke intocht van Caesar oproepen, het tweede de bijeenkomst van Homeros, Vergilius en Dante op de Parnassusberg enz. Interessant is verder dat Bach van het vijfde concerto eigenlijk een concerto voor clavecimbel heeft gemaakt en dan wel voor het clavecimbel dat hij in 1719 in Berlijn was gaan kopen en waar hij de markgraaf wellicht voor het eerst (en voor het laatst?) ontmoette. Dit concerto wordt beschouwd als het ontstaan van het klavierconcerto.
Het eerste Brandenburgs concert is oorspronkelijk wellicht de ouverture tot de "Jagdkantate" (1712-13), zoals men o.m. kan afleiden uit het gebruik van de hoorns. Dat was werkelijk revolutionair. Tot hiertoe werden deze immers enkel voor signalen bij de jacht gebruikt. Het toppunt is dan nog dat Bach deze functie behoudt, maar daar dan uiteraard op de koop toe heel virtuoze passages aan toevoegt. Toch waren het wellicht (zij het dan erg muzikale) boswachters of jachtopzieners die het instrument bespeelden.
Het tweede concerto is nog méér revolutionair: een combinatie van trompet in F, altblokfluit, hobo en viool was uiterst gewaagd. Een paar stijlkenmerken laten anderzijds vermoeden dat het derde concerto eigenlijk tot stand kwam in zijn Weimar-periode. Er is geen trage beweging omdat Bach verwachtte dat de eerste violist of de clavecinist er wel één zou improviseren. Ook het vierde concerto is weer erg buitenissig met een vioolsolo, gecombineerd met twee "echofluiten". Dit raadsel is eigenlijk nooit opgelost: bedoelt Bach hier twee blokfluiten die als "echo" functioneren of was het een speciaal instrument, iets zoals dat mysterieuze instrument waarop James Faisible in Londen speelde tussen 1713 en 1719?
Het zesde concerto was wellicht oorspronkelijk slechts een trio, maar werd tot een concerto omgewerkt omdat een reeks van zes een traditie was in die tijd. Ook deze concerten waren geïnspireerd door de aanpak van Italianen als Vivaldi, Corelli en Torelli.
Op het einde van dat jaar huwde hij de zangeres Anna Magdalena Wilcke en werd hij "cantor" (muziekdirecteur) in de St.Thomas-kerk van Leipzig (eigenlijk was hij pas derde keus na Telemann en Graupner). Het werk waarmee hij zich daar voorstelde was de Johannespassion (1723), zij het dat hij nadien nog verscheidene aria's toevoegde en het begin- en slotkoor pas in 1727 schreef. Als tekst gebruikt Bach letterlijk het Johannes-evangelie, aangevuld met beschouwende commentaren van de Hamburgse dichter Brockes. Op die manier is de Johannespassion kernachtiger dan de Matthäuspassion, aangezien deze evangelist breedsprakeriger is en Bach zijn muziek aan beide stijlen heeft aangepast. Toch werd het werk geschreven voor een (naar baroknormen) groot orkest, een gemengd koor en zes solisten.
Bach schreef verder nog twee passies op tekst van de andere evangelisten, maar die zijn verloren gegaan. Soms tracht men ze te "herstellen", zoals Simon Heighes de Marcuspassie in 1997. Er zijn vooreerst stukken die Bach ook in andere cantates heeft aangewend. Voor de recitatieven en de turbae-koren doet Heighes een beroep op een gelijknamige passie van tijdgenoot Reinhard Keiser, die uiteraard het niveau niet haalt van de meester, maar voor recitatieven en koren kan dat er nog door. Aangezien deze echter het lijdensverhaal vrij laat doet aanvangen, diende Heighes zelf ook nog inleidende recitatieven te schrijven en die zijn minder gelukt.
Zoals men weet is het Weihnachtsoratorium (1734-35) in zijn geheel een lange zit (het bestaat eigenlijk uit zes afzonderlijke cantates, die Bach wel als één geheel zag) en daarom beperkt men zich meestal tot de cantates 1, 2 en 4. De zesde cantate is overigens een reeds bestaande cantate voor een andere gelegenheid, maar ook de Koningin Verjaardagscantate (BWV.214) en de Herculescantate (BWV.213) worden als basis aangewend voor resp. het eerste en het laatste deel. De tekst is wellicht van Christian Friedrich Henrici (beter bekend onder zijn pseudoniem Picander), die vroeger reeds de tekst van de Matthäuspassion én de Herculescantate had geschreven, maar het is onduidelijk waarom die het dan zelf niet bij zijn Verzameld Werk vermeldt. Grappig is wel dat Bach de drie koningen door een vierstemmig koor laat zingen.
Aangezien Bach op de eerste plaats een religieus componist is, behoren zijn kerkelijke cantates tot de kern van zijn werk. Hij schreef vijf jaargangen cantates voor alle zon- en feestdagen van het kerkelijk jaar, wat dus neerkomt op een 300-tal, waarvan er slechts een 200 zijn bewaard gebleven (de grootste schuldige is zoon Wilhelm Friedmann die ze verkocht uit geldnood, gelukkig bewaarde Carl Philipp Emanuel zijn erfenis beter). De meeste kwamen tot stand in Leipzig in de periode 1723-1730. Hier had hij in de Thomaskirche zo'n kleine dertig musici ter zijner beschikking, evenredig verdeeld over koor en orkest. Zo kan hij elk van de zes Weihnachtcantates met een imposant openingschoraal beginnen (het tweede begint uitzonderlijk met een sinfonia) en ook besluiten met een georkestreerd choraal, al is er ook hier weer een uitzondering: deel vijf eindigt met alleen maar een continuo.
De zonen van Bach, Johann Christian en Carl Philipp Emanuel verwezen wél naar de toekomst. Zij hebben dan ook veel invloed uitgeoefend op de vroeg-klassiek. In Londen gaf Johann Christian b.v. de achtjarige Mozart muziekonderricht. De invloed van Johann Christian is vooral terug te voeren op het primeren van de melodie, ook in de snellere gedeelten. Carl Philipp Emanuel anderzijds was minder een vormvernieuwer dan wel één van de eerste om muziek als de pure uitdrukking van persoonlijke emoties te beschouwen. Ondanks het feit dat hij twintig jaar ouder was dan zijn broer, verwijst hij dus eigenlijk reeds naar de romantiek die dan nog zowat honderd jaar verderop ligt! In zijn triosonate laat hij de instrumenten met elkaar "praten". De eerste viool is een melancolicus, de tweede viool een sanguinicus. Deze probeert de melancolicus te overhalen. Dat staat er op de partituur zo bijgeschreven. Het is zeker een bizar muziekstuk, maar ik vraag me toch af of men die interpretatie van die "pratende" violen ook zou vinden, indien het er niet bij stond?
Nog een andere Bach is Johann Bernard. Hij is ofwel de derde zoon van de oudste broer van Johann Sebastian, die dan ook studeerde bij zijn oom, ofwel is hij een ver familielid (achterneef).
Zoals gezegd vertegenwoordigde Johann Sebastian zelf "de oude stijl", zodat hij tamelijk snel uit de belangstelling verdween. Hij werd pas in de 19de eeuw heropgevist door o.a. Felix Mendelssohn. Florian Heyerick: "Waarom heeft de negentiende eeuw Bach herontdekt? Omdat hij het dichtst bij hen aanleunde. (...) Bach zette heel veel op papier, liet haast niets aan de verbeelding over, hij schreef bijna voor mensen van nà zijn tijd. En daar zit de knoop. Misschien is vaak nog onbekende muziek van andere barokkers net zo schitterend. Maar daar lieten de componisten veel meer over aan de spiritualiteit, de kunde en de kunst van de uitvoerders. Die wisten precies waar ze heen konden. Wij niet. Bij Bach moet je de noten netjes boven elkaar zetten, veel meer komt er in essentie niet aan te pas. Maar bij niet-Bachse barokmuziek is het aandeel van de uitvoerder veel groter. (...) Je kunt het vergelijken met de notatie van de lichte muziek van vandaag. Da's een heel opvallende parallel. Neem eens een songbook van The Beatles. Wat staat daarin, behalve de tekst van de liedjes? Een soort karkasje van de melodie, een akkoordenschema, en voor de rest veel wit - het is de uitvoerder die invult en interpreteert. Wel, stel nu dat er over tweehonderd jaar van The Beatles geen enkele opname meer zou bestaan en men zo'n songbook vindt. Dan zullen ze zeggen: is dat alles? Moet dat povere notenbeeld de muziek van die beroemde Beatles voorstellen?" (DS Magazine, 11/4/97)

zondag 30 december 2007

Liverpool, Culturele Hoofdstad van Europa 2008

Op 11 januari zal in Liverpool de “kickoff” worden gegeven voor het feit dat de stad in 2008 samen met het Noorse Stavanger Culturele Hoofdstad van Europa is. Het begrip “culturele hoofdstad” hebben we zowaar te danken aan Melina Mercouri, die – toen ze minster van Cultuur was in 1984 in Griekenland – haar idee kon doordrukken dat kunst net zo goed als economie of industrie een stad kan binden.
Onnodig te zeggen dat Liverpool zijn reputatie vooral – om niet te zeggen: uitsluitend – te danken heeft aan het fenomeen van de Merseybeat in de jaren zestig, wat toen een wereldomvattend fenomeen was, maar waarvan nu uitsluitend nog The Fab Four in de herinnering van de mensen voortleven.
Met de Eurostar begaven Gaby en ik ons dan ook op 10 juni 2003 op weg voor een Magical Mystery Tour. Vanuit Londen moesten we een stoptrein nemen naar Liverpool op de geprivatiseerde lijn van Virgin Express. Dat is bijna zo duur als de Eurostar, maar dan uiteraard met veel minder comfort. De ontevredenheid van de treinreizigers is groot, maar Blair is er de man niet naar om het neoliberalisme van Thatcher een halt toe te roepen.
Liverpool zelf valt eveneens erg tegen, ook al worden we begroet door een portret van John Lennon over de hele breedte van het gebouw tegenover het station. In het kader van de kandidatuur van Liverpool als culturele hoofdstad van Europa in 2008 werden The Beatles dan al volop uitgespeeld.
Maar buiten The Beatles (waarvoor we hier uiteraard naartoe gekomen zijn) valt er helaas niet veel te beleven. We bezoeken b.v. één van de lokale musea en het enige wat ervan het onthouden waard is, is alweer een fototentoonstelling gewijd aan de Fab Four.
We zijn dan ook blij dat we 's anderendaags mee kunnen rijden met de bus van The Magical Mystery Tour. Wij stappen op in het centrum, maar de eigenlijke tocht begint in de haven, waar ook een afzichtelijke Yellow Submarine aangemeerd ligt. Hier is ook een Beatlemuseum, maar dat kwamen we pas te weten toen we al onderweg waren en nu was er uiteraard geen tijd meer om het te bezoeken.
Niet getreurd, want daar zijn we reeds op weg naar de geboortehuizen van onze vier vrienden. Waarbij nogmaals duidelijk wordt dat John Lennon het beste af was, hoezeer hij later ook zijn best mocht doen om zich als “meest proletarische” Beatle te profileren. In de wijk waar Paul McCartney opgroeide, ligt de elektriciteit zelfs nu nog bovengronds (al zou dit ondertussen wel moeten gemoderniseerd zijn). En, typisch, voor het huis van Ringo Starr wordt niet eens de moeite gedaan uit te stappen. De bus stopt wel voor een pub, die ook op de hoes van één van zijn solo-albums staat, en de gids weet erbij te vertellen dat Ringo zelf in het steegje ernaast opgegroeid is. “Het is niet nodig te gaan kijken, alle huisjes zien er precies hetzelfde uit als dit hier op de hoek.”
Verder overigens geen kwaad woord over onze gids, ook al was hij dan veel te jong om Beatlemania zelfs maar te hebben meegemaakt. Hij beweerde wel dat hij “een vriend” was van Paul McCartney (hoe definieert men een vriend in deze moderne tijden? hij had zijn GSM-nummer). Uiteindelijk bleek dit echter gewoon het resultaat te zijn van een zakelijke overeenkomst (hij had eens een concert georganiseerd voor een lokaal goed doel of zoiets). Maar... hij was rad van tong, zo geestig als een stand-up comedian en hij leidde ook een kwisje voor het internationale publiek dat bestond uit Amerikanen, Koreanen, ja zelfs iemand uit Manchester, slechts 55km hier vandaan en “dus” de gezworen vijand van Liverpool, en bijgevolg ook heel de trip het slachtoffer van de giftige tong van onze gids. Ik maak er uiteraard een erezaak van om deze quiz te winnen.
Slechts één negatieve opmerking: uiteraard werd er Beatlemuziek gespeeld tijdens deze rit, maar het waren gewoon de meest voor de hand liggende nummers, er was geen enkel verband met de plaatsen die we aandeden (Penny Lane, het graf van Eleanor Rigby, Strawberry Fields...) en vooral: ze werd gespeeld op een amechtige cassetterecorder. En dat in het digitale tijdperk!

Ronny De Schepper