Op 11 april 2007 overleed de Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut jr. aan de gevolgen van een val. Hij was op dat moment 84 jaar. Hij debuteerde in 1952 met het satirische “De grote pianola”, maar het was vooral het in 1969 verschenen "Slaughterhouse Five or the Children's Crusade" dat hem beroemd maakte, ook al was hij op dat moment al een gerespecteerd schrijver omwille van "Cat's Cradle" en "God bless you, mr.Rosewater".
“Slachthuis vijf” is een relaas van zijn verblijf in krijgsgevangenschap in Dresden, toen die stad door Amerikaanse bombardementen totaal werd verwoest (er waren meer slachtoffers dan in Hiroshima). In een lange inleiding schrijft Vonnegut dat hij deze traumatische gebeurtenis reeds veel langer heeft te boek willen stellen, maar dat hij er nog nooit in gelukt is. Welnu, met dit boek is dit volgens mij ook niet gelukt. Niet alleen bevalt de stijl me niet (met het steeds weerkerende "and so on" en vooral het irriterende "so it goes"), maar ook het verhaaltje over Billy Pilgrim die naar de planeet Tralfamadore werd ontvoerd en die reizen in de tijd kan maken, kan me niet overtuigen. Akkoord, ik herinner me dat ik destijds in Studio Skoop van de verfilming uit 1972 heb genoten, maar dat zal ongetwijfeld door de blote tieten van Montana Wildhack geweest zijn, de porno-actrice die net als Billy naar Tralfamadore ontvoerd is en die samen met hem in een soort van zoo te kijk wordt gezet. In die zoo zijn Billy en Montana overigens totaal naakt, maar soit. Zo ver gingen de swinging sixties nu ook weer niet!
Na de publicatie van “Slaughterhouse five” kreeg Vonnegut een zware depressie, die jarenlang zou duren. Tot in 1984 zelfs nog, toen hij een zelfmoordpoging ondernam op de dertigste verjaardag van het overlijden van zijn mentaal labiele moeder, die ook door zelfmoord een einde aan haar leven had gemaakt.
Later herpakte Vonnegut zich, ook al waren de tijdsomstandigheden hem niet gunstig gezind. Zo was hij een felle tegenstander van de oorlog in Irak in het algemeen en president Bush in het bijzonder.
Zijn laatste boek dateert uit 2005. “Man zonder land” was eigenlijk een verzameling van biografische essays.
Ronny De Schepper
donderdag 6 december 2007
Het zogenaamde postmodernisme van E.L.Doctorow
Sedert de jaren zestig wordt de Amerikaanse roman grotendeels beheerst door het zogenaamde postmodernisme. “De oorlog in Vietnam, de steeds weerkerende rassenrellen en de opstandigheid tegen het repressieve naoorlogse conformisme hadden een klimaat van vernieuwing en bevraging geschapen waarin voor de ongecompliceerde, 'naieve' weergave van de werkelijkheid (het ideaal van de 'mimesis') geen plaats meer scheen te zijn. De structuralistische en later de deconstructionistische aanvallen op het menselijk subject deden verder afbreuk aan de traditionele vertelvormen. De chaotische wereld werd gereflecteerd in de (des)organisatie van het narratief materiaal zelf." Aldus prof.Kris Versluys.
Alhoewel achteraf schrijvers als Nabokov en Vonnegut (en in het Nederlandse taalgebied Ivo Michiels en Sybren Polet of de Franse zestigers van "Tel quel" met Philippe Sollers aan het hoofd) als "postmodern" werden omschreven, kwam het verschijnsel toch pas midden in de jaren tachtig in de mode na het verschijnen van "What is postmodernism?" van architectuurtheoreticus Charles Jencks in 1986 en "Wij amuseren ons kapot" van Neil Postman in 1987. Het eclectisme van de postmoderne architect, die de functionele stijl van Bauhaus en Le Corbusier afwijst en liever pluralistische, ludieke elementen toevoegt, ontmoette immers het oppervlakkige eclectisme van de zapper.
Wie door Kris Versluys o.a. tot het postmodernisme wordt gerekend is de Amerikaanse auteur Edgar Lawrence Doctorow. Zelf kan ik daar niet goed bij, want een typisch kenmerk voor het postmodernisme is toch het gefragmenteerde wereldbeeld, de disparate realiteit, terwijl met name in "Ragtime" van Doctorow alles juist sterk gelieerd is: zowel historische personages als Henry Ford, Emma Goldman, Harry Houdini, J.P.Morgan, Sigmund Freud of Emilio Zapata als romanpersonages met een reëel fundament ("Tateh" b.v. is duidelijk gebaseerd op Hal Roach met zijn "Our Gang"-films) als totaal gefingeerde personages (de zwarte ragtime-speler Coalhouse Walker die om zijn waardigheid te behouden de dramatische ontwikkelingen op gang brengt voor de "familie" van de auteur). Maar goed, waarom Umberto Eco en Milan Kundera postmodernistisch zouden zijn, is me evenzeer een raadsel. Hoe ingewikkeld het allemaal is, wordt nog bewezen door het feit dat Tom Wolfe wordt beschouwd als iemand die op het postmodernisme reageert door te willen terugkeren naar de "social novel" in de traditie van Balzac, Zola, Dickens en Thackeray, al zou ikzelf "Bonfire of the Vanities" juist als een postmoderne roman bestempelen...
E.L.Doctorow van zijn kant is geboren in 1931 in New York City. Na zijn legerdienst in Duitsland, nam hij een betrekking aan als "lezer", eerst voor een filmmaatschappij, nadien voor een uitgeverij, waarvan hij later hoofd werd (Dial Press). In deze tijd schreef hij "Welcome to Hard Times" en "Big as Life". Om meer tijd te hebben om te schrijven, verliet hij de uitgeverij om part-time te gaan les geven in Californië. Daar schreef hij in 1971 "The book of Daniel" (over de Rosenbergs) en vier jaar later "Ragtime". Ook in "Loon Lake" (1980), "World's Fair" (1985) en "Billy Bathgate" (1989) vervlecht hij realiteit en fictie. Deze laatste, een gangsterroman, werd enkele jaren later verfilmd. Dan werd het een tijdje stil rond Doctorow, maar in 2005 maakte hij een grandioze comeback met de verhalenbundel “Sweet Land Stories”. (Tussendoor gooide hij het in 2002 met “The City of God” over de metafysische boeg.)
Ronny De Schepper
Alhoewel achteraf schrijvers als Nabokov en Vonnegut (en in het Nederlandse taalgebied Ivo Michiels en Sybren Polet of de Franse zestigers van "Tel quel" met Philippe Sollers aan het hoofd) als "postmodern" werden omschreven, kwam het verschijnsel toch pas midden in de jaren tachtig in de mode na het verschijnen van "What is postmodernism?" van architectuurtheoreticus Charles Jencks in 1986 en "Wij amuseren ons kapot" van Neil Postman in 1987. Het eclectisme van de postmoderne architect, die de functionele stijl van Bauhaus en Le Corbusier afwijst en liever pluralistische, ludieke elementen toevoegt, ontmoette immers het oppervlakkige eclectisme van de zapper.
Wie door Kris Versluys o.a. tot het postmodernisme wordt gerekend is de Amerikaanse auteur Edgar Lawrence Doctorow. Zelf kan ik daar niet goed bij, want een typisch kenmerk voor het postmodernisme is toch het gefragmenteerde wereldbeeld, de disparate realiteit, terwijl met name in "Ragtime" van Doctorow alles juist sterk gelieerd is: zowel historische personages als Henry Ford, Emma Goldman, Harry Houdini, J.P.Morgan, Sigmund Freud of Emilio Zapata als romanpersonages met een reëel fundament ("Tateh" b.v. is duidelijk gebaseerd op Hal Roach met zijn "Our Gang"-films) als totaal gefingeerde personages (de zwarte ragtime-speler Coalhouse Walker die om zijn waardigheid te behouden de dramatische ontwikkelingen op gang brengt voor de "familie" van de auteur). Maar goed, waarom Umberto Eco en Milan Kundera postmodernistisch zouden zijn, is me evenzeer een raadsel. Hoe ingewikkeld het allemaal is, wordt nog bewezen door het feit dat Tom Wolfe wordt beschouwd als iemand die op het postmodernisme reageert door te willen terugkeren naar de "social novel" in de traditie van Balzac, Zola, Dickens en Thackeray, al zou ikzelf "Bonfire of the Vanities" juist als een postmoderne roman bestempelen...
E.L.Doctorow van zijn kant is geboren in 1931 in New York City. Na zijn legerdienst in Duitsland, nam hij een betrekking aan als "lezer", eerst voor een filmmaatschappij, nadien voor een uitgeverij, waarvan hij later hoofd werd (Dial Press). In deze tijd schreef hij "Welcome to Hard Times" en "Big as Life". Om meer tijd te hebben om te schrijven, verliet hij de uitgeverij om part-time te gaan les geven in Californië. Daar schreef hij in 1971 "The book of Daniel" (over de Rosenbergs) en vier jaar later "Ragtime". Ook in "Loon Lake" (1980), "World's Fair" (1985) en "Billy Bathgate" (1989) vervlecht hij realiteit en fictie. Deze laatste, een gangsterroman, werd enkele jaren later verfilmd. Dan werd het een tijdje stil rond Doctorow, maar in 2005 maakte hij een grandioze comeback met de verhalenbundel “Sweet Land Stories”. (Tussendoor gooide hij het in 2002 met “The City of God” over de metafysische boeg.)
Ronny De Schepper
Al Pacino
De Lolita-film "Me Natalie" van Fred Coe uit 1969 (année érotique) vormt het debuut van Al Pacino, al weet ik niet precies welke rol hij hierin vertolkt. Geboren op 25 april 1940 in de zwarte Harlem-wijk van New York, werd hij vooral in de Bronx door zijn grootouders opgevoed nadat zijn ouders gescheiden zijn als hij nog maar twee jaar is.
Reeds op zeer jonge leeftijd raakt hij geboeid door het filmmedium, aangezien zijn grootouders hem elke zaterdagmiddag meenemen naar de plaatselijke bioscoop. Vooral de films met Ray Milland droegen zijn belangstelling weg. De reden dat Pacino zo laat debuteerde, heeft dan ook niks te maken met het feit dat hij een "late roeping" zou hebben gehad of zoiets, maar wel omdat hij op de eerste plaats een toneelacteur is.
Reeds op de lagere school begon hij toneel te spelen, wat hem de bijnaam Marlon Brando opleverde. De uitvinder van die bijnaam mag zichzelf wel helderziende kwaliteiten toekennen, want een kleine veertig jaar later zou Pacino inderdaad Brando opvolgen als Godfather. Het acteren werd echter pas ernst toen Pacino zich inschreef aan de High School for Performing Arts. Die studies diende hij voortdurend te onderbreken (en uiteindelijk ook op te geven) voor allerlei jobs, aangezien hij de enige steun en toeverlaat was van zijn ziek moedertje dat in tijden van nood terug was komen opdagen (si, si, madre madonna, je bent van Siciliaanse afkomst of je bent het niet, ook al spreekt hij geen gebenedijd woord Italiaans).
Bij een van die jobs in het artiestendorp Greenwich Village, krijgt hij de tip om vervolmakingscursussen te volgen in de fameuze Actors' Studio van Lee Strasberg. Hij is dan al 26 en bij de inschrijving botst hij op een jongeman die zo mogelijk nog kleiner en nog nerveuzer is dan hemzelf: Dustin Hoffman. O.m. in "Dick Tracy" zullen hun wegen opnieuw kruisen. Als beroepsacteur speelt Pacino in eerste instantie vooral straattheater en experimenteel toneel. Of de twee tesamen, want voor een korte tijd is hij zelfs bij het fameuze Living Theatre aangesloten.
In het "gevestigde" theater debuteert hij echter in de off-Broadwayproducties "The Connection" en "Hello, out there". Later wordt hij lid van de David Wheeler Experimental Theatre Company in Boston, wat nog altijd zijn officiële thuishaven is.
Hij speelt al meteen de hoofdrol in zijn tweede film, "Panic in Needle Park" (Jerry Schatzberg, 1971). De casting mag niet verwonderlijk heten, want in die beginperiode speelt Pacino vaak drugverslaafden of psychopaten, omdat hij er zo schriel bijloopt.
In 1973 krijgt hij in Cannes de onderscheiding voor de beste acteur en dat voor zijn prestatie in "Scarecrow", opnieuw een film van Jerry Schatzberg, trouwens bekroond met de Gouden Palm.
Daarna speelt hij in “Serpico” van Sidney Lumet (1973) een (alweer ietwat neurotische) politieagent met een niet te lessen dorst naar rechtvaardigheid. Iemand schreef hierover: "Als Pacino geen oscar krijgt, moet hij de Academy vervolgen wegens diefstal."
In “Dog day afternoon” (opnieuw van Sidney Lumet, 1975) speelt hij een schizofrene jongeman die een bankoverval beraamt om voor zijn vriend een sexoperatie te bekostigen. Deze film, gebaseerd op authentieke feiten (net als "Serpico" trouwens), maakte destijds een grote indruk.
In “Bobby Deerfield” (Sidney Pollack, 1977) wordt Al Pacino als autorenner met de dood geconfronteerd, niet enkel door de gevaren van het race-circuit, maar ook omdat zijn vriendin (Marthe Keller) ten dode is opgeschreven.
Op het persoonlijke vlak heeft hij, als ik me alweer niet vergis, op dat moment een verhouding met Diane Keaton, nadat deze heeft gebroken met Woody Allen. Als dat zo is, dan was het alvast een goede voorbereiding voor zijn rol in "Author! Author!" (Arthur Hiller, 1982), want daarin speelt Pacino een joodse schrijver (het scenario is van Israël Horovitz) die in de steek wordt gelaten door zijn echtgenote (gespeeld door Tuesday Weld) en achterblijft met een stel kinderen. Dat maakt het voor hem alvast niet simpeler om zijn eerste Broadway-toneelstuk af te werken, maar zorgt wel voor een aantal komische situaties.
“Scarface” (Brian de Palma, 1983) is een remake van de Howard Hawks-klassieker. Dit is misschien de enige rol, waarin Pacino zich een beetje aan overacting te buiten gaat (het karikaturale "Dick Tracy" niet meegerekend natuurlijk), maar dat is dan ook op rekening van De Palma te schrijven, die geheel conform zijn eigen stijl alles een beetje dikker in de verf wil zetten.
Zelfs na het succes van "Scarface" keert Al Pacino nog terug naar het theater om daar dan zowel Shakespeare ("Julius Caesar") als stukken van de moderne Amerikaanse auteur David Mamet ("American Buffalo") te spelen. Aan zijn toneelprestaties heeft hij dan ook al twee Tony Awards overgehouden (namelijk voor "The basic training of Pavlo Hummel" en "Does a tiger wear a necktie?") en één Obie (voor "The Indian wants the Bronx").
“Revolution” (Hugh Hudson, 1985) is een flop. Ook voor Al Pacino die als de trapper Tom Dobb willens nillens in de Amerikaanse vrijheidstrijd wordt betrokken. Na "Revolution" stort hij zich op het stuk "The Local Stigmatic" van Heathcote Williams. Daarvoor had hij blijkbaar een bijzondere belangstelling, want niet alleen vertolkte hij hierin de hoofdrol en co-regisseerde hij het, hij produceerde tevens de onafhankelijke bioscoopbewerking ervan, waarmee hij niet minder dan vier jaar zoet is. Het is overigens een film van ongeveer 55 minuten en dus bij voorbaat gedoemd om onbekend te blijven.
Tussendoor speelt hij in “Sea of love” (Harold Becker, 1989) een politie-inspecteur die op een mogelijke moordenares (gespeeld door Ellen Barkin) verliefd wordt. Hoe meer hij een speelbal in haar handen wordt, hoe meer zijn liefde voor haar juist gaat groeien. Dit laat misschien een sadomasochistische interpretatie toe, maar geeft vooral weer voedsel aan het beeld dat Pacino uitblinkt in psychopatische of neurotische rollen.
Ondanks het feit dat hij de oscar als "best supporting actor" in “Dick Tracy” (Warren Beatty, 1990). uiteindelijk niet heeft gekregen (die ging, niet helemaal ten onrechte, naar Joe Pesci voor zijn vertolking in "Goodfellas"), betekende deze nominatie voor Pacino toch een nieuwe impuls. Als misdaadkoning Big Boy Caprice krijgen we hem immers te zien in een komische rol, compleet met een bult, naar achteren gekamde haren en zo'n typisch penseelfijn snorretje dat duidelijk naar Al Capone verwijst. "Dick Tracy" van Warren Beatty was dan ook zijn eerste komedie sedert "Author! Author!"
In “The Godfather III” (1990) is Al Pacino als Michael Corleone de huidige Godfather. Ook hij is een jaartje ouder geworden en dat wordt door de make-up-afdeling nog wat in de verf gezet. Dat hij echter ook nog als Marlon Brando gaat spreken is er voor mij wat te veel aan. Regisseur Francis Ford Coppola lijkt er zelfs een beetje de spot mee te drijven door hem in een korte epiloog ook in zijn bloementuintje te laten sterven, net zoals dat met Brando het geval was. Alleen... er staan veel minder bloemen in dat tuintje. Zo is het uiteindelijk niet te verwonderen dat Pacino aan zijn derde Michael Corleone-vertolking géén derde oscarnominatie overhoudt.
Hij krijgt wel een Golden Globe voor zijn rol in “Scent of a woman” van Martin Brest (1992). Als gepensioneerde blinde legerofficier wijdt hij hierin een jonge student in in de liefde. De film is immers gebaseerd op "Profumo di donna" van Dino Risi uit 1974. En enige tijd later heeft hij na acht (*) nominaties (voor "Dick Tracy", de eerste twee "Godfathers" en de Sidney Lumet-films "Dog day afternoon", "And justice for all" en "Serpico") eindelijk prijs bij de oscars voor de beste acteur.
En zeggen dat Al Pacino voor de film die hieraan voorafging, "Glengarry Glen Ross" van James Foley (1992), zo maar eventjes 150 miljoen dollar moest inleveren (hij kreeg "amper" 30 miljoen). Het dient gezegd dat ook medespelers Jack Lemmon en Alec Baldwin hetzelfde deden.
En nog dààrvoor vormde hij in "Frankie and Johnny" (1991) een liefdespaar met Michelle Pfeifer. Dat was blijkbaar zo'n succes dat de twee de romance ook buiten de filmset voortzetten. Pfeiffer kon Al Pacino zelfs ertoe bewegen zijn geliefde New York in te ruilen voor Beverly Hills, alhoewel zijzelf in Santa Monica woont. In 1983 hadden beiden elkaar al ontmoet op de set van "Scarface" van Brian de Palma. Pfeiffer was toen naar eigen zeggen reeds heimelijk verliefd geworden op Pacino, maar naar buiten toe kon men enkel spreken van vriendschap, meer niet. "Ik wilde het voor mezelf niet toegeven," verklaart ze nu, "vooral omdat we toen allebei iemand anders hadden." Toch zijn die acht jaar tussen “Scarface” en deze film niet voor niets geweest: "Hij is 'nicer' geworden en ik 'meaner'," lacht Michelle.
Brian De Palma en Al Pacino slaan na "Scarface" nog eens de handen in elkaar voor "Carlito's way" (1993) over een bekeerde boef (Carlito, uiteraard gespeeld door Pacino) die na vijf jaar gevangenisstraf probeert op het rechte pad te blijven. Sean Penn (die terugkeert na een zelf opgelegde afwezigheid) zal hem dat proberen beletten en de inzet is zoals gewoonlijk "het meisje", deze keer gespeeld door Penelope Ann Miller, waarop Al Pacino traditiegetrouw verliefd werd, zoals dat zo vaak gebeurt bij acteurs. Aan bijna elke film hield hij wel een liefje over: Tuesday Weld uit "Author! Author", Marthe Keller uit "Bobby Deerfield" en natuurlijk Diane Keaton die in de drie Godfathers de rol vertolkt van Kay, de ex-vrouw van Michael Corleone. Keaton was dan ook wat langer de "levensgezellin" van Al Pacino (net zoals Jill Clayburgh dat daarvóór gedurende vijf jaar was en na deze nog Kathleen Quinlan, als "onverbeterlijke vrijgezel" is Pacino immers nooit gehuwd) maar na een paar stormachtige ruzies op de set werd Keaton dus ingeruild voor Michelle Pfeiffer, zijn tegenspeelster in "Frankie and Johnny". Maar in "Carlito's way" was hij dus het nog altijd niet verleerd, wat tot problemen leidde met zijn vriendin-van-dat-moment Lyndall Hobbs.
"Heat" van Michael Mann uit 1996 maakte dan weer vooral ophef omdat Pacino hierin voor het eerst samen met Robert de Niro was te zien. Beide acteurs waren reeds in dezelfde film te zien, met name "The Godfather, part 2", maar daar hadden ze geen scènes samen.
Omdat ik toch érgens moet stoppen, hou ik het bij "Looking for Richard" (eveneens uit 1996), het debuut van Al Pacino als volwaardig regisseur. Oorspronkelijk werd Shakespeare-specialist Kenneth Branagh als regisseur aangezocht voor deze combinatie van "Richard III" en een zoektocht naar de artistieke en praktische problemen die het stuk oplevert, maar die gaf de voorkeur aan het draaien van "Hamlet" en... een film over de problemen die dit oplevert.
Ronny De Schepper
(*) Jazeker, ik schrijf acht nominaties en ik geef maar zes voorbeelden, ik weet het, maar ik weet niet meer waar de fout zit. Waren het inderdaad maar zes nominaties? Of waren het er wel degelijk acht, maar weet ik niet meer voor welke twee films nog?
Reeds op zeer jonge leeftijd raakt hij geboeid door het filmmedium, aangezien zijn grootouders hem elke zaterdagmiddag meenemen naar de plaatselijke bioscoop. Vooral de films met Ray Milland droegen zijn belangstelling weg. De reden dat Pacino zo laat debuteerde, heeft dan ook niks te maken met het feit dat hij een "late roeping" zou hebben gehad of zoiets, maar wel omdat hij op de eerste plaats een toneelacteur is.
Reeds op de lagere school begon hij toneel te spelen, wat hem de bijnaam Marlon Brando opleverde. De uitvinder van die bijnaam mag zichzelf wel helderziende kwaliteiten toekennen, want een kleine veertig jaar later zou Pacino inderdaad Brando opvolgen als Godfather. Het acteren werd echter pas ernst toen Pacino zich inschreef aan de High School for Performing Arts. Die studies diende hij voortdurend te onderbreken (en uiteindelijk ook op te geven) voor allerlei jobs, aangezien hij de enige steun en toeverlaat was van zijn ziek moedertje dat in tijden van nood terug was komen opdagen (si, si, madre madonna, je bent van Siciliaanse afkomst of je bent het niet, ook al spreekt hij geen gebenedijd woord Italiaans).
Bij een van die jobs in het artiestendorp Greenwich Village, krijgt hij de tip om vervolmakingscursussen te volgen in de fameuze Actors' Studio van Lee Strasberg. Hij is dan al 26 en bij de inschrijving botst hij op een jongeman die zo mogelijk nog kleiner en nog nerveuzer is dan hemzelf: Dustin Hoffman. O.m. in "Dick Tracy" zullen hun wegen opnieuw kruisen. Als beroepsacteur speelt Pacino in eerste instantie vooral straattheater en experimenteel toneel. Of de twee tesamen, want voor een korte tijd is hij zelfs bij het fameuze Living Theatre aangesloten.
In het "gevestigde" theater debuteert hij echter in de off-Broadwayproducties "The Connection" en "Hello, out there". Later wordt hij lid van de David Wheeler Experimental Theatre Company in Boston, wat nog altijd zijn officiële thuishaven is.
Hij speelt al meteen de hoofdrol in zijn tweede film, "Panic in Needle Park" (Jerry Schatzberg, 1971). De casting mag niet verwonderlijk heten, want in die beginperiode speelt Pacino vaak drugverslaafden of psychopaten, omdat hij er zo schriel bijloopt.
In 1973 krijgt hij in Cannes de onderscheiding voor de beste acteur en dat voor zijn prestatie in "Scarecrow", opnieuw een film van Jerry Schatzberg, trouwens bekroond met de Gouden Palm.
Daarna speelt hij in “Serpico” van Sidney Lumet (1973) een (alweer ietwat neurotische) politieagent met een niet te lessen dorst naar rechtvaardigheid. Iemand schreef hierover: "Als Pacino geen oscar krijgt, moet hij de Academy vervolgen wegens diefstal."
In “Dog day afternoon” (opnieuw van Sidney Lumet, 1975) speelt hij een schizofrene jongeman die een bankoverval beraamt om voor zijn vriend een sexoperatie te bekostigen. Deze film, gebaseerd op authentieke feiten (net als "Serpico" trouwens), maakte destijds een grote indruk.
In “Bobby Deerfield” (Sidney Pollack, 1977) wordt Al Pacino als autorenner met de dood geconfronteerd, niet enkel door de gevaren van het race-circuit, maar ook omdat zijn vriendin (Marthe Keller) ten dode is opgeschreven.
Op het persoonlijke vlak heeft hij, als ik me alweer niet vergis, op dat moment een verhouding met Diane Keaton, nadat deze heeft gebroken met Woody Allen. Als dat zo is, dan was het alvast een goede voorbereiding voor zijn rol in "Author! Author!" (Arthur Hiller, 1982), want daarin speelt Pacino een joodse schrijver (het scenario is van Israël Horovitz) die in de steek wordt gelaten door zijn echtgenote (gespeeld door Tuesday Weld) en achterblijft met een stel kinderen. Dat maakt het voor hem alvast niet simpeler om zijn eerste Broadway-toneelstuk af te werken, maar zorgt wel voor een aantal komische situaties.
“Scarface” (Brian de Palma, 1983) is een remake van de Howard Hawks-klassieker. Dit is misschien de enige rol, waarin Pacino zich een beetje aan overacting te buiten gaat (het karikaturale "Dick Tracy" niet meegerekend natuurlijk), maar dat is dan ook op rekening van De Palma te schrijven, die geheel conform zijn eigen stijl alles een beetje dikker in de verf wil zetten.
Zelfs na het succes van "Scarface" keert Al Pacino nog terug naar het theater om daar dan zowel Shakespeare ("Julius Caesar") als stukken van de moderne Amerikaanse auteur David Mamet ("American Buffalo") te spelen. Aan zijn toneelprestaties heeft hij dan ook al twee Tony Awards overgehouden (namelijk voor "The basic training of Pavlo Hummel" en "Does a tiger wear a necktie?") en één Obie (voor "The Indian wants the Bronx").
“Revolution” (Hugh Hudson, 1985) is een flop. Ook voor Al Pacino die als de trapper Tom Dobb willens nillens in de Amerikaanse vrijheidstrijd wordt betrokken. Na "Revolution" stort hij zich op het stuk "The Local Stigmatic" van Heathcote Williams. Daarvoor had hij blijkbaar een bijzondere belangstelling, want niet alleen vertolkte hij hierin de hoofdrol en co-regisseerde hij het, hij produceerde tevens de onafhankelijke bioscoopbewerking ervan, waarmee hij niet minder dan vier jaar zoet is. Het is overigens een film van ongeveer 55 minuten en dus bij voorbaat gedoemd om onbekend te blijven.
Tussendoor speelt hij in “Sea of love” (Harold Becker, 1989) een politie-inspecteur die op een mogelijke moordenares (gespeeld door Ellen Barkin) verliefd wordt. Hoe meer hij een speelbal in haar handen wordt, hoe meer zijn liefde voor haar juist gaat groeien. Dit laat misschien een sadomasochistische interpretatie toe, maar geeft vooral weer voedsel aan het beeld dat Pacino uitblinkt in psychopatische of neurotische rollen.
Ondanks het feit dat hij de oscar als "best supporting actor" in “Dick Tracy” (Warren Beatty, 1990). uiteindelijk niet heeft gekregen (die ging, niet helemaal ten onrechte, naar Joe Pesci voor zijn vertolking in "Goodfellas"), betekende deze nominatie voor Pacino toch een nieuwe impuls. Als misdaadkoning Big Boy Caprice krijgen we hem immers te zien in een komische rol, compleet met een bult, naar achteren gekamde haren en zo'n typisch penseelfijn snorretje dat duidelijk naar Al Capone verwijst. "Dick Tracy" van Warren Beatty was dan ook zijn eerste komedie sedert "Author! Author!"
In “The Godfather III” (1990) is Al Pacino als Michael Corleone de huidige Godfather. Ook hij is een jaartje ouder geworden en dat wordt door de make-up-afdeling nog wat in de verf gezet. Dat hij echter ook nog als Marlon Brando gaat spreken is er voor mij wat te veel aan. Regisseur Francis Ford Coppola lijkt er zelfs een beetje de spot mee te drijven door hem in een korte epiloog ook in zijn bloementuintje te laten sterven, net zoals dat met Brando het geval was. Alleen... er staan veel minder bloemen in dat tuintje. Zo is het uiteindelijk niet te verwonderen dat Pacino aan zijn derde Michael Corleone-vertolking géén derde oscarnominatie overhoudt.
Hij krijgt wel een Golden Globe voor zijn rol in “Scent of a woman” van Martin Brest (1992). Als gepensioneerde blinde legerofficier wijdt hij hierin een jonge student in in de liefde. De film is immers gebaseerd op "Profumo di donna" van Dino Risi uit 1974. En enige tijd later heeft hij na acht (*) nominaties (voor "Dick Tracy", de eerste twee "Godfathers" en de Sidney Lumet-films "Dog day afternoon", "And justice for all" en "Serpico") eindelijk prijs bij de oscars voor de beste acteur.
En zeggen dat Al Pacino voor de film die hieraan voorafging, "Glengarry Glen Ross" van James Foley (1992), zo maar eventjes 150 miljoen dollar moest inleveren (hij kreeg "amper" 30 miljoen). Het dient gezegd dat ook medespelers Jack Lemmon en Alec Baldwin hetzelfde deden.
En nog dààrvoor vormde hij in "Frankie and Johnny" (1991) een liefdespaar met Michelle Pfeifer. Dat was blijkbaar zo'n succes dat de twee de romance ook buiten de filmset voortzetten. Pfeiffer kon Al Pacino zelfs ertoe bewegen zijn geliefde New York in te ruilen voor Beverly Hills, alhoewel zijzelf in Santa Monica woont. In 1983 hadden beiden elkaar al ontmoet op de set van "Scarface" van Brian de Palma. Pfeiffer was toen naar eigen zeggen reeds heimelijk verliefd geworden op Pacino, maar naar buiten toe kon men enkel spreken van vriendschap, meer niet. "Ik wilde het voor mezelf niet toegeven," verklaart ze nu, "vooral omdat we toen allebei iemand anders hadden." Toch zijn die acht jaar tussen “Scarface” en deze film niet voor niets geweest: "Hij is 'nicer' geworden en ik 'meaner'," lacht Michelle.
Brian De Palma en Al Pacino slaan na "Scarface" nog eens de handen in elkaar voor "Carlito's way" (1993) over een bekeerde boef (Carlito, uiteraard gespeeld door Pacino) die na vijf jaar gevangenisstraf probeert op het rechte pad te blijven. Sean Penn (die terugkeert na een zelf opgelegde afwezigheid) zal hem dat proberen beletten en de inzet is zoals gewoonlijk "het meisje", deze keer gespeeld door Penelope Ann Miller, waarop Al Pacino traditiegetrouw verliefd werd, zoals dat zo vaak gebeurt bij acteurs. Aan bijna elke film hield hij wel een liefje over: Tuesday Weld uit "Author! Author", Marthe Keller uit "Bobby Deerfield" en natuurlijk Diane Keaton die in de drie Godfathers de rol vertolkt van Kay, de ex-vrouw van Michael Corleone. Keaton was dan ook wat langer de "levensgezellin" van Al Pacino (net zoals Jill Clayburgh dat daarvóór gedurende vijf jaar was en na deze nog Kathleen Quinlan, als "onverbeterlijke vrijgezel" is Pacino immers nooit gehuwd) maar na een paar stormachtige ruzies op de set werd Keaton dus ingeruild voor Michelle Pfeiffer, zijn tegenspeelster in "Frankie and Johnny". Maar in "Carlito's way" was hij dus het nog altijd niet verleerd, wat tot problemen leidde met zijn vriendin-van-dat-moment Lyndall Hobbs.
"Heat" van Michael Mann uit 1996 maakte dan weer vooral ophef omdat Pacino hierin voor het eerst samen met Robert de Niro was te zien. Beide acteurs waren reeds in dezelfde film te zien, met name "The Godfather, part 2", maar daar hadden ze geen scènes samen.
Omdat ik toch érgens moet stoppen, hou ik het bij "Looking for Richard" (eveneens uit 1996), het debuut van Al Pacino als volwaardig regisseur. Oorspronkelijk werd Shakespeare-specialist Kenneth Branagh als regisseur aangezocht voor deze combinatie van "Richard III" en een zoektocht naar de artistieke en praktische problemen die het stuk oplevert, maar die gaf de voorkeur aan het draaien van "Hamlet" en... een film over de problemen die dit oplevert.
Ronny De Schepper
(*) Jazeker, ik schrijf acht nominaties en ik geef maar zes voorbeelden, ik weet het, maar ik weet niet meer waar de fout zit. Waren het inderdaad maar zes nominaties? Of waren het er wel degelijk acht, maar weet ik niet meer voor welke twee films nog?
woensdag 5 december 2007
Bruce Springsteen
Bruce Springsteen is vooral bekend als singer-songwriter. Als hij dus een nummer van iemand anders opneemt, dan moet dat wel een heel speciale reden hebben. En inderdaad, met "Jersey girl" van Tom Waits is dit zeker het geval (*). Hij kent ze immers goed, de Jersey girls, Bruce Springsteen. Werd hij immers niet geboren op 23 september 1949 in deze stad aan de overzijde van de Hudson, ten opzichte van New York?
Hij kreeg er een streng katholieke opvoeding, wat deze Weegschaal niet erg zinde. Dat leidde vooral tot conflicten met zijn vader, zoals hij zelf vertelt op de live-versie van "The River". Later zouden de plooien gladgestreken worden en, gevraagd naar de lievelingssongs van zijn zoon, zou vader Springsteen zelfs geantwoord hebben: "Die welke over mij gaan."
De jonge Springsteen vlucht in de muziek. Midden de jaren zestig debuteerde hij eerst met folk in Greenwich Village en nadien speelde hij gitaar bij hardrock-groepen als Steel Mill, Dr.Zoom and the Zonic Boom en The Castilles (waar hij enkel een Dylan-cover mocht zingen). "Zoals Elvis ons lichaam bevrijdde, zo bevrijdde Dylan onze geest," moet Bruce ooit eens gezegd hebben.
In "Hail hail rock'n'roll", de concertfilm rond Chuck Berry, verklaart Bruce Springsteen dat hij net als alle jonge Amerikanen in de jaren zestig Chuck Berry heeft leren kennen via de Engelse beatgroepen, meer bepaald via Keith Richards, de man die Berry overigens in het concertgedeelte begeleidt. Zoals algemeen geweten is Berry ook verschrikkelijk zuinig, zodat hij altijd optreedt met muzikanten van ter plaatse. En zo heeft Springsteen rond 1965 eens als begeleider van hem gefungeerd. Nadien vormde hij (Bruce dus uiteraard) Earth, een rocktrio in Jimi Hendrix/Cream-stijl, waar hij zich ook nog vooral op z'n gitaarspel toelegde. Maar hij voelde dat hij ook iets te zeggen had en daarom speelde hij, via de bemiddeling van manager Mike Appel, in 1973 zijn nummers voor aan John Hammond van CBS, de ontdekker van Bob Dylan. Deze laat hem een eerste elpee opnemen, "Greetings from Asbury Park".
De elpee heeft slechts een lokaal succes, omdat hij ten onrechte als een nieuwe Bob Dylan wordt gelanceerd. Alleen The Hollies, die reeds enkele Dylan-nummers hadden opgenomen, zien op die manier wel iets in hem en hebben met hun versie van "Sandy" een hit in Nederland. Daar wordt het nummer later ook vertaald en gezongen door acteur Theu Boermans ("Venlo '67").
Ondertussen bouwt Springsteen zich, een beetje zoals Elvis Presley, een stevige live-reputatie op in kleine clubs. De beste muzikanten van New York komen zich stilaan rond hem scharen, zodat de E Street Band ontstaat met Steve Van Zandt op gitaar, Roy Bittan en Danny Federici aan de toetsen, Garry Tallent op bas en Max Weinberg op drums.
Het meest kleurrijke lid (letterlijk en figuurlijk) is echter saxofonist Clarence Clemmons. Op de video "Glory days" vertelt Bruce over de grappige manier waarop hij met hem kennismaakte: "Op een avond zijn we in een kleine club aan het spelen en plotseling vliegt de deur open. Een boom van een kerel heeft ze met hengsels en al eruit gerukt. 'Mag ik meespelen?' vraagt hij ons. Nou, wie zou er tegen zo een kleerkast 'neen' durven zeggen? Achteraf bleek wel dat het eigenlijk door een stormwind was dat de deur was afgebroken, maar ondertussen was Clarence al lid van de groep en wilden we hem voor geen geld meer missen."
Met de E Street Band nam Springsteen in 1974 "The wild, the innocent and the E Street Shuffle" op, een plaat die al een bredere verspreiding kent, zij het hier in Vlaanderen enkel nog bij insiders zoals André De Bruyn in Tliedboek.
Met de volgende, "Born to run", een jaar later, is echter het hek van de dam. Producer Jon Landau lanceert de beroemde slogan: "Ik heb de toekomst van de rock'n'roll gezien; zijn naam is Bruce Springsteen." Manager Mike Appel neemt de woorden van Landau wat al te letterlijk op en zet een grootse, typisch Amerikaanse publiciteitscampagne op, tegen de zin van Springsteen zelf. Dat leidt tot een ruzie die Springsteen gedurende een paar jaar noodgedwongen werkloos maakt, want zolang ligt hij nog onder contract bij Appel. Om de tijd te doden schrijft hij dan maar nummers voor anderen.
In 1977 schreef hij zo o.m. "Fire" voor Elvis Presley. De demo kwam echter pas enkele weken voor zijn dood toe. Hij gaf het dan maar aan The Pointer Sisters. Ook Patti Smith kan met "Because the night" een hit scoren.
Een jaar later is het dan eindelijk zo ver, Springsteen mag een nieuwe elpee uitbrengen, deze keer helemaal onder de hoede van Jon Landau. "Darkness on the edge of town" wordt begrijpelijkerwijze een beetje een sombere elpee en er staan bijgevolg ook geen echte "hits" op. Al zou "Candy's room" dit zeker hebben verdiend.
Van 19 tot 23 september 1979 organiseerde MUSE (Musicians United for Safe Energy) "No Nukes" ten voordele van de bewegingen tegen kernenergie. The Doobie Brothers, Jackson Browne, Crosby, Stills & Nash, James Taylor, Bruce Springsteen, Carly Simon, Bonnie Raitt, Tom Petty & the Heartbreakers, Nicolette Larson, Ry Cooder, Jesse Colin Young, John Hall, Poco, Chaka Kahn, Gil Scott-Heron en Sweet Honey in the Rock traden op en het geheel werd op film vastgelegd door Julian Schlossberg, Danny Goldberg, Anthony Potenza, Haskell Wexler en Barbara Kopple. Hier speelde hij voor het eerst "The river", wat een jaar later als dubbelalbum verscheen met verder o.a. nog "Independence day" en "Hungry heart", dat Springsteen zelf eigenlijk niet op de elpee wilde, maar dat er dankzij het aandringen van Jon Landau toch op geraakte. Naar eigen zeggen is het een evocatie wat The Beach Boys en Frankie Lymon and the Teenagers voor Springsteen hebben betekend. Hij laat zich in het achtergrondkoortje dan ook bijstaan door Flo & Eddie alias Mark Volman en Howard Kaylan, eerst van The Turtles, later van Frank Zappa's Mothers of Invention.
Voor een van zijn andere idolen, Gary U.S.Bonds, gaat Springsteen nog een stapje verder. Gary Anderson alias U.S.Bonds scoorde in het begin van de jaren zestig enkele gigantische hits, maar zijn populariteit daalde zeer snel door een schrijnend gebrek aan variatie en vernieuwing. Daar zou Bruce eens eventjes verandering in brengen met de elpee “Dedication”.
Om die te promoten kwam Gary U.S.Bonds o.a. ook in de Brusselse Ancienne Belgique langs en ik was erbij. De Louisianaklassieker "Jole Blon" vormde het startpunt, en via de werken van meester Dylan ("From a buick") en Jackson Browne ("The Pretender") werd de hele "Dedication"-elpee afgehaspeld zonder dat het gebeuren ook maar iets aan kracht, enthousiasme of competentie verloor. Enkel bij de bisnummers kreeg het concert een balorkestachtige wending, een slechte gewoonte overigens van vele Springsteeniaanse groepen (**). Een kleine smet evenwel, want het bleef gezellig. De sympathieke Bonds bespeelde het publiek en visueel was het allemaal best genietbaar. Toch hing de naam Springsteen als een schaduw boven het concert.
Het is aan Gary U.S.Bonds om zelf uit te maken of dat nu negatief of veeleer positief is, alleszins zal één en ander duidelijk worden als straks de nieuwe elpee bij mekaar moet worden geschreven en Springsteen "well papa say goodbye now, it's independance day" zal staan zingen.
Die plaat zal er wel ooit gekomen zijn, maar succes heeft ze zeker niet gehad, aangezien ik er geen enkele weet van heb. Maar “Dedication” is wél een plaat gebleven waarnaar bezoekers van mijn nederig stulpje steevast vragen. Eén en ander heeft zeker te maken met de Bruce Springsteen-rage die nog altijd het Vlaamse land tussen Gent en Brussel teistert. Inderdaad. Bruce heeft zijn talent als producer, songwriter en tweede stem én zijn band uitgeleend aan zijn vroeger idool dat hij uit de kroegen van New York heeft gesleept (Bonds heeft nog een kleine hitje gehad in 1967, maar zijn echte succesperiode dateert uit de vroege jaren zestig met onder andere "New Orleans" dat ikzelf bezit in een versie van... The Cousins: kun je nagaan met wat voor oude sok we hier te doen hebben).
En gek is dat. Want zingt Springsteen nu als Bonds of Bonds als Springsteen? Alleszins zijn het twee perfecte bondgenoten op kant A met de opener "Jolé Blon" (een rockbewerking van een cajun-traditional), de singlehit "This little girl", "Your love" waar andere oude glorie Ben E. King ook nog wat vocale steun komt verlenen, de titelsong en tenslotte Bonds' credo "Daddy's come home, back where he belongs... It's been a long time for us".
Droog even je tranen, want het is tijd om de plaat om te draaien en dan kan je verder sterven van nostalgie met een Memphis soul-achtige bewerking van John Lennons "It's only love". Jackson Browne en Bob Dylan liggen Bonds misschien iets moeilijker in de mond en dat zelf componeren wil ook niet zo lukken. En Bonds die alleen mag fietsen wanneer Springsteen als een zorgzame vader het zadel heeft losgelaten, zeker niet.
Terwijl hij bij wijze van spreken zijn E Street Band aan Bonds uitleent, neemt Bruce bij hem thuis, gewoon op een viersporen-bandopnemer een akoestische elpee op, "Nebraska", die eigenlijk een hulde wil zijn aan de bekende protestzanger Woody Guthrie.
In 1984 stijgt de populariteit van Bruce Springsteen tot ongekende hoogten. Eerst was er zijn bijdrage in de Band Aid-actie van Bob Geldof, meer bepaald in het Michael Jackson en Lionel Richie-nummer "We are the world" (USA for Africa). En dan is er de single "Dancing in the dark", die de puriteinen wel even de wenkbrauwen doet fronsen. Niet alleen wordt ze voor het eerst met een videoclip gelanceerd (waardoor Courtney Cox overigens tot het sterrendom wordt gecatapulteerd), maar zo dicht tegen disco heeft The Boss nog nooit aangezeten! De grappenmakers van Big Daddy maakten er trouwens een heerlijke pastiche op, door het nummer te vermengen met "Love letters in the sand" van Pat Boone.
Wie echter vreesde dat Springsteen hiermee de platgetreden paden van de commercie zou inslaan, komt gelukkig bedrogen uit. "Dancing in the dark" is nadien terug te vinden op de elpee "Born in the USA" die met o.a. "I'm on fire", "My hometown", "Glory days" en "Cover me" zelfs één van zijn hardste blijkt te zijn en dus niet enkel tekstueel maar ook muzikaal teruggrijpt naar zijn sixties-periode. Dat wordt in datzelfde jaar trouwens ook bevestigd met een spetterende versie van de traditional "Santaclaus is coming to town", die in de jaren zestig ook nog door een meisjesgroep van Phil Spector op plaat was gezet. Phil Spector, die naar eigen zeggen samen met Bob Dylan, zeker de grootste inspirator is voor Bruce Springsteen.
Uiteraard volgt er een sensationele wereldtournee en om de talrijke piraten-live-elpees de wind uit de zeilen te nemen, brengt CBS in 1986 de lang verwachte definitieve live-elpee uit. Alleen... het is niet één elpee, zelfs geen dubbele, maar een box met vijf elpees! De meest gedraaide nummers zijn uiteraard die welke nog niet in een studio-versie zijn verschenen. Zo b.v. Springsteens eigen interpretatie van de reeds genoemde "Jersey girl", "Because the night" en "Fire", maar ook een aangrijpende versie van Edwin Starrs "War", waarin hij nogmaals afrekent met het Vietnam-trauma van zijn generatie.
Op het einde van de "Born in the USA"-tournee trouwde Springsteen met Julianne Phillips. Toen het huwelijk twee jaar later op de klippen liep en hij een relatie begon met Patti Scialfa, een zangeres uit zijn nieuwe backing-groep, stortte de roddelpers zich gretig op de affaire. Springsteen reageerde met "Tunnel of love", opnieuw een meer ingetogen elpee over de onmogelijkheid van ware liefde, zij het dat muzikaal deze keer niet zozeer de folk (zoals op "Nebraska") maar eerder de country aan de basis lag (wat overigens ook door de hoesfoto van Annie Leibowitsj werd geïllustreerd). In 1991 huwt hij met Scialfa (al vlug zullen er kinderen volgen), waarna de boss twee CD's tegelijk uitbracht: "Lucky town" en "Human touch". Commercieel bleek dit een enorme flater te zijn, maar voor Bruce zelf was het "een manier om opnieuw met zijn voeten op de grond terecht te komen".
Ondertussen hebben we in 1988 de heropstanding van Roy "Pretty woman" Orbison meegemaakt, dankzij "friends" als Bruce Springsteen en Elvis Costello (zie de video "A night in black and white"). “Op mijn eerste elpees bouwde ik mijn songs als kleine opera’s op, een song moest voor mij niet noodzakelijk de traditionele twee strofen-refrein-strofe-refrein-structuur volgen. Dat idee had ik van Roy Orbison.”
Neil Young en Bruce Springsteen vochten daarna om de soundtrack van "Philadelphia" te mogen doen. Men besliste dat ze beiden een song mochten schrijven. Die werden beide ook genomineerd, maar het was Springsteen die de oscar in de wacht sleepte. In 1995 verzamelde Springsteen nog eens zijn E-Street Band om hun grootste hits nog eens over te doen. Het resultaat was de zeer genietbare concertvideo "Blood Brothers" en een CD met drie nooit voorheen uitgegeven songs.
Dertien jaar na "Nebraska" volgde dan met "The ghost of Tom Joad" (een personage uit "The grapes of wrath" van John Steinbeck) opnieuw een "intieme" CD. In de afsluiter "My best was never good enough" zet Bruce zich met het citaat "life is a box of chocolates" expliciet af tegen de algehele verdwazing die steeds meer omvang aanneemt in de V.S., zodanig zelfs dat een nitwit als Forrest Gump er als een soort held wordt vereerd.
Op dat moment was hij mij echter al helemaal kwijt. Hij mocht dan immers nog preken voor het goede doel, het is en blijft preken en staat dus mijlenver af van de “one, two, three, four, let’s rock”-mentaliteit die popmuziek zou moeten kenmerken. Als Jon Landau destijds dus “de toekomst van rock’n’roll” had gezien, dan is die rock’n’roll volgens mij wel op sterven na dood. Toen ik vijftien jaar geleden een onderzoek deed bij jongeren over hun geringe belangstelling voor klassieke muziek, was ik vooral getroffen door het antwoord: “Bij popmuziek zie je tenminste dat de muzikanten zich amuseren!” Wel, die tijden zijn blijkbaar voorbij, de leden van een barokorkest amuseren zich op het podium veel meer dan zogenaamde rockers die erbij lopen als zombies. Dat laatste is nu weliswaar niet het geval bij Springsteen maar de zelfingenomenheid die blijkt uit een “optreden” als “Storytellers” in het Two Rivers Theater in Red Bank, New Jersey, op 4 april 2005, waarbij Springsteen het bestaat om elk nummer minutenlang van commentaar te voorzien is er bij mij ver over!
Gelukkig herpakte hij zich een jaar later met een tribute-CD voor Pete Seeger. En hoe! Het bijhorende live-optreden met een uitgebreide en zeer gediversifieerde band was één van de muzikale hoogtepunten van dat jaar.
Pete Seeger is vooral bekend van zijn hymne uit de jaren 60: "We shall overcome". Toen werd het overal gezongen: op straten, op pleinen, op scholen, op fabrieken, aan universiteiten, in kazernes... Nu hoor je het nog zelden. "De onverschilligheid der jaren negentig" weetjewel. Maar misschien wordt het stilaan tijd dit lied nog eens opnieuw op te diepen? Bruce Springsteen deed het!
In het najaar van 2007 pakte hij dan uit met "Magic", dat opnieuw een samenwerking met The E Street Band was.
Ronny De Schepper
(*) Tom Waits had het wel over één welbepaalde “Jersey girl”, met name de toneelschrijfster Kathleen Brennan.
(**) Ik heb mijn recensie van destijds in De Rode Vaan zo onaangetast mogelijk gelaten, want nu zou ik zoiets zeker niet meer schrijven. Blijkbaar was ik toen nog op zoek naar “kunst” in de popmuziek, een ambitie die ik ondertussen helemaal heb laten varen. Ik zoek nu in popmuziek alleen nog maar fun. Als ik “kunst” wil, dan zal ik wel een klassieke plaat opleggen, zeg ik vaak, maar als ik eerlijk ben, geef ik ook in de zogenaamde “klassieke” muziek de voorkeur aan divertimenti en dergelijke. De leeftijd zeker?
Hij kreeg er een streng katholieke opvoeding, wat deze Weegschaal niet erg zinde. Dat leidde vooral tot conflicten met zijn vader, zoals hij zelf vertelt op de live-versie van "The River". Later zouden de plooien gladgestreken worden en, gevraagd naar de lievelingssongs van zijn zoon, zou vader Springsteen zelfs geantwoord hebben: "Die welke over mij gaan."
De jonge Springsteen vlucht in de muziek. Midden de jaren zestig debuteerde hij eerst met folk in Greenwich Village en nadien speelde hij gitaar bij hardrock-groepen als Steel Mill, Dr.Zoom and the Zonic Boom en The Castilles (waar hij enkel een Dylan-cover mocht zingen). "Zoals Elvis ons lichaam bevrijdde, zo bevrijdde Dylan onze geest," moet Bruce ooit eens gezegd hebben.
In "Hail hail rock'n'roll", de concertfilm rond Chuck Berry, verklaart Bruce Springsteen dat hij net als alle jonge Amerikanen in de jaren zestig Chuck Berry heeft leren kennen via de Engelse beatgroepen, meer bepaald via Keith Richards, de man die Berry overigens in het concertgedeelte begeleidt. Zoals algemeen geweten is Berry ook verschrikkelijk zuinig, zodat hij altijd optreedt met muzikanten van ter plaatse. En zo heeft Springsteen rond 1965 eens als begeleider van hem gefungeerd. Nadien vormde hij (Bruce dus uiteraard) Earth, een rocktrio in Jimi Hendrix/Cream-stijl, waar hij zich ook nog vooral op z'n gitaarspel toelegde. Maar hij voelde dat hij ook iets te zeggen had en daarom speelde hij, via de bemiddeling van manager Mike Appel, in 1973 zijn nummers voor aan John Hammond van CBS, de ontdekker van Bob Dylan. Deze laat hem een eerste elpee opnemen, "Greetings from Asbury Park".
De elpee heeft slechts een lokaal succes, omdat hij ten onrechte als een nieuwe Bob Dylan wordt gelanceerd. Alleen The Hollies, die reeds enkele Dylan-nummers hadden opgenomen, zien op die manier wel iets in hem en hebben met hun versie van "Sandy" een hit in Nederland. Daar wordt het nummer later ook vertaald en gezongen door acteur Theu Boermans ("Venlo '67").
Ondertussen bouwt Springsteen zich, een beetje zoals Elvis Presley, een stevige live-reputatie op in kleine clubs. De beste muzikanten van New York komen zich stilaan rond hem scharen, zodat de E Street Band ontstaat met Steve Van Zandt op gitaar, Roy Bittan en Danny Federici aan de toetsen, Garry Tallent op bas en Max Weinberg op drums.
Het meest kleurrijke lid (letterlijk en figuurlijk) is echter saxofonist Clarence Clemmons. Op de video "Glory days" vertelt Bruce over de grappige manier waarop hij met hem kennismaakte: "Op een avond zijn we in een kleine club aan het spelen en plotseling vliegt de deur open. Een boom van een kerel heeft ze met hengsels en al eruit gerukt. 'Mag ik meespelen?' vraagt hij ons. Nou, wie zou er tegen zo een kleerkast 'neen' durven zeggen? Achteraf bleek wel dat het eigenlijk door een stormwind was dat de deur was afgebroken, maar ondertussen was Clarence al lid van de groep en wilden we hem voor geen geld meer missen."
Met de E Street Band nam Springsteen in 1974 "The wild, the innocent and the E Street Shuffle" op, een plaat die al een bredere verspreiding kent, zij het hier in Vlaanderen enkel nog bij insiders zoals André De Bruyn in Tliedboek.
Met de volgende, "Born to run", een jaar later, is echter het hek van de dam. Producer Jon Landau lanceert de beroemde slogan: "Ik heb de toekomst van de rock'n'roll gezien; zijn naam is Bruce Springsteen." Manager Mike Appel neemt de woorden van Landau wat al te letterlijk op en zet een grootse, typisch Amerikaanse publiciteitscampagne op, tegen de zin van Springsteen zelf. Dat leidt tot een ruzie die Springsteen gedurende een paar jaar noodgedwongen werkloos maakt, want zolang ligt hij nog onder contract bij Appel. Om de tijd te doden schrijft hij dan maar nummers voor anderen.
In 1977 schreef hij zo o.m. "Fire" voor Elvis Presley. De demo kwam echter pas enkele weken voor zijn dood toe. Hij gaf het dan maar aan The Pointer Sisters. Ook Patti Smith kan met "Because the night" een hit scoren.
Een jaar later is het dan eindelijk zo ver, Springsteen mag een nieuwe elpee uitbrengen, deze keer helemaal onder de hoede van Jon Landau. "Darkness on the edge of town" wordt begrijpelijkerwijze een beetje een sombere elpee en er staan bijgevolg ook geen echte "hits" op. Al zou "Candy's room" dit zeker hebben verdiend.
Van 19 tot 23 september 1979 organiseerde MUSE (Musicians United for Safe Energy) "No Nukes" ten voordele van de bewegingen tegen kernenergie. The Doobie Brothers, Jackson Browne, Crosby, Stills & Nash, James Taylor, Bruce Springsteen, Carly Simon, Bonnie Raitt, Tom Petty & the Heartbreakers, Nicolette Larson, Ry Cooder, Jesse Colin Young, John Hall, Poco, Chaka Kahn, Gil Scott-Heron en Sweet Honey in the Rock traden op en het geheel werd op film vastgelegd door Julian Schlossberg, Danny Goldberg, Anthony Potenza, Haskell Wexler en Barbara Kopple. Hier speelde hij voor het eerst "The river", wat een jaar later als dubbelalbum verscheen met verder o.a. nog "Independence day" en "Hungry heart", dat Springsteen zelf eigenlijk niet op de elpee wilde, maar dat er dankzij het aandringen van Jon Landau toch op geraakte. Naar eigen zeggen is het een evocatie wat The Beach Boys en Frankie Lymon and the Teenagers voor Springsteen hebben betekend. Hij laat zich in het achtergrondkoortje dan ook bijstaan door Flo & Eddie alias Mark Volman en Howard Kaylan, eerst van The Turtles, later van Frank Zappa's Mothers of Invention.
Voor een van zijn andere idolen, Gary U.S.Bonds, gaat Springsteen nog een stapje verder. Gary Anderson alias U.S.Bonds scoorde in het begin van de jaren zestig enkele gigantische hits, maar zijn populariteit daalde zeer snel door een schrijnend gebrek aan variatie en vernieuwing. Daar zou Bruce eens eventjes verandering in brengen met de elpee “Dedication”.
Om die te promoten kwam Gary U.S.Bonds o.a. ook in de Brusselse Ancienne Belgique langs en ik was erbij. De Louisianaklassieker "Jole Blon" vormde het startpunt, en via de werken van meester Dylan ("From a buick") en Jackson Browne ("The Pretender") werd de hele "Dedication"-elpee afgehaspeld zonder dat het gebeuren ook maar iets aan kracht, enthousiasme of competentie verloor. Enkel bij de bisnummers kreeg het concert een balorkestachtige wending, een slechte gewoonte overigens van vele Springsteeniaanse groepen (**). Een kleine smet evenwel, want het bleef gezellig. De sympathieke Bonds bespeelde het publiek en visueel was het allemaal best genietbaar. Toch hing de naam Springsteen als een schaduw boven het concert.
Het is aan Gary U.S.Bonds om zelf uit te maken of dat nu negatief of veeleer positief is, alleszins zal één en ander duidelijk worden als straks de nieuwe elpee bij mekaar moet worden geschreven en Springsteen "well papa say goodbye now, it's independance day" zal staan zingen.
Die plaat zal er wel ooit gekomen zijn, maar succes heeft ze zeker niet gehad, aangezien ik er geen enkele weet van heb. Maar “Dedication” is wél een plaat gebleven waarnaar bezoekers van mijn nederig stulpje steevast vragen. Eén en ander heeft zeker te maken met de Bruce Springsteen-rage die nog altijd het Vlaamse land tussen Gent en Brussel teistert. Inderdaad. Bruce heeft zijn talent als producer, songwriter en tweede stem én zijn band uitgeleend aan zijn vroeger idool dat hij uit de kroegen van New York heeft gesleept (Bonds heeft nog een kleine hitje gehad in 1967, maar zijn echte succesperiode dateert uit de vroege jaren zestig met onder andere "New Orleans" dat ikzelf bezit in een versie van... The Cousins: kun je nagaan met wat voor oude sok we hier te doen hebben).
En gek is dat. Want zingt Springsteen nu als Bonds of Bonds als Springsteen? Alleszins zijn het twee perfecte bondgenoten op kant A met de opener "Jolé Blon" (een rockbewerking van een cajun-traditional), de singlehit "This little girl", "Your love" waar andere oude glorie Ben E. King ook nog wat vocale steun komt verlenen, de titelsong en tenslotte Bonds' credo "Daddy's come home, back where he belongs... It's been a long time for us".
Droog even je tranen, want het is tijd om de plaat om te draaien en dan kan je verder sterven van nostalgie met een Memphis soul-achtige bewerking van John Lennons "It's only love". Jackson Browne en Bob Dylan liggen Bonds misschien iets moeilijker in de mond en dat zelf componeren wil ook niet zo lukken. En Bonds die alleen mag fietsen wanneer Springsteen als een zorgzame vader het zadel heeft losgelaten, zeker niet.
Terwijl hij bij wijze van spreken zijn E Street Band aan Bonds uitleent, neemt Bruce bij hem thuis, gewoon op een viersporen-bandopnemer een akoestische elpee op, "Nebraska", die eigenlijk een hulde wil zijn aan de bekende protestzanger Woody Guthrie.
In 1984 stijgt de populariteit van Bruce Springsteen tot ongekende hoogten. Eerst was er zijn bijdrage in de Band Aid-actie van Bob Geldof, meer bepaald in het Michael Jackson en Lionel Richie-nummer "We are the world" (USA for Africa). En dan is er de single "Dancing in the dark", die de puriteinen wel even de wenkbrauwen doet fronsen. Niet alleen wordt ze voor het eerst met een videoclip gelanceerd (waardoor Courtney Cox overigens tot het sterrendom wordt gecatapulteerd), maar zo dicht tegen disco heeft The Boss nog nooit aangezeten! De grappenmakers van Big Daddy maakten er trouwens een heerlijke pastiche op, door het nummer te vermengen met "Love letters in the sand" van Pat Boone.
Wie echter vreesde dat Springsteen hiermee de platgetreden paden van de commercie zou inslaan, komt gelukkig bedrogen uit. "Dancing in the dark" is nadien terug te vinden op de elpee "Born in the USA" die met o.a. "I'm on fire", "My hometown", "Glory days" en "Cover me" zelfs één van zijn hardste blijkt te zijn en dus niet enkel tekstueel maar ook muzikaal teruggrijpt naar zijn sixties-periode. Dat wordt in datzelfde jaar trouwens ook bevestigd met een spetterende versie van de traditional "Santaclaus is coming to town", die in de jaren zestig ook nog door een meisjesgroep van Phil Spector op plaat was gezet. Phil Spector, die naar eigen zeggen samen met Bob Dylan, zeker de grootste inspirator is voor Bruce Springsteen.
Uiteraard volgt er een sensationele wereldtournee en om de talrijke piraten-live-elpees de wind uit de zeilen te nemen, brengt CBS in 1986 de lang verwachte definitieve live-elpee uit. Alleen... het is niet één elpee, zelfs geen dubbele, maar een box met vijf elpees! De meest gedraaide nummers zijn uiteraard die welke nog niet in een studio-versie zijn verschenen. Zo b.v. Springsteens eigen interpretatie van de reeds genoemde "Jersey girl", "Because the night" en "Fire", maar ook een aangrijpende versie van Edwin Starrs "War", waarin hij nogmaals afrekent met het Vietnam-trauma van zijn generatie.
Op het einde van de "Born in the USA"-tournee trouwde Springsteen met Julianne Phillips. Toen het huwelijk twee jaar later op de klippen liep en hij een relatie begon met Patti Scialfa, een zangeres uit zijn nieuwe backing-groep, stortte de roddelpers zich gretig op de affaire. Springsteen reageerde met "Tunnel of love", opnieuw een meer ingetogen elpee over de onmogelijkheid van ware liefde, zij het dat muzikaal deze keer niet zozeer de folk (zoals op "Nebraska") maar eerder de country aan de basis lag (wat overigens ook door de hoesfoto van Annie Leibowitsj werd geïllustreerd). In 1991 huwt hij met Scialfa (al vlug zullen er kinderen volgen), waarna de boss twee CD's tegelijk uitbracht: "Lucky town" en "Human touch". Commercieel bleek dit een enorme flater te zijn, maar voor Bruce zelf was het "een manier om opnieuw met zijn voeten op de grond terecht te komen".
Ondertussen hebben we in 1988 de heropstanding van Roy "Pretty woman" Orbison meegemaakt, dankzij "friends" als Bruce Springsteen en Elvis Costello (zie de video "A night in black and white"). “Op mijn eerste elpees bouwde ik mijn songs als kleine opera’s op, een song moest voor mij niet noodzakelijk de traditionele twee strofen-refrein-strofe-refrein-structuur volgen. Dat idee had ik van Roy Orbison.”
Neil Young en Bruce Springsteen vochten daarna om de soundtrack van "Philadelphia" te mogen doen. Men besliste dat ze beiden een song mochten schrijven. Die werden beide ook genomineerd, maar het was Springsteen die de oscar in de wacht sleepte. In 1995 verzamelde Springsteen nog eens zijn E-Street Band om hun grootste hits nog eens over te doen. Het resultaat was de zeer genietbare concertvideo "Blood Brothers" en een CD met drie nooit voorheen uitgegeven songs.
Dertien jaar na "Nebraska" volgde dan met "The ghost of Tom Joad" (een personage uit "The grapes of wrath" van John Steinbeck) opnieuw een "intieme" CD. In de afsluiter "My best was never good enough" zet Bruce zich met het citaat "life is a box of chocolates" expliciet af tegen de algehele verdwazing die steeds meer omvang aanneemt in de V.S., zodanig zelfs dat een nitwit als Forrest Gump er als een soort held wordt vereerd.
Op dat moment was hij mij echter al helemaal kwijt. Hij mocht dan immers nog preken voor het goede doel, het is en blijft preken en staat dus mijlenver af van de “one, two, three, four, let’s rock”-mentaliteit die popmuziek zou moeten kenmerken. Als Jon Landau destijds dus “de toekomst van rock’n’roll” had gezien, dan is die rock’n’roll volgens mij wel op sterven na dood. Toen ik vijftien jaar geleden een onderzoek deed bij jongeren over hun geringe belangstelling voor klassieke muziek, was ik vooral getroffen door het antwoord: “Bij popmuziek zie je tenminste dat de muzikanten zich amuseren!” Wel, die tijden zijn blijkbaar voorbij, de leden van een barokorkest amuseren zich op het podium veel meer dan zogenaamde rockers die erbij lopen als zombies. Dat laatste is nu weliswaar niet het geval bij Springsteen maar de zelfingenomenheid die blijkt uit een “optreden” als “Storytellers” in het Two Rivers Theater in Red Bank, New Jersey, op 4 april 2005, waarbij Springsteen het bestaat om elk nummer minutenlang van commentaar te voorzien is er bij mij ver over!
Gelukkig herpakte hij zich een jaar later met een tribute-CD voor Pete Seeger. En hoe! Het bijhorende live-optreden met een uitgebreide en zeer gediversifieerde band was één van de muzikale hoogtepunten van dat jaar.
Pete Seeger is vooral bekend van zijn hymne uit de jaren 60: "We shall overcome". Toen werd het overal gezongen: op straten, op pleinen, op scholen, op fabrieken, aan universiteiten, in kazernes... Nu hoor je het nog zelden. "De onverschilligheid der jaren negentig" weetjewel. Maar misschien wordt het stilaan tijd dit lied nog eens opnieuw op te diepen? Bruce Springsteen deed het!
In het najaar van 2007 pakte hij dan uit met "Magic", dat opnieuw een samenwerking met The E Street Band was.
Ronny De Schepper
(*) Tom Waits had het wel over één welbepaalde “Jersey girl”, met name de toneelschrijfster Kathleen Brennan.
(**) Ik heb mijn recensie van destijds in De Rode Vaan zo onaangetast mogelijk gelaten, want nu zou ik zoiets zeker niet meer schrijven. Blijkbaar was ik toen nog op zoek naar “kunst” in de popmuziek, een ambitie die ik ondertussen helemaal heb laten varen. Ik zoek nu in popmuziek alleen nog maar fun. Als ik “kunst” wil, dan zal ik wel een klassieke plaat opleggen, zeg ik vaak, maar als ik eerlijk ben, geef ik ook in de zogenaamde “klassieke” muziek de voorkeur aan divertimenti en dergelijke. De leeftijd zeker?
The Spice Girls
Precies tien jaar na hun eerste album (“Spice World”, 1997) gaan The Spice Girls opnieuw de baan op. Over hun "zangkunst" gaan we het niet hebben, maar wel over hun karakter dat omgekeerd evenredig is met hun sex-appeal.
In een uiterste poging om mee te zijn met de jeugd, heb ik ooit geprobeerd de namen van de meisjes van buiten te leren: Melanie Janine Brown (°1975) of Mel B. is de makkelijkste. Zij is immers de kleurlinge van de groep. Zij wordt "Scary Spice" genoemd, omdat zij de kinky sex moet verbeelden. Aangezien de groep op een "moderne" manier is samengesteld (d.w.z. via een "concept", dus niet omdat ze vriendinnen waren of zelfs maar elkaar kénden e.d.), is haar tegendeel Emma Louise Bunton (°1976) ofte Baby Spice, het domme blondje in het kwadraat. De Spice Girls worden van de wereld afgeschermd dat het eigenlijk geen naam meer mag hebben, maar een onverlaat die per ongeluk ooit eens een deur opende, die hij beter dicht had gelaten, zag nog net hoe Baby Spice door Scary Spice in mekaar werd geramd.
Ook zeer herkenbaar is Melanie Chisholm (°1973) alias Mel C. Haar handelsmerk (letterlijk) is namelijk de sportkledij waarin ze steeds moet rondhuppelen. Aangezien de vier anderen meestal erg sexy uitgedost zijn, zou dit toch wel enorm frustrerend moeten zijn, zeker als uit de clip van hun grootste hit "Wannabe" duidelijk de seksuele potentie van Mel C. blijkt.
Waar men anderzijds goed moet naar zoeken, is naar Victoria Adams (°1974). Zij is namelijk "Posh Spice", wat dus zou moeten willen zeggen dat ze enige "klasse" heeft. Goed, als men ze alle vijf tesamen ziet, kan men ze er wel uithalen, maar het is een soort "postmoderne klasse" zou men kunnen zeggen. Een dun laagje vernis dus.
En tenslotte is er Geri Halliwell (°1972) of "Ginger Spice". In feite heeft ze niets bijzonders, tenzij haar in verschillende kleuren en twee argumenten, die bij haar nog iets zwaarder doorwegen dan bij de andere meisjes, al worden die dààr ook uitgespeeld (zoals gezegd zelfs bij Sporty Spice). Dat is ook logisch, want vroeger was ze als stripteaseuse actief. Merkwaardig genoeg werd Geri als de leidster van de groep beschouwd, als men de achtereenvolgende managers niet meetelt natuurlijk...
Met The Spice Girls werd ook het begrip "girl power" gelanceerd, maar of dit echt wel op hen sloeg kon op zijn minst in vraag kon worden gesteld, zeker in mei 1998 toen Halliwell de groep verliet en de kunstmatige groep hiertegen niet opgewassen bleek te zijn. Kort nadien viel het hele concept immers in duigen.
Toeval of niet, Halliwell (ondertussen moeder van Bluebell Madonna, °2006) is ook de enige die naderhand nog enigszins carrière heeft gemaakt (met haar cover van "It's raining men" van The Weather Girls had ze zelfs een heel grote hit), ook al wordt gezegd dat Sporty Spice eigenlijk de enige is die echt goed kan zingen. Ook zij heeft carrière gemaakt, maar dan zonder echt grote hits. Tenzij men haar duet met Bryan Adams ("When you're gone") zo zou willen noemen. Zij deemsterde af en toe weg in een depressie naar aanleiding van de vele lesbische verhalen die over haar de ronde doen. Misschien is ze gewoon biseksueel, zoals die binnenhuisarchitecte in “Thuis”. Alleszins legt ze het op dit moment aan met een andere bekende biseksueel, niemand minder dan Robbie Williams.
Met “carrière maken” bedoel ik dan wel: een carrière waaraan ze zelf heeft gewerkt. Wat "in the picture" komen betreft, werd ze namelijk ruimschoots overtroffen door Victoria Adams, die immers zo slim was om met stervoetballer David Beckham te trouwen. Ze hebben al twee zoontjes, Brooklyn (°1999), Romeo (°2002) en nog een derde dat mij nu niet wil te binnen schieten (daar gaat mijn ambitie om ooit “de slimste mens” te worden!), en zijn niet uit de pulpbladen weg te krijgen. Desnoods worden er zelfs (al dan niet fictieve) ontvoeringen op het getouw gezet. Maar typisch voor de "second hand" populariteit van Posh is dat Beckham tot meest sexy man van 2002 werd verkozen, terwijl zijzelf niet eens in het lijstje van de sexy vrouwen voorkwam.
Wat Posh kan, dat kan ik ook, moet Melanie Brown gedacht hebben, maar een Nederlandse danser (Jimmy Gulzar) sprak de media blijkbaar veel minder aan. De pret was er dan ook al gauw af en het koppel ging na drie jaar (1998-2001) uit elkaar. Ze hield er wel een dochtertje, Phoenix Chi, aan over. Ondertussen probeert Brown een carrière in het theater uit en haar reputatie als Scary getrouw, heeft ze zich o.m. op de fameuze "vagina-monologen" gegooid, die hier in Vlaanderen door Ann Nelissen werden gebracht. In 2006 beviel ze van Angel Iris, een dochter van acteur Eddie Murphy, zij het dat er wel een DNA-test aan te pas kwam om dat vast te leggen, want Murphy wilde het kind eerst niet erkennen.
Melanie heeft ook succesvol (tweede plaats) deelgenomen aan “Dancing with the stars”, de Amerikaanse versie van het fantastische format “Strictly come dancing”, waarin ook Emma Bunton schitterde. Zij mocht weliswaar op het gala t.g.v. de vijftigste verjaardag van de ambtsaanvaarding van de Engelse koningin optreden, maar dat was toch ongeveer haar enige wapenfeit op het vlak van "artistieke" prestaties. Paradoxaal genoeg heeft zij vaak als babysit bij haar tegenhanger Melanie Brown gefunctioneerd. Dat zal nu wel gedaan zijn, want in augustus 2007 is ze zelf bevallen van Beau, een zoon waarmee zanger Jade Jones haar heeft opgezadeld.
Ronny De Schepper
In een uiterste poging om mee te zijn met de jeugd, heb ik ooit geprobeerd de namen van de meisjes van buiten te leren: Melanie Janine Brown (°1975) of Mel B. is de makkelijkste. Zij is immers de kleurlinge van de groep. Zij wordt "Scary Spice" genoemd, omdat zij de kinky sex moet verbeelden. Aangezien de groep op een "moderne" manier is samengesteld (d.w.z. via een "concept", dus niet omdat ze vriendinnen waren of zelfs maar elkaar kénden e.d.), is haar tegendeel Emma Louise Bunton (°1976) ofte Baby Spice, het domme blondje in het kwadraat. De Spice Girls worden van de wereld afgeschermd dat het eigenlijk geen naam meer mag hebben, maar een onverlaat die per ongeluk ooit eens een deur opende, die hij beter dicht had gelaten, zag nog net hoe Baby Spice door Scary Spice in mekaar werd geramd.
Ook zeer herkenbaar is Melanie Chisholm (°1973) alias Mel C. Haar handelsmerk (letterlijk) is namelijk de sportkledij waarin ze steeds moet rondhuppelen. Aangezien de vier anderen meestal erg sexy uitgedost zijn, zou dit toch wel enorm frustrerend moeten zijn, zeker als uit de clip van hun grootste hit "Wannabe" duidelijk de seksuele potentie van Mel C. blijkt.
Waar men anderzijds goed moet naar zoeken, is naar Victoria Adams (°1974). Zij is namelijk "Posh Spice", wat dus zou moeten willen zeggen dat ze enige "klasse" heeft. Goed, als men ze alle vijf tesamen ziet, kan men ze er wel uithalen, maar het is een soort "postmoderne klasse" zou men kunnen zeggen. Een dun laagje vernis dus.
En tenslotte is er Geri Halliwell (°1972) of "Ginger Spice". In feite heeft ze niets bijzonders, tenzij haar in verschillende kleuren en twee argumenten, die bij haar nog iets zwaarder doorwegen dan bij de andere meisjes, al worden die dààr ook uitgespeeld (zoals gezegd zelfs bij Sporty Spice). Dat is ook logisch, want vroeger was ze als stripteaseuse actief. Merkwaardig genoeg werd Geri als de leidster van de groep beschouwd, als men de achtereenvolgende managers niet meetelt natuurlijk...
Met The Spice Girls werd ook het begrip "girl power" gelanceerd, maar of dit echt wel op hen sloeg kon op zijn minst in vraag kon worden gesteld, zeker in mei 1998 toen Halliwell de groep verliet en de kunstmatige groep hiertegen niet opgewassen bleek te zijn. Kort nadien viel het hele concept immers in duigen.
Toeval of niet, Halliwell (ondertussen moeder van Bluebell Madonna, °2006) is ook de enige die naderhand nog enigszins carrière heeft gemaakt (met haar cover van "It's raining men" van The Weather Girls had ze zelfs een heel grote hit), ook al wordt gezegd dat Sporty Spice eigenlijk de enige is die echt goed kan zingen. Ook zij heeft carrière gemaakt, maar dan zonder echt grote hits. Tenzij men haar duet met Bryan Adams ("When you're gone") zo zou willen noemen. Zij deemsterde af en toe weg in een depressie naar aanleiding van de vele lesbische verhalen die over haar de ronde doen. Misschien is ze gewoon biseksueel, zoals die binnenhuisarchitecte in “Thuis”. Alleszins legt ze het op dit moment aan met een andere bekende biseksueel, niemand minder dan Robbie Williams.
Met “carrière maken” bedoel ik dan wel: een carrière waaraan ze zelf heeft gewerkt. Wat "in the picture" komen betreft, werd ze namelijk ruimschoots overtroffen door Victoria Adams, die immers zo slim was om met stervoetballer David Beckham te trouwen. Ze hebben al twee zoontjes, Brooklyn (°1999), Romeo (°2002) en nog een derde dat mij nu niet wil te binnen schieten (daar gaat mijn ambitie om ooit “de slimste mens” te worden!), en zijn niet uit de pulpbladen weg te krijgen. Desnoods worden er zelfs (al dan niet fictieve) ontvoeringen op het getouw gezet. Maar typisch voor de "second hand" populariteit van Posh is dat Beckham tot meest sexy man van 2002 werd verkozen, terwijl zijzelf niet eens in het lijstje van de sexy vrouwen voorkwam.
Wat Posh kan, dat kan ik ook, moet Melanie Brown gedacht hebben, maar een Nederlandse danser (Jimmy Gulzar) sprak de media blijkbaar veel minder aan. De pret was er dan ook al gauw af en het koppel ging na drie jaar (1998-2001) uit elkaar. Ze hield er wel een dochtertje, Phoenix Chi, aan over. Ondertussen probeert Brown een carrière in het theater uit en haar reputatie als Scary getrouw, heeft ze zich o.m. op de fameuze "vagina-monologen" gegooid, die hier in Vlaanderen door Ann Nelissen werden gebracht. In 2006 beviel ze van Angel Iris, een dochter van acteur Eddie Murphy, zij het dat er wel een DNA-test aan te pas kwam om dat vast te leggen, want Murphy wilde het kind eerst niet erkennen.
Melanie heeft ook succesvol (tweede plaats) deelgenomen aan “Dancing with the stars”, de Amerikaanse versie van het fantastische format “Strictly come dancing”, waarin ook Emma Bunton schitterde. Zij mocht weliswaar op het gala t.g.v. de vijftigste verjaardag van de ambtsaanvaarding van de Engelse koningin optreden, maar dat was toch ongeveer haar enige wapenfeit op het vlak van "artistieke" prestaties. Paradoxaal genoeg heeft zij vaak als babysit bij haar tegenhanger Melanie Brown gefunctioneerd. Dat zal nu wel gedaan zijn, want in augustus 2007 is ze zelf bevallen van Beau, een zoon waarmee zanger Jade Jones haar heeft opgezadeld.
Ronny De Schepper
dinsdag 4 december 2007
De film in de Verenigde Staten
De film werd niét uitgevonden door een Amerikaan. Het is misschien wel belangrijk met deze vaststelling te beginnen, want niet alleen schijnen de meeste mensen (het meest van al nog de Amerikanen zélf) te denken dat de Amerikanen àlles hebben uitgevonden, dat geldt dan nog a fortiori voor het medium film, waarvan men de indruk heeft dat die enkel in Hollywood wordt gemaakt!
Bovendien had het misschien wel gekund natuurlijk. Want in de tijd dat de gebroeders Lumière volop aan het experimenteren waren, was in de VS een zekere heer Thomas Edison ook actief op dat terrein...
In 1907 heeft Edison eindelijk zijn doel bereikt. Na tal van processen (al werd er ook soms niet enkel voor de rechtbank maar ook gewoonweg met wapens gevochten) heeft hij uiteindelijk het monopolie van het filmbedrijf te pakken, waarna hij in 1909 overgaat tot de oprichting van de Motion Picture Patents Company, een trust samengesteld uit negen maatschappijen: naast die van hemzelf zijn dat verder nog Biograph, Vitagraph, Essanay, Selig, Lubin, Kalem, Pathé en Méliès. Zij blokkeerden op die manier de filmmarkt en schreven allerlei zaken voor: een film mocht niet langer zijn dan twee bobby's (in het Nederlands spreekt men ten onrechte meestal van bobijnen), zalen mochten op straffe van sancties geen films vertonen van andere maatschappijen, enz. Als reactie begonnen Kessel en Bauman een onafhankelijke productie in Hollywood, Californië, omdat men daar zonder problemen kon filmen in de open lucht. En zo was Hollywood dus eigenlijk de eerste "independent", terwijl het woord nu juist betekent: onafhankelijk van Hollywood!
Een one-reeler uit 1910 uit het bedrijfje van Edison is tevens de allereerste horrorfilm ooit gedraaid.
In 1912 wordt in Frankrijk door Louis Mercanton "La Reine Elizabeth" gedraaid. Ondanks haar hoge leeftijd en haar houten been stond Sarah Bernhardt immers erop dat één van haar beroemdste vertolkingen werd verfilmd: "Het is mijn enige kans op onsterfelijkheid," zei ze. Deze film was vooral belangrijk om het medium een deftiger imago te geven en ook de "betere kringen" naar de bioscoopzaal te lokken. In de VS wordt de film aangekocht door Paramount en het succes is een aanzet voor de reeks "Famous players in famous plays". "The Famous Players Company" wordt dat jaar overigens gesticht door Adolph Zukor (1873-1976), samen met Samuel Goldfish (later Goldwyn) en Cecil B.De Mille (1881-1959).
Nog een voorbeeld van dergelijke "betere" films is "Richard III", die werd gedraaid in opdracht van M.B.Dudley Amusement Co. uit New York met de Shakespeare-acteur Frederick Warde in de hoofdrol. Er zitten ook massascènes in van slagvelden (je weet wel: "A horse! A horse! My kingdom for a horse!"). Deze film werd in 1996 toevallig ontdekt in de kelder van een operateur en is daarmee de oudst bewaarde film op celluloid. Door het uiterst kwetsbare materiaal zijn immers bijna alle originele kopieën van films van vóór 1930 verloren gegaan.
In 1912 is er de allereerste Amerikaanse langspeelfilm, "The Squaw Man" van Cecil B.De Mille. Deze was ook producent samen met Samuel Goldwyn en zijn schoonbroer Jesse Lasky (1880-1958). Het was hun eerste productie en tevens de basis voor de uitbouw van Hollywood. De Mille wilde immers niet langer in een studio werken en om buitenopnames te maken, week men liever uit naar een streek met een zonnig klimaat, Californië dus. Zijn voorbeeld werd nagevolgd en niet enkel door regisseurs die westerns wilden draaien. Ook al omwille van de goedkopere arbeidskrachten dan in New York. Het quasi-monopolie van Hollywood op wereldniveau werd kort daarop gelegd tijdens de Eerste Wereldoorlog toen alle Europese filmindustrieën met één klap werden weggeveegd.
"The Squaw Man" is bovendien de eerste film met een "echt", uitgetikt scenario gedraaid. Dat we dat zo met zekerheid kunnen zeggen is te wijten aan een anecdote. De Mille was immers zo goed als bankroet en wilde bezuinigen door zijn secretaresse buiten te smijten. Toen echter bleek dat de schrijfmachine haar persoonlijke eigendom was, mocht ze blijven.
Hoewel in 1912 D.W.Griffith de eerste gangsterfilm maakte met "Musketeers of Pig Alley" zou het tot de intrede van de geluidsfilm duren vooraleer dit genre echt aan bod zou komen. Het geluid is immers zeer belangrijk omdat de scènes aan intensiteit verliezen zonder het horen van revolverschoten, het gieren van banden, de piano in de bars en de hese stemmen van de gangsters zelf.
Volgens sommigen begint de filmgeschiedenis overigens pas echt als D.W.Griffith in 1915 "The Birth of a Nation" draait. Deze film over de Amerikaanse Burgeroorlog bracht namelijk miljoenen op en vanaf dat moment werd film een echte industrie.
Griffith, the man who invented Hollywood, legt in deze film de grondvesten voor de narratieve conventies, de montagestijl en de productietechnieken die Hollywood zouden gaan domineren. Daarnaast is dit historisch drama een uitzonderlijk voorbeeld van ideologische constructie in het medium film. Deze film uit 1915 is tot op vandaag immers het onderwerp van controverse. In “The Birth of a Nation” wordt de Amerikaanse natie gerepresenteerd als een familie in crisis, uit elkaar getrokken door 'de ander', het zwarte ras. We zien dat slavernij wordt geromantiseerd, de Ku Klux Klan wordt bejubeld en dat zwarten worden verbeeld als simpele geesten gedreven door lust en het kwade. De retorische kracht van deze film maakte dat “The Birth of a Nation” gretig gebruikt werd als instrument voor recrutering en indoctrinatie door de Ku Klux Klan.
Een van de stuntmannen in “The Birth of a Nation” was een twintigjarige Ierse immigrant Sean Aloysius O'Feeney, die zichzelf gemakshalve Jack Ford liet noemen. In 1923 zou hij, toen hij werd aangezocht om "serials" te draaien voor Universal, zijn voornaam nogmaals wijzigen in John. The rest is history.
De vrouwelijke hoofdrol werd gespeeld door Lillian Gish. Zij werd in 1893 geboren en zou in 1916 ook de hoofdrol spelen in "Intolerance" naast Bessie Love die (héél) veel later zelfs nog in "Reds" (Warren Beatty) zou te zien zijn. ''Intolerance” is alweer een megalomaan project van Griffith en tevens een antwoord op de kritiek op “The Birth of a Nation”. Toch blijft het een uniek document in de geschiedenis van de film. De technische virtuositeit en vindingrijkheid ervan evenaren en overtreffen zelfs de filmtaal van “The birth of a Nation”. En dat verklaart ook de invloed op o.a. Cecil B. DeMille, Sergej Eisenstein, V. Poedovkin, Fritz Lang en Abel Gance. De manifestwaarde van dit product laat zich resumeren in het persoonlijk statement en de rancune van een zogeheten miskend genie. Deze spektakelfilm, die Griffiths financieel bankroet inluidde, blijft een getuigenis voor zijn episch gevoel, zijn ethische naïviteit en zijn behoefte aan grote historische fresco's. De kritiek en het publiek hebben hem daarom niet gespaard. Wat bedoeld was als een blockbuster is een absolute flop geworden, maar blijft toch een essentieel tijdsdocument.
In 1919 sticht Mary Pickford samen met Douglas Fairbanks, Chaplin en Griffith United Artists, nog een jaar later huwt ze met Fairbanks.
In "Eyes of youth" speelt Rudolf Valentino zo levensecht een gigolo, die wordt ingehuurd om een deugdzame vrouw erin te luizen, dat June Mathis, de invloedrijkste vrouw van Hollywood, hem naar voren schuift voor de hoofdrol in "The Four Horsemen of the Apocalyps". Even lijkt het toch weer mis te gaan, omdat de studio niet op zijn looneisen wil ingaan, maar met "The Sheik" breekt hij dan toch door en wordt er niet meer gezeurd over een nulletje meer of minder. In "The Four Horsemen" krijgt hij als tegenspeelster Alice Terry (1899-1988), die datzelfde jaar (1921) nog met regisseur Rex Ingram (gestorven in 1950, niet te verwarren met de gelijknamige zwarte acteur, die "pas" in 1969 is gestorven) is getrouwd.
In 1923 stichten de vier Warner Brothers (Abe, Jack, Sam & Harry) de gelijknamige firma, datzelfde jaar nog gevolgd door MGM (Goldwyn Pictures, zijnde Samuel Goldwyn samen met Edgar en Arch Selwyn, fusioneert namelijk met Metro Productions), Columbia (Jack en Harry Cohn) en de Disney studio's.
June Mathis is ook één van de eerste filmscenaristen, die deze naam verdienen. Ze slaagde er o.m. in "Greed" van Eric von Stroheim (1923) van tien en een half uur tot vier en een half uur terug te brengen. In deze film wordt de symboliek overigens met grove borstelstreken aangebracht: een begrafenisstoet die passeert tijdens de trouwplechtigheid, twee gekooide vogels als huwelijksgeschenk, die trouwens meteen door een kat worden opgejaagd. Men zou kunnen denken dat dit een symbool is voor Marcus die zijn lief Trina had afgestaan aan McTeague, zoals het boek trouwens oorspronkelijk heette, en die daar vooral spijt van heeft als Trina het winnende lot in de loterij blijkt te hebben gekregen. De "greed" slaat trouwens vooral op haar, terwijl McTeague zelf een zwakkeling is. Toch wordt later duidelijk dat het meer een voorbode wil zijn van het beroepsverbod dat hem treft als men te weten komt dat hij zijn beroep van een charlatan heeft geleerd. Anderzijds is het wellicht Marcus die dit aan de autoriteiten heeft verklapt, zodat de twee symbolen samenvallen.
In maart 1924 begint Walt Disney zijn reeks langspeeltekenfilms met "Alice in Wonderland" en hetzelfde jaar maken we kennis met Rin Tin Tin, een Duitse herder die als puppy in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog was gevonden door luitenant Lee Duncan. Hij speelt in films als "The man from Hell's River" en "Find your man".
In 1926 draait Erich von Stroheim "Wedding march" met zijn vriendin Denise Vernac (1918-1984). De grootste nieuwkomer is echter Greta Garbo in "Torrent", haar eerste Amerikaanse film. Clark Gable is te zien in "The plastic age" met Clara Bow. Walter Pidgeon debuteert in "The outsiders".
In 1928 draait Raoul Walsh (niet zonder problemen met de censuur) "The red dance", waarin Dolores del Rio tijdens de Russische revolutie verliefd wordt op de man die ze zou moeten vermoorden (Charles Farrell).
In 1929 worden de eerste oscars uitgereikt. Zo zou Joseph Farnham de enige oscar krijgen die ooit werd uitgereikt voor "captions" (voor "The Fair Co-Ed", "Laugh, clown, laugh" en "Telling the world"). Janet Gaynor was de eerste actrice om een oscar te krijgen voor drie films: "Seventh heaven", "Sunrise" en "Street angel". Nadien werd ze gelanceerd als opvolgster van Mary Pickford in zoeterige films als "Sunny side up" (1929), "State Fair" (1933). In de overgang naar de sprekende film had ze wel haar partner Charles Farrell verloren.
Joan Crawford, die we reeds kenden uit "Lady of the night" (1925) met Norma Shearer (alhoewel, toen heette Joan Crawford nog Lucille LeSueur...), ging in "Hollywood revue of 1929" de geschiedenis in als de eerste hoorbare tapdanser. In deze film zat ook de eerste versie van "Singing in the rain". Maar er waren vooral veel films in de zin van "Why be good?", "Wild party", "Saturday night kid", kortom over "Our modern maidens" (Jack Conway), in navolging van het succes van Louise Brooks. Die leefde zelf al in onmin met Hollywood en ging in Europa "Das Tagebuch einer Verlorenen" draaien in een regie van Georg Wilhelm Pabst.
In 1931 besloot Darryl Zanuck, directeur van Warner Brothers, om meer realistische films te gaan draaien dan de zoete films van die tijd. Hij huurde een aantal journalisten in (Ben Hecht, Robert Riskin, William Burnett e.a.) om scenario's te schrijven die grote gelijkenissen vertoonden met de voorpagina's van de kranten uit die tijd. Ogenblikkelijk verdreef de gangsterfilm de western van de boxoffice.
In 1932 werkt Adolph Zukor Jesse Lasky buiten bij Paramount. In april ontstaat het "screenwriter's guild" om een tegengewicht te vormen tegen de willekeur van de regisseurs. De eerste voorzitter was John Howard Lawson, toen nog openlijk lid van de Amerikaanse KP. De tegenstelling kon niet groter zijn, want de voorzitter van "the screen directors guild" was de uiterst conservatieve Cecil B.De Mille. Er ontstaat zelfs een soort van Brill Building, waarin aan groepswerk wordt gedaan. O.a. Billy Wilder en John Huston zijn hieruit afkomstig, wat ook een nieuwe trend aangeeft: scenaristen worden regisseurs.
In 1934 veroorzaakt "Ecstasy" en vooral de 20-jarige Hedwig Kiesler opschudding door een partijtje naaktzwemmen. Louis B.Mayer (de tweede M van MGM) is erdoor zo van de kook dat hij ze naar Hollywood haalt en haar Hedy Lamarr doopt. Daar mocht ze echter niet meer uit de kleren gaan, want datzelfde jaar komt de fameuze "Hays Code" in voege die het "morele niveau" van de Hollywood-films wil hoog houden. Een eerste slachtoffer is Mae West, wier film "It ain't no sin" al meteen een andere titel moet krijgen: "I'm no angel". Hays verbood zowat vanalles, maar terwijl druggebruik b.v. niet in beeld mocht komen, werd er niets gezegd over alcohol.
Onder het bewind van Louis B.Mayer wordt MGM dé pilaar van het conservatieve Amerika. Alhoewel hij zich laat pijpen door een minderjarige Judy Garland en zelf superviseert "of haar borsten wel goed zijn ingebonden" voor "The wizard of Oz", terwijl hij haar de nodige pep- en kalmeermiddelen toestopt, wil hij op het scherm alleen maar "positieve" zaken tonen. Zo weigert hij zelfs gangsterfilms te produceren (wat de specialiteit van Warner Brothers zal worden), laat staan de fameuze "films noirs" (die dan maar door Fox worden ingepikt). Mayer heeft als het ware een eigen, verder doorgedreven Hays Code: geen zwangerschappen buiten het huwelijk, het huwelijk zelf als sacrosancte instelling en geen rebelse jongeren.
"It happened one night" van Frank Capra wint vijf oscars in 1934. Daarmee start ook de rage van de screwball comedy. In "Nana" van Dorothy Arzner werd de Russische actrice Anjoeska Stenski Soejakevitsj (°1908) door Samuel Goldwyn onder de naam Anna Sten gelanceerd als een tweede Greta Garbo. Ondanks het feit dat deze ontdekking van Stanislavski in de prille Sovjetunie reeds films had gedraaid, flopte deze film volledig. Men deed nog twee pogingen, maar toen ook die op niets uitliepen, verzeilde Anna Sten in B-films en (later) TV-feuilletons. Al is het niet helemaal een happy end, het mag toch een troost zijn dat zij als plastische kunstenares met haar schilderijen toch een zekere roem oogstte.
In 1935 neemt Adolph Zukor ontslag als hoofd van Paramount. Dat jaar is op 3 juni ook de eerste film "in technicolor" te zien, maar de personages in "Becky Sharp" van Rouben Mamoulian (naar Thackeray's "Vanity Fair") zagen er (met de woorden van een contemporaine recensent) uit als "gekookte zalmen die in mayonaise waren ondergedompeld". Mamoulian had de film geërfd omdat de oorspronkelijke regisseur aan longontsteking was gestorven, een ziekte die hoofdrolspeelster Myriam Hopkins ook bijna fataal werd.
Jean Arthur breekt door met "The whole town's talking" van John Ford (1935). Hierin speelt ze de gezonde en grappige "girl next door", die haar zo populair zou maken. In tegenstelling tot andere actrices weigerde Jean Arthur (die nochtans fotomodel was geweest) in badpak te poseren. Ze was dus duidelijk een meisje dat helemaal in de lijn van de Hays Code lag.
Naarmate de Verenigde Staten in de jaren dertig de gevolgen van de economische depressie te boven kwamen, verlegde de filmindustrie het accent van het exceptionele (rauwe gangsterfilms) naar het alledaagse, van het exotische (historische drama’s) en het onwerkelijke (Shirley Temple, showfilms) naar het reële en het eigentijdse. Al impliceert dat “alledaagse” niet dat de films meteen ook “realistisch” werden: sociale problemen werden verzwegen en iedere film moest sowieso op een happy end uitdraaien. De “tough guy” werd vervangen door “the boy next door” (type Clark Gable, Gary Cooper, James Stewart, Spencer Tracy of Cary Grant) om pas tijdens de Tweede Wereldoorlog weer op te duiken. De “vamp” werd vervangen door het type van de “goede kameraad” (Barbara Stanwyck, Claudette Colbert, Carole Lombard, Katherine Hepburn, later Ingrid Bergman). Deze vrouwen zijn tussen twintig en dertig, blond, handig, sportief en met het hart op de tong. Toen Hollywood door de oorlog de Europese markt verspeelde, trachtte men Greta Garbo, wier films vooral in Europa succes hadden, tot dit type om te scholen, maar het resultaat (“The two-faced woman” van George Cukor uit 1941) was een fiasco. Toch zal George Cukor vooral bekend worden als "women's director", al was hijzelf echter wel homoseksueel.
Howard Hawks (1896‑1977) is het prototype van een regisseur, die zich niet bindt aan één genre, maar die met zijn films wel een cruciale rol heeft gespeeld in de codificatie (of sterke definitie) van genres. Zo is "Scarface" (1932), hét voorbeeld van de klassieke gangsterfilm. De op Al Capone gebaseerde klassieker "Scarface" was geen pionier in het gangstergenre, maar wel een trendsetter. Vergeten we immers niet dat deze film amper twee jaar na de reële feiten werd gedraaid! Regisseur Hawks, cameraman Garmes (die zijn sporen verdiende bij Von Sternberg) en scenarist Ben Hecht brachten een film vol expliciet geweld zonder die agressie te veroordelen. Geen wonder dat de censoren van de Hays Office "Scarface" pas een jaar na afwerking groen licht gaven. En dan nog enkel na de aanpassing van de titel tot "Scarface, shame of a nation", het milderen van de gesuggereerde incestueuze relatie tussen Tony en zijn zus Cesca, het invoegen van een scène waarin de politie verdedigd werd (door een krantenuitgever) en het draaien van een alternatief einde (voor sommige staten) waarin Tony op bevel van de rechter opgeknoopt wordt. Een leuk weetje: Hawks probeerde zoveel mogelijk X‑en in beeld te krijgen. Een verwijzing naar het onderschrift 'X marks the spot where the corpse was' bij krantenfoto's van 'crime scenes'.
"The Big Sleep" (1946) groeide dan weer uit tot zowat de meest invloedrijke film noir. Vanaf de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende Koude Oorlog komen de Verenigde Staten in een periode van politieke instabiliteit terecht. Paranoia en een onderdrukt onveiligheidsgevoel zijn elementen die we terugvinden in o.a. het film noir genre. In “The Big Sleep” van Howard Hawks zien we hoe de maatschappelijke onzekerheid van die periode in beeld wordt gebracht. De ambiguïteit en de onduidelijkheid vinden we niet alleen terug in de visuele stijl, maar ook in de ambiguïteit van de personages zelf. Om het met Howard Hawks' eigen woorden te zeggen: 'Neither the author, the writer, nor myself knew who had killed whom.'
Verder is er natuurlijk ook de ultieme western "Rio Bravo" (1959) en in 1938 is "Bringing up baby" dan weer een typisch voorbeeld van een screwball comedy.
Samen met William Wyler draaide Howard Hawks in 1935 "Come and get it". Wyler had toen al "Dodsworth" en "These three" gedraaid. Later zouden nog volgen: The good fairy (1936); Dead end (1936); Wuthering Heights (1939); The letter (1939); Mrs.Miniver (1941) en "The heiress" met Olivia de Havilland, Montgomery Clift en Ralph Richardson. Deze film is gebaseerd op "Washington square" van Henry James. Een rijke weduwnaar, Dr.Sloper, prent zijn dochter in dat ze alleen voor fortuinjagers aantrekkelijk is. Die voorspelling blijkt uit te komen en zij zint op wraak. Zowel op haar liefdeloze vader als op haar trouweloze minnaar. Aaron Copland schreef erg ongeïnspireerde muziek voor deze film, waarvoor hij zich baseerde op het thema van "Plaisir d'amour".
In 1936 draaide Fritz Lang "Fury", gevolgd door "Man hunt" (1938). Hierin is de hoofdvertolkster eigenlijk een prostituée, maar dat mocht omwille van de Hays Code niet worden getoond of zelfs niet gesuggereerd. Daarom moest Lang een naaimachine in haar kamer installeren, zodat het erop leek dat ze met naaien aan de kost kwam. Zou men in het Amerikaans ook die woordspeling kunnen maken?
In 1936 overleed Irving Thalberg (de machtigste man in Hollywood, vandaar dat hij model stond voor "The last tycoon" van Scott Fitzgerald), net op een moment dat hij overhoop lag met Louis B.Mayer, zodat ook de carrière van zijn weduwe gehypotheceerd werd. In zekere zin stierf Thalberg net op tijd, want hij was zo anticommunistisch dat hij - als jood! - sympathieën begon te vertonen voor het nazisme. Bovendien had hij Mayer afgeraden de rechten te kopen voor "Gone with the wind", daarom ging diens schoonzoon David O.Selznick ermee lopen.
En nog in 1936 voegt ook Randolph Hearst zich bij de heksenjagers, nadat Mae West in "Klondike Annie" de draak had gestoken met het "acteertalent" (of beter: het ontbreken ervan) van zijn liefje Marion Davies, die overigens zelf niet eens begreep waarom Hearst zo boos was... Het is ook uit deze film dat de uitdrukking komt: "Tussen twee perversiteiten kies ik altijd die welke ik nog niet heb geprobeerd."
Alhoewel Mae West ondanks alle pesterijen redelijk populair bleef, was het in 1938 toch een braaf meisje als Deanna Durbin, die in "One hundred men and a girl" het voor de Box Office beter doet dan West in "Every day's a holiday".
Michael Curtiz draait in 1938 "Angels with dirty faces". Hierin maakt James Cagney komaf met het gebruik in de film dat men met scherp schoot (alleen Marcel Rosca zal dat blijkbaar nog doen). Uiteraard schoot men wel nààst de acteurs, maar een ongelukje was natuurlijk rap gebeurd.
"Algiers" van John Cronwell is een Amerikaanse remake van "Pépé le Moko" met Charles Boyer in de mannelijke hoofdrol naast Hedy Lamarr, die hiermee haar Hollywood-debuut maakt. Verder Frank Galleia als inspecteur Slimane die de gewiekste gangster uit zijn hol tracht te lokken.
Op 15 december 1939 gaat in het Grand Theater van Atlanta "Gone with the wind" (Victor Fleming) de eerste grote Amerikaanse blockbuster in kleur in première. Noch de vroegere pogingen met twee kleuren (tegelijk met de klankfilm), noch de tekenfilms in kleur hadden het grote publiek met dat fenomeen kunnen verzoenen. "Frankly, my dear, I don't give a damn," had Jan Publiek net zoals Clark Gable hiertegen gezegd.
Op 16/1/1942 wordt Carol Lombard gedood bij een vliegtuigongeluk. Errol Flynn en Lili Damita gaan in 1942 uit elkaar. Flynn was niet alleen een “verleidelijke verleider” en een vertegenwoordiger van de aloude mantel en degen-films, hij stond ook model voor een speciaal soort avonturenfilms, namelijk de piratenfilms.
In 1943 overlijdt de actrice Annette Sutherland bij een vliegtuigongeluk. Zij was de eerste echtgenote van Raymond Burr. Bela Lugosi is te zien in een anti-nazi, maar vooral anti-Japanse film. In "Black Dragons" van William Nigh speelt hij een nazistische plastische chirurg die Japanners in Amerikanen omtovert opdat ze op die manier ongehinderd zouden kunnen spioneren.
MGM geraakt in de problemen omdat Mayer te veel tijd en geld spendeert aan zijn nieuwe passie: paardenrennen. Tussen '46 en '48 was er geen enkel oscar weggelegd voor MGM. Nicholas Schenk, de voorzitter van de raad van bestuur, dreigde hem te ontslaan als hij er niet mee ophield. Daarop werden Mayers paarden openbaar verkocht en concurrent Warner kocht ze meestal op om hem te pesten.
In augustus werd Louis Mayer uiteindelijk toch door Schenk (die door Mayer "Skunk" werd genoemd) ontslagen omdat hijzelf gezegd had bij de aanwerving van een nieuwe producent, Boy Cherry, die veel te "liberal" was in de ogen van Mayer: hij of ik! Dat progressieve karakter van Cherry moet men evenwel met een grote zak zout nemen. Een voorbeeld daarvan was b.v. de film "The next voice you hear" met in de hoofdrol Nancy Davis, zijnde de latere mevrouw Nancy Reagan. In deze film is de voice in kwestie deze van God, die eventjes in de schoenen van Armand Pien gaat staan en een nieuwe zondvloed aankondigt.
In 1929 trouwde Irene Mayer (de dochter van Louis B.) met David O.Selznick, maar in 1948 liet ze zich van hem scheiden omdat hij verliefd was op zijn ontdekking, Jennifer Jones.
In 1948 gingen zowat tachtig miljoen mensen wekelijks naar de bioscoop; tien jaar (en de popularisering van de televisie) later waren er dat maar twaalf miljoen meer.
Die gingen in 1951 dan wel nog massaal naar "The African Queen": Humphrey Bogart en Katherine Hepburn in een gammel bootje, terwijl regisseur John Huston op olifanten ging jagen.
In "My Forbidden Past" van Robert Stevenson uit 1951 richt Ava Gardner in het New Orleans van het einde van de negentiende eeuw het huwelijk van de man naar wie ze verlangt, gespeeld door Robert Mitchum, ten gronde. "Storm warning" van Stuart Heisler gaat over de Ku Klux Klan.
"Twelve angry men" (Sidney Lumet) is hét "courtroom drama" bij uitstek, tenzij het "Witness for the prosecution" van Billy Wilder uit datzelfde jaar 1955 of "Anatomy of a murder" van Otto Preminger zou zijn. Om over "Beschuldigde sta op" nog te zwijgen natuurlijk!
In 1956 lanceert David O.Selznick "A farewell to arms" als opvolger van "Gone with the wind". De flop wordt mogelijkerwijs toegeschreven aan het feit dat de vrouwelijke hoofdrol door de op dat moment reeds 38-jarige Jennifer Jones werd gespeeld. Countryzanger Burl Ives (1910-1995) krijgt een oscar als beste mannelijke bijrol in "The big country" (William Wyler, 1957), die ook de Gouden Palm in Cannes wint. "Ben Hur" van William Wyler haalt een record aantal oscars binnen, nl.elf (waaronder beste film en beste acteur, uiteraard Charlton Heston, die de rol had overgenomen toen Rock Hudson hem had geweigerd). Slechts één nominatie werd niet in een oscar omgezet.
In 1968 wordt de Hays Code afgeschaft, echter niet zozeer omwille van "de revolutionaire jaren zestig" dan wel wegens het feit dat de televisie in de praktijk de censurerende invloed van de code had overgenomen. De zenders bepaalden immers wat wél en vooral wat niet kon. En er kon en kàn in Amerika véél niet...
De Lolita-film "Me Natalie" van Fred Coe uit 1969 (année érotique) vormt het debuut van Al Pacino, al weet ik niet precies welke rol hij hierin vertolkt.
Na de yuppie-films in de jaren tachtig werd 1991 ingezet met een aantal anti-yuppie-films, die wilden terugkeren naar "the basic values of life" in plaats van geld verdienen, status verwerven en macht uitoefenen als hoogste doel te stellen. Dat deze "basiswaarden" ook vaak conservatief Amerikaans zijn zoals "the family" is bijkomstig, zeker als men vaststelt dat één van de andere grote doelstellingen van deze films, de situatie van de "homeless", de daklozen, is. Dat was b.v. het onderwerp zowel van "The Fisher King" van Terry Gilliam als van "Life stinks" van Mel Brooks. Helaas was vooral deze laatste niet erg geslaagd, maar dat mag de pret niet drukken. De oscar voor de beste vrouwelijke bijrol daarentegen was voor Mercedes Ruehl in "The Fisher King".
Penny Marshall draaide "A league of their own" (1992). Het personage van de aan lager wal geraakte trainer Jimmy Dugan (gespeeld door Marshalls favoriete komedie-acteur, Tom Hanks) speelt hier ook op in.
Een andere baseball-film dat jaar was "Mr.Baseball" van Fred Schepisi met Tom Selleck die de Japanners leert honkballen en er onder de indruk komt van hun cultuur.
De hoofdvertolker van "The player", Tim Robbins, draaide in dat jaar van de Amerikaanse presidentsverkiezingen daarenboven ook nog een briljante satire daarop met "Bob Roberts". Hij weigerde overigens de liederen uit de soundtrack (geschreven samen met zijn broer David) uit te brengen "omdat ze in verkeerde handen zouden kunnen vallen" (*).
In 1994 nam de 87-jarige Katharine Hepburn afscheid van Hollywood met de TV-film "One Christmas" (met Swoozie Kurtz). Eerder in het jaar had ze nog haar laatste echte bioscoopfilm gedraaid: "Love affair" met Warren Beatty en Annette Bening.
In 1993 was er al "Jurassic Park" met "levende" dinosaurussen en een jaar later kon Tom Hanks in "Forrest Gump" John Lennon de hand drukken via computertechnieken. Als we sindsdien het filmaanbod bekijken, dan is het duidelijk dat de computer de overhand begint te halen op de camera.
Dat komt vooral omdat dit een weerslag heeft op de budgettering van bepaalde films. Roland Emmerich van "Independence Day" heeft het reeds gezegd: "Binnenkort zal het mogelijk zijn om in je garage een blockbuster te verfilmen." Niet dat zijn SF-succes voor een appel en een ei is gemaakt, maar de kosten werden toch zwaar gedrukt door het ontwerpen van eigen computertechnieken. En dat geldt o.a. ook voor "Twister", "Dragonheart" en "Jumanji".
En wat de toegankelijkheid van die technieken betreft, die is ook veel "democratischer" geworden. "Jurassic Park" kon ons nog met verstomming slaan, maar dezelfde technieken worden nu b.v. aangewend om Eddie Murphy in "The nutty professor" of Michael Keaton in "Multiplicity", eigenlijk twee B-filmpjes, zowaar met zichzelf te laten acteren.
Om je een idee te geven wat nu het verschil is met vroegere films waarin één acteur meerdere rollen speelde, kan het b.v. instructief zijn om nog eens naar "The Family Jewels" van en met Jerry Lewis te gaan kijken. Dat niveau is nu zo amateuristisch dat men dat niet meer zou aanvaarden.
De meest succesvolle film van 1995 in de VS was "Batman Forever" (184 miljoen dollar) vóór "Apollo 13" (172) en "Toy Story" (150,6), de eerste Disney-computertekenfilm.
In dat licht kunnen we ons ook verzoenen met een aantal grandioze flops, te beginnen uiteraard met de striptease-films, "Showgirls" van Paul Verhoeven en natuurlijk "Striptease" zelf met Demi Moore.
Wat had men overigens dat jaar toch met dit onderwerp? Zelfs in "Independence day" werd in een nevenintrige geduldig uitgelegd dat dit in feite een eerzaam beroep is. Zoals het in de Verenigde Staten wordt beoefend, hebben we daarover een ietwat afwijkende mening, maar het is waar dat we in "Exotica" van de Canadees Atom Egoyan wel geneigd waren dit zelfs als een soort kunstvorm te aanvaarden.
In 1998 werd met veel omhaal verkondigd "dat Hollywood niet meer bang was van de dood". Een aantal films (zoals b.v. "What dreams may come" met Robin Williams) handelden inderdaad over de dood, maar net als vroeger in "Ghost" of "Always" werd ze als een soort sprookje behandeld. Men kan zich dus met recht en rede afvragen of dit een vooruitgang is. Nee, als het erop aankomt, kiest Hollywood nog steeds voor het "happy end". Zo werd voor "The horse whisperer" het einde van het boek gewoonweg in tegengestelde zin gewijzigd: in plaats van bij zijn geliefde te blijven, keert de "held" terug naar moeder de vrouw...
En 1999 was natuurlijk het jaar van Internet. Wordt door het internet een virtuele eskimo uit Alaska immers niet een dichtere buur dan de Marokkaan naast de deur? Niet noodzakelijk. Want die virtuele eskimo blijkt uiteindelijk vaak een identiteit fakende surfer aan de andere kant van het cybercafé te zijn, die men op de koop toe in de realiteit niet kan uitstaan, terwijl hij of zij op het net helemaal anders overkwam (cfr. de film "You've got mail"). Vroeger veinsde men immers orgasmes, nu veinst men virtuele identiteiten. "You've got mail" (waarin Meg Ryan en Tom Hanks hun zoetzuur nummertje uit "Sleepless in Seattle" nog eens mogen overdoen) is overigens een remake van "The shop around the corner", een film uit de jaren veertig van Ernst Lubitsch, waarin James Stewart en Margaret Sullivan net zoals Ryan en Hanks een concurrerend winkeltje hebben, alleen waren zij toen wel pennevrienden i.p.v. mailsurfers.
Hollywood is ondertussen niet langer meer de cinema van 'stars' en 'genres'. De hedendaagse kritiek ziet overal hybride genres, genrevermengingen en ‑overschrijdingen. Cineasten ‑ en televisiemakers ‑ mengen (in volle vrijheid, zo lijkt) alle mogelijke soorten genres. En zo ontstaan gedrochten als 'docusoaps', 'infotainment' en 'psychologische horrorthrillers'. De postmoderne beeldenmakerij luidt op die manier het einde in van de traditionele genres. Of zelfs van genres in het algemeen!
Ronny De Schepper
(*) Dit is te vergelijken met het probleem dat ik met "Tomorrow belongs to me" uit “Cabaret” heb. Ik vind het een prachtig nummer, maar... het is wél het lied van de Hitlerjugend!
Selectieve bibliografie
Roy Pickard, The Hollywood Studios.
Leslie Halliwell, Mountain of dreams, the golden years of Paramount Pictures.
I.G.Edmonds & Reiko Mimura, Paramount Pictures and the people who made them.
Bovendien had het misschien wel gekund natuurlijk. Want in de tijd dat de gebroeders Lumière volop aan het experimenteren waren, was in de VS een zekere heer Thomas Edison ook actief op dat terrein...
In 1907 heeft Edison eindelijk zijn doel bereikt. Na tal van processen (al werd er ook soms niet enkel voor de rechtbank maar ook gewoonweg met wapens gevochten) heeft hij uiteindelijk het monopolie van het filmbedrijf te pakken, waarna hij in 1909 overgaat tot de oprichting van de Motion Picture Patents Company, een trust samengesteld uit negen maatschappijen: naast die van hemzelf zijn dat verder nog Biograph, Vitagraph, Essanay, Selig, Lubin, Kalem, Pathé en Méliès. Zij blokkeerden op die manier de filmmarkt en schreven allerlei zaken voor: een film mocht niet langer zijn dan twee bobby's (in het Nederlands spreekt men ten onrechte meestal van bobijnen), zalen mochten op straffe van sancties geen films vertonen van andere maatschappijen, enz. Als reactie begonnen Kessel en Bauman een onafhankelijke productie in Hollywood, Californië, omdat men daar zonder problemen kon filmen in de open lucht. En zo was Hollywood dus eigenlijk de eerste "independent", terwijl het woord nu juist betekent: onafhankelijk van Hollywood!
Een one-reeler uit 1910 uit het bedrijfje van Edison is tevens de allereerste horrorfilm ooit gedraaid.
In 1912 wordt in Frankrijk door Louis Mercanton "La Reine Elizabeth" gedraaid. Ondanks haar hoge leeftijd en haar houten been stond Sarah Bernhardt immers erop dat één van haar beroemdste vertolkingen werd verfilmd: "Het is mijn enige kans op onsterfelijkheid," zei ze. Deze film was vooral belangrijk om het medium een deftiger imago te geven en ook de "betere kringen" naar de bioscoopzaal te lokken. In de VS wordt de film aangekocht door Paramount en het succes is een aanzet voor de reeks "Famous players in famous plays". "The Famous Players Company" wordt dat jaar overigens gesticht door Adolph Zukor (1873-1976), samen met Samuel Goldfish (later Goldwyn) en Cecil B.De Mille (1881-1959).
Nog een voorbeeld van dergelijke "betere" films is "Richard III", die werd gedraaid in opdracht van M.B.Dudley Amusement Co. uit New York met de Shakespeare-acteur Frederick Warde in de hoofdrol. Er zitten ook massascènes in van slagvelden (je weet wel: "A horse! A horse! My kingdom for a horse!"). Deze film werd in 1996 toevallig ontdekt in de kelder van een operateur en is daarmee de oudst bewaarde film op celluloid. Door het uiterst kwetsbare materiaal zijn immers bijna alle originele kopieën van films van vóór 1930 verloren gegaan.
In 1912 is er de allereerste Amerikaanse langspeelfilm, "The Squaw Man" van Cecil B.De Mille. Deze was ook producent samen met Samuel Goldwyn en zijn schoonbroer Jesse Lasky (1880-1958). Het was hun eerste productie en tevens de basis voor de uitbouw van Hollywood. De Mille wilde immers niet langer in een studio werken en om buitenopnames te maken, week men liever uit naar een streek met een zonnig klimaat, Californië dus. Zijn voorbeeld werd nagevolgd en niet enkel door regisseurs die westerns wilden draaien. Ook al omwille van de goedkopere arbeidskrachten dan in New York. Het quasi-monopolie van Hollywood op wereldniveau werd kort daarop gelegd tijdens de Eerste Wereldoorlog toen alle Europese filmindustrieën met één klap werden weggeveegd.
"The Squaw Man" is bovendien de eerste film met een "echt", uitgetikt scenario gedraaid. Dat we dat zo met zekerheid kunnen zeggen is te wijten aan een anecdote. De Mille was immers zo goed als bankroet en wilde bezuinigen door zijn secretaresse buiten te smijten. Toen echter bleek dat de schrijfmachine haar persoonlijke eigendom was, mocht ze blijven.
Hoewel in 1912 D.W.Griffith de eerste gangsterfilm maakte met "Musketeers of Pig Alley" zou het tot de intrede van de geluidsfilm duren vooraleer dit genre echt aan bod zou komen. Het geluid is immers zeer belangrijk omdat de scènes aan intensiteit verliezen zonder het horen van revolverschoten, het gieren van banden, de piano in de bars en de hese stemmen van de gangsters zelf.
Volgens sommigen begint de filmgeschiedenis overigens pas echt als D.W.Griffith in 1915 "The Birth of a Nation" draait. Deze film over de Amerikaanse Burgeroorlog bracht namelijk miljoenen op en vanaf dat moment werd film een echte industrie.
Griffith, the man who invented Hollywood, legt in deze film de grondvesten voor de narratieve conventies, de montagestijl en de productietechnieken die Hollywood zouden gaan domineren. Daarnaast is dit historisch drama een uitzonderlijk voorbeeld van ideologische constructie in het medium film. Deze film uit 1915 is tot op vandaag immers het onderwerp van controverse. In “The Birth of a Nation” wordt de Amerikaanse natie gerepresenteerd als een familie in crisis, uit elkaar getrokken door 'de ander', het zwarte ras. We zien dat slavernij wordt geromantiseerd, de Ku Klux Klan wordt bejubeld en dat zwarten worden verbeeld als simpele geesten gedreven door lust en het kwade. De retorische kracht van deze film maakte dat “The Birth of a Nation” gretig gebruikt werd als instrument voor recrutering en indoctrinatie door de Ku Klux Klan.
Een van de stuntmannen in “The Birth of a Nation” was een twintigjarige Ierse immigrant Sean Aloysius O'Feeney, die zichzelf gemakshalve Jack Ford liet noemen. In 1923 zou hij, toen hij werd aangezocht om "serials" te draaien voor Universal, zijn voornaam nogmaals wijzigen in John. The rest is history.
De vrouwelijke hoofdrol werd gespeeld door Lillian Gish. Zij werd in 1893 geboren en zou in 1916 ook de hoofdrol spelen in "Intolerance" naast Bessie Love die (héél) veel later zelfs nog in "Reds" (Warren Beatty) zou te zien zijn. ''Intolerance” is alweer een megalomaan project van Griffith en tevens een antwoord op de kritiek op “The Birth of a Nation”. Toch blijft het een uniek document in de geschiedenis van de film. De technische virtuositeit en vindingrijkheid ervan evenaren en overtreffen zelfs de filmtaal van “The birth of a Nation”. En dat verklaart ook de invloed op o.a. Cecil B. DeMille, Sergej Eisenstein, V. Poedovkin, Fritz Lang en Abel Gance. De manifestwaarde van dit product laat zich resumeren in het persoonlijk statement en de rancune van een zogeheten miskend genie. Deze spektakelfilm, die Griffiths financieel bankroet inluidde, blijft een getuigenis voor zijn episch gevoel, zijn ethische naïviteit en zijn behoefte aan grote historische fresco's. De kritiek en het publiek hebben hem daarom niet gespaard. Wat bedoeld was als een blockbuster is een absolute flop geworden, maar blijft toch een essentieel tijdsdocument.
In 1919 sticht Mary Pickford samen met Douglas Fairbanks, Chaplin en Griffith United Artists, nog een jaar later huwt ze met Fairbanks.
In "Eyes of youth" speelt Rudolf Valentino zo levensecht een gigolo, die wordt ingehuurd om een deugdzame vrouw erin te luizen, dat June Mathis, de invloedrijkste vrouw van Hollywood, hem naar voren schuift voor de hoofdrol in "The Four Horsemen of the Apocalyps". Even lijkt het toch weer mis te gaan, omdat de studio niet op zijn looneisen wil ingaan, maar met "The Sheik" breekt hij dan toch door en wordt er niet meer gezeurd over een nulletje meer of minder. In "The Four Horsemen" krijgt hij als tegenspeelster Alice Terry (1899-1988), die datzelfde jaar (1921) nog met regisseur Rex Ingram (gestorven in 1950, niet te verwarren met de gelijknamige zwarte acteur, die "pas" in 1969 is gestorven) is getrouwd.
In 1923 stichten de vier Warner Brothers (Abe, Jack, Sam & Harry) de gelijknamige firma, datzelfde jaar nog gevolgd door MGM (Goldwyn Pictures, zijnde Samuel Goldwyn samen met Edgar en Arch Selwyn, fusioneert namelijk met Metro Productions), Columbia (Jack en Harry Cohn) en de Disney studio's.
June Mathis is ook één van de eerste filmscenaristen, die deze naam verdienen. Ze slaagde er o.m. in "Greed" van Eric von Stroheim (1923) van tien en een half uur tot vier en een half uur terug te brengen. In deze film wordt de symboliek overigens met grove borstelstreken aangebracht: een begrafenisstoet die passeert tijdens de trouwplechtigheid, twee gekooide vogels als huwelijksgeschenk, die trouwens meteen door een kat worden opgejaagd. Men zou kunnen denken dat dit een symbool is voor Marcus die zijn lief Trina had afgestaan aan McTeague, zoals het boek trouwens oorspronkelijk heette, en die daar vooral spijt van heeft als Trina het winnende lot in de loterij blijkt te hebben gekregen. De "greed" slaat trouwens vooral op haar, terwijl McTeague zelf een zwakkeling is. Toch wordt later duidelijk dat het meer een voorbode wil zijn van het beroepsverbod dat hem treft als men te weten komt dat hij zijn beroep van een charlatan heeft geleerd. Anderzijds is het wellicht Marcus die dit aan de autoriteiten heeft verklapt, zodat de twee symbolen samenvallen.
In maart 1924 begint Walt Disney zijn reeks langspeeltekenfilms met "Alice in Wonderland" en hetzelfde jaar maken we kennis met Rin Tin Tin, een Duitse herder die als puppy in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog was gevonden door luitenant Lee Duncan. Hij speelt in films als "The man from Hell's River" en "Find your man".
In 1926 draait Erich von Stroheim "Wedding march" met zijn vriendin Denise Vernac (1918-1984). De grootste nieuwkomer is echter Greta Garbo in "Torrent", haar eerste Amerikaanse film. Clark Gable is te zien in "The plastic age" met Clara Bow. Walter Pidgeon debuteert in "The outsiders".
In 1928 draait Raoul Walsh (niet zonder problemen met de censuur) "The red dance", waarin Dolores del Rio tijdens de Russische revolutie verliefd wordt op de man die ze zou moeten vermoorden (Charles Farrell).
In 1929 worden de eerste oscars uitgereikt. Zo zou Joseph Farnham de enige oscar krijgen die ooit werd uitgereikt voor "captions" (voor "The Fair Co-Ed", "Laugh, clown, laugh" en "Telling the world"). Janet Gaynor was de eerste actrice om een oscar te krijgen voor drie films: "Seventh heaven", "Sunrise" en "Street angel". Nadien werd ze gelanceerd als opvolgster van Mary Pickford in zoeterige films als "Sunny side up" (1929), "State Fair" (1933). In de overgang naar de sprekende film had ze wel haar partner Charles Farrell verloren.
Joan Crawford, die we reeds kenden uit "Lady of the night" (1925) met Norma Shearer (alhoewel, toen heette Joan Crawford nog Lucille LeSueur...), ging in "Hollywood revue of 1929" de geschiedenis in als de eerste hoorbare tapdanser. In deze film zat ook de eerste versie van "Singing in the rain". Maar er waren vooral veel films in de zin van "Why be good?", "Wild party", "Saturday night kid", kortom over "Our modern maidens" (Jack Conway), in navolging van het succes van Louise Brooks. Die leefde zelf al in onmin met Hollywood en ging in Europa "Das Tagebuch einer Verlorenen" draaien in een regie van Georg Wilhelm Pabst.
In 1931 besloot Darryl Zanuck, directeur van Warner Brothers, om meer realistische films te gaan draaien dan de zoete films van die tijd. Hij huurde een aantal journalisten in (Ben Hecht, Robert Riskin, William Burnett e.a.) om scenario's te schrijven die grote gelijkenissen vertoonden met de voorpagina's van de kranten uit die tijd. Ogenblikkelijk verdreef de gangsterfilm de western van de boxoffice.
In 1932 werkt Adolph Zukor Jesse Lasky buiten bij Paramount. In april ontstaat het "screenwriter's guild" om een tegengewicht te vormen tegen de willekeur van de regisseurs. De eerste voorzitter was John Howard Lawson, toen nog openlijk lid van de Amerikaanse KP. De tegenstelling kon niet groter zijn, want de voorzitter van "the screen directors guild" was de uiterst conservatieve Cecil B.De Mille. Er ontstaat zelfs een soort van Brill Building, waarin aan groepswerk wordt gedaan. O.a. Billy Wilder en John Huston zijn hieruit afkomstig, wat ook een nieuwe trend aangeeft: scenaristen worden regisseurs.
In 1934 veroorzaakt "Ecstasy" en vooral de 20-jarige Hedwig Kiesler opschudding door een partijtje naaktzwemmen. Louis B.Mayer (de tweede M van MGM) is erdoor zo van de kook dat hij ze naar Hollywood haalt en haar Hedy Lamarr doopt. Daar mocht ze echter niet meer uit de kleren gaan, want datzelfde jaar komt de fameuze "Hays Code" in voege die het "morele niveau" van de Hollywood-films wil hoog houden. Een eerste slachtoffer is Mae West, wier film "It ain't no sin" al meteen een andere titel moet krijgen: "I'm no angel". Hays verbood zowat vanalles, maar terwijl druggebruik b.v. niet in beeld mocht komen, werd er niets gezegd over alcohol.
Onder het bewind van Louis B.Mayer wordt MGM dé pilaar van het conservatieve Amerika. Alhoewel hij zich laat pijpen door een minderjarige Judy Garland en zelf superviseert "of haar borsten wel goed zijn ingebonden" voor "The wizard of Oz", terwijl hij haar de nodige pep- en kalmeermiddelen toestopt, wil hij op het scherm alleen maar "positieve" zaken tonen. Zo weigert hij zelfs gangsterfilms te produceren (wat de specialiteit van Warner Brothers zal worden), laat staan de fameuze "films noirs" (die dan maar door Fox worden ingepikt). Mayer heeft als het ware een eigen, verder doorgedreven Hays Code: geen zwangerschappen buiten het huwelijk, het huwelijk zelf als sacrosancte instelling en geen rebelse jongeren.
"It happened one night" van Frank Capra wint vijf oscars in 1934. Daarmee start ook de rage van de screwball comedy. In "Nana" van Dorothy Arzner werd de Russische actrice Anjoeska Stenski Soejakevitsj (°1908) door Samuel Goldwyn onder de naam Anna Sten gelanceerd als een tweede Greta Garbo. Ondanks het feit dat deze ontdekking van Stanislavski in de prille Sovjetunie reeds films had gedraaid, flopte deze film volledig. Men deed nog twee pogingen, maar toen ook die op niets uitliepen, verzeilde Anna Sten in B-films en (later) TV-feuilletons. Al is het niet helemaal een happy end, het mag toch een troost zijn dat zij als plastische kunstenares met haar schilderijen toch een zekere roem oogstte.
In 1935 neemt Adolph Zukor ontslag als hoofd van Paramount. Dat jaar is op 3 juni ook de eerste film "in technicolor" te zien, maar de personages in "Becky Sharp" van Rouben Mamoulian (naar Thackeray's "Vanity Fair") zagen er (met de woorden van een contemporaine recensent) uit als "gekookte zalmen die in mayonaise waren ondergedompeld". Mamoulian had de film geërfd omdat de oorspronkelijke regisseur aan longontsteking was gestorven, een ziekte die hoofdrolspeelster Myriam Hopkins ook bijna fataal werd.
Jean Arthur breekt door met "The whole town's talking" van John Ford (1935). Hierin speelt ze de gezonde en grappige "girl next door", die haar zo populair zou maken. In tegenstelling tot andere actrices weigerde Jean Arthur (die nochtans fotomodel was geweest) in badpak te poseren. Ze was dus duidelijk een meisje dat helemaal in de lijn van de Hays Code lag.
Naarmate de Verenigde Staten in de jaren dertig de gevolgen van de economische depressie te boven kwamen, verlegde de filmindustrie het accent van het exceptionele (rauwe gangsterfilms) naar het alledaagse, van het exotische (historische drama’s) en het onwerkelijke (Shirley Temple, showfilms) naar het reële en het eigentijdse. Al impliceert dat “alledaagse” niet dat de films meteen ook “realistisch” werden: sociale problemen werden verzwegen en iedere film moest sowieso op een happy end uitdraaien. De “tough guy” werd vervangen door “the boy next door” (type Clark Gable, Gary Cooper, James Stewart, Spencer Tracy of Cary Grant) om pas tijdens de Tweede Wereldoorlog weer op te duiken. De “vamp” werd vervangen door het type van de “goede kameraad” (Barbara Stanwyck, Claudette Colbert, Carole Lombard, Katherine Hepburn, later Ingrid Bergman). Deze vrouwen zijn tussen twintig en dertig, blond, handig, sportief en met het hart op de tong. Toen Hollywood door de oorlog de Europese markt verspeelde, trachtte men Greta Garbo, wier films vooral in Europa succes hadden, tot dit type om te scholen, maar het resultaat (“The two-faced woman” van George Cukor uit 1941) was een fiasco. Toch zal George Cukor vooral bekend worden als "women's director", al was hijzelf echter wel homoseksueel.
Howard Hawks (1896‑1977) is het prototype van een regisseur, die zich niet bindt aan één genre, maar die met zijn films wel een cruciale rol heeft gespeeld in de codificatie (of sterke definitie) van genres. Zo is "Scarface" (1932), hét voorbeeld van de klassieke gangsterfilm. De op Al Capone gebaseerde klassieker "Scarface" was geen pionier in het gangstergenre, maar wel een trendsetter. Vergeten we immers niet dat deze film amper twee jaar na de reële feiten werd gedraaid! Regisseur Hawks, cameraman Garmes (die zijn sporen verdiende bij Von Sternberg) en scenarist Ben Hecht brachten een film vol expliciet geweld zonder die agressie te veroordelen. Geen wonder dat de censoren van de Hays Office "Scarface" pas een jaar na afwerking groen licht gaven. En dan nog enkel na de aanpassing van de titel tot "Scarface, shame of a nation", het milderen van de gesuggereerde incestueuze relatie tussen Tony en zijn zus Cesca, het invoegen van een scène waarin de politie verdedigd werd (door een krantenuitgever) en het draaien van een alternatief einde (voor sommige staten) waarin Tony op bevel van de rechter opgeknoopt wordt. Een leuk weetje: Hawks probeerde zoveel mogelijk X‑en in beeld te krijgen. Een verwijzing naar het onderschrift 'X marks the spot where the corpse was' bij krantenfoto's van 'crime scenes'.
"The Big Sleep" (1946) groeide dan weer uit tot zowat de meest invloedrijke film noir. Vanaf de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende Koude Oorlog komen de Verenigde Staten in een periode van politieke instabiliteit terecht. Paranoia en een onderdrukt onveiligheidsgevoel zijn elementen die we terugvinden in o.a. het film noir genre. In “The Big Sleep” van Howard Hawks zien we hoe de maatschappelijke onzekerheid van die periode in beeld wordt gebracht. De ambiguïteit en de onduidelijkheid vinden we niet alleen terug in de visuele stijl, maar ook in de ambiguïteit van de personages zelf. Om het met Howard Hawks' eigen woorden te zeggen: 'Neither the author, the writer, nor myself knew who had killed whom.'
Verder is er natuurlijk ook de ultieme western "Rio Bravo" (1959) en in 1938 is "Bringing up baby" dan weer een typisch voorbeeld van een screwball comedy.
Samen met William Wyler draaide Howard Hawks in 1935 "Come and get it". Wyler had toen al "Dodsworth" en "These three" gedraaid. Later zouden nog volgen: The good fairy (1936); Dead end (1936); Wuthering Heights (1939); The letter (1939); Mrs.Miniver (1941) en "The heiress" met Olivia de Havilland, Montgomery Clift en Ralph Richardson. Deze film is gebaseerd op "Washington square" van Henry James. Een rijke weduwnaar, Dr.Sloper, prent zijn dochter in dat ze alleen voor fortuinjagers aantrekkelijk is. Die voorspelling blijkt uit te komen en zij zint op wraak. Zowel op haar liefdeloze vader als op haar trouweloze minnaar. Aaron Copland schreef erg ongeïnspireerde muziek voor deze film, waarvoor hij zich baseerde op het thema van "Plaisir d'amour".
In 1936 draaide Fritz Lang "Fury", gevolgd door "Man hunt" (1938). Hierin is de hoofdvertolkster eigenlijk een prostituée, maar dat mocht omwille van de Hays Code niet worden getoond of zelfs niet gesuggereerd. Daarom moest Lang een naaimachine in haar kamer installeren, zodat het erop leek dat ze met naaien aan de kost kwam. Zou men in het Amerikaans ook die woordspeling kunnen maken?
In 1936 overleed Irving Thalberg (de machtigste man in Hollywood, vandaar dat hij model stond voor "The last tycoon" van Scott Fitzgerald), net op een moment dat hij overhoop lag met Louis B.Mayer, zodat ook de carrière van zijn weduwe gehypotheceerd werd. In zekere zin stierf Thalberg net op tijd, want hij was zo anticommunistisch dat hij - als jood! - sympathieën begon te vertonen voor het nazisme. Bovendien had hij Mayer afgeraden de rechten te kopen voor "Gone with the wind", daarom ging diens schoonzoon David O.Selznick ermee lopen.
En nog in 1936 voegt ook Randolph Hearst zich bij de heksenjagers, nadat Mae West in "Klondike Annie" de draak had gestoken met het "acteertalent" (of beter: het ontbreken ervan) van zijn liefje Marion Davies, die overigens zelf niet eens begreep waarom Hearst zo boos was... Het is ook uit deze film dat de uitdrukking komt: "Tussen twee perversiteiten kies ik altijd die welke ik nog niet heb geprobeerd."
Alhoewel Mae West ondanks alle pesterijen redelijk populair bleef, was het in 1938 toch een braaf meisje als Deanna Durbin, die in "One hundred men and a girl" het voor de Box Office beter doet dan West in "Every day's a holiday".
Michael Curtiz draait in 1938 "Angels with dirty faces". Hierin maakt James Cagney komaf met het gebruik in de film dat men met scherp schoot (alleen Marcel Rosca zal dat blijkbaar nog doen). Uiteraard schoot men wel nààst de acteurs, maar een ongelukje was natuurlijk rap gebeurd.
"Algiers" van John Cronwell is een Amerikaanse remake van "Pépé le Moko" met Charles Boyer in de mannelijke hoofdrol naast Hedy Lamarr, die hiermee haar Hollywood-debuut maakt. Verder Frank Galleia als inspecteur Slimane die de gewiekste gangster uit zijn hol tracht te lokken.
Op 15 december 1939 gaat in het Grand Theater van Atlanta "Gone with the wind" (Victor Fleming) de eerste grote Amerikaanse blockbuster in kleur in première. Noch de vroegere pogingen met twee kleuren (tegelijk met de klankfilm), noch de tekenfilms in kleur hadden het grote publiek met dat fenomeen kunnen verzoenen. "Frankly, my dear, I don't give a damn," had Jan Publiek net zoals Clark Gable hiertegen gezegd.
Op 16/1/1942 wordt Carol Lombard gedood bij een vliegtuigongeluk. Errol Flynn en Lili Damita gaan in 1942 uit elkaar. Flynn was niet alleen een “verleidelijke verleider” en een vertegenwoordiger van de aloude mantel en degen-films, hij stond ook model voor een speciaal soort avonturenfilms, namelijk de piratenfilms.
In 1943 overlijdt de actrice Annette Sutherland bij een vliegtuigongeluk. Zij was de eerste echtgenote van Raymond Burr. Bela Lugosi is te zien in een anti-nazi, maar vooral anti-Japanse film. In "Black Dragons" van William Nigh speelt hij een nazistische plastische chirurg die Japanners in Amerikanen omtovert opdat ze op die manier ongehinderd zouden kunnen spioneren.
MGM geraakt in de problemen omdat Mayer te veel tijd en geld spendeert aan zijn nieuwe passie: paardenrennen. Tussen '46 en '48 was er geen enkel oscar weggelegd voor MGM. Nicholas Schenk, de voorzitter van de raad van bestuur, dreigde hem te ontslaan als hij er niet mee ophield. Daarop werden Mayers paarden openbaar verkocht en concurrent Warner kocht ze meestal op om hem te pesten.
In augustus werd Louis Mayer uiteindelijk toch door Schenk (die door Mayer "Skunk" werd genoemd) ontslagen omdat hijzelf gezegd had bij de aanwerving van een nieuwe producent, Boy Cherry, die veel te "liberal" was in de ogen van Mayer: hij of ik! Dat progressieve karakter van Cherry moet men evenwel met een grote zak zout nemen. Een voorbeeld daarvan was b.v. de film "The next voice you hear" met in de hoofdrol Nancy Davis, zijnde de latere mevrouw Nancy Reagan. In deze film is de voice in kwestie deze van God, die eventjes in de schoenen van Armand Pien gaat staan en een nieuwe zondvloed aankondigt.
In 1929 trouwde Irene Mayer (de dochter van Louis B.) met David O.Selznick, maar in 1948 liet ze zich van hem scheiden omdat hij verliefd was op zijn ontdekking, Jennifer Jones.
In 1948 gingen zowat tachtig miljoen mensen wekelijks naar de bioscoop; tien jaar (en de popularisering van de televisie) later waren er dat maar twaalf miljoen meer.
Die gingen in 1951 dan wel nog massaal naar "The African Queen": Humphrey Bogart en Katherine Hepburn in een gammel bootje, terwijl regisseur John Huston op olifanten ging jagen.
In "My Forbidden Past" van Robert Stevenson uit 1951 richt Ava Gardner in het New Orleans van het einde van de negentiende eeuw het huwelijk van de man naar wie ze verlangt, gespeeld door Robert Mitchum, ten gronde. "Storm warning" van Stuart Heisler gaat over de Ku Klux Klan.
"Twelve angry men" (Sidney Lumet) is hét "courtroom drama" bij uitstek, tenzij het "Witness for the prosecution" van Billy Wilder uit datzelfde jaar 1955 of "Anatomy of a murder" van Otto Preminger zou zijn. Om over "Beschuldigde sta op" nog te zwijgen natuurlijk!
In 1956 lanceert David O.Selznick "A farewell to arms" als opvolger van "Gone with the wind". De flop wordt mogelijkerwijs toegeschreven aan het feit dat de vrouwelijke hoofdrol door de op dat moment reeds 38-jarige Jennifer Jones werd gespeeld. Countryzanger Burl Ives (1910-1995) krijgt een oscar als beste mannelijke bijrol in "The big country" (William Wyler, 1957), die ook de Gouden Palm in Cannes wint. "Ben Hur" van William Wyler haalt een record aantal oscars binnen, nl.elf (waaronder beste film en beste acteur, uiteraard Charlton Heston, die de rol had overgenomen toen Rock Hudson hem had geweigerd). Slechts één nominatie werd niet in een oscar omgezet.
In 1968 wordt de Hays Code afgeschaft, echter niet zozeer omwille van "de revolutionaire jaren zestig" dan wel wegens het feit dat de televisie in de praktijk de censurerende invloed van de code had overgenomen. De zenders bepaalden immers wat wél en vooral wat niet kon. En er kon en kàn in Amerika véél niet...
De Lolita-film "Me Natalie" van Fred Coe uit 1969 (année érotique) vormt het debuut van Al Pacino, al weet ik niet precies welke rol hij hierin vertolkt.
Na de yuppie-films in de jaren tachtig werd 1991 ingezet met een aantal anti-yuppie-films, die wilden terugkeren naar "the basic values of life" in plaats van geld verdienen, status verwerven en macht uitoefenen als hoogste doel te stellen. Dat deze "basiswaarden" ook vaak conservatief Amerikaans zijn zoals "the family" is bijkomstig, zeker als men vaststelt dat één van de andere grote doelstellingen van deze films, de situatie van de "homeless", de daklozen, is. Dat was b.v. het onderwerp zowel van "The Fisher King" van Terry Gilliam als van "Life stinks" van Mel Brooks. Helaas was vooral deze laatste niet erg geslaagd, maar dat mag de pret niet drukken. De oscar voor de beste vrouwelijke bijrol daarentegen was voor Mercedes Ruehl in "The Fisher King".
Penny Marshall draaide "A league of their own" (1992). Het personage van de aan lager wal geraakte trainer Jimmy Dugan (gespeeld door Marshalls favoriete komedie-acteur, Tom Hanks) speelt hier ook op in.
Een andere baseball-film dat jaar was "Mr.Baseball" van Fred Schepisi met Tom Selleck die de Japanners leert honkballen en er onder de indruk komt van hun cultuur.
De hoofdvertolker van "The player", Tim Robbins, draaide in dat jaar van de Amerikaanse presidentsverkiezingen daarenboven ook nog een briljante satire daarop met "Bob Roberts". Hij weigerde overigens de liederen uit de soundtrack (geschreven samen met zijn broer David) uit te brengen "omdat ze in verkeerde handen zouden kunnen vallen" (*).
In 1994 nam de 87-jarige Katharine Hepburn afscheid van Hollywood met de TV-film "One Christmas" (met Swoozie Kurtz). Eerder in het jaar had ze nog haar laatste echte bioscoopfilm gedraaid: "Love affair" met Warren Beatty en Annette Bening.
In 1993 was er al "Jurassic Park" met "levende" dinosaurussen en een jaar later kon Tom Hanks in "Forrest Gump" John Lennon de hand drukken via computertechnieken. Als we sindsdien het filmaanbod bekijken, dan is het duidelijk dat de computer de overhand begint te halen op de camera.
Dat komt vooral omdat dit een weerslag heeft op de budgettering van bepaalde films. Roland Emmerich van "Independence Day" heeft het reeds gezegd: "Binnenkort zal het mogelijk zijn om in je garage een blockbuster te verfilmen." Niet dat zijn SF-succes voor een appel en een ei is gemaakt, maar de kosten werden toch zwaar gedrukt door het ontwerpen van eigen computertechnieken. En dat geldt o.a. ook voor "Twister", "Dragonheart" en "Jumanji".
En wat de toegankelijkheid van die technieken betreft, die is ook veel "democratischer" geworden. "Jurassic Park" kon ons nog met verstomming slaan, maar dezelfde technieken worden nu b.v. aangewend om Eddie Murphy in "The nutty professor" of Michael Keaton in "Multiplicity", eigenlijk twee B-filmpjes, zowaar met zichzelf te laten acteren.
Om je een idee te geven wat nu het verschil is met vroegere films waarin één acteur meerdere rollen speelde, kan het b.v. instructief zijn om nog eens naar "The Family Jewels" van en met Jerry Lewis te gaan kijken. Dat niveau is nu zo amateuristisch dat men dat niet meer zou aanvaarden.
De meest succesvolle film van 1995 in de VS was "Batman Forever" (184 miljoen dollar) vóór "Apollo 13" (172) en "Toy Story" (150,6), de eerste Disney-computertekenfilm.
In dat licht kunnen we ons ook verzoenen met een aantal grandioze flops, te beginnen uiteraard met de striptease-films, "Showgirls" van Paul Verhoeven en natuurlijk "Striptease" zelf met Demi Moore.
Wat had men overigens dat jaar toch met dit onderwerp? Zelfs in "Independence day" werd in een nevenintrige geduldig uitgelegd dat dit in feite een eerzaam beroep is. Zoals het in de Verenigde Staten wordt beoefend, hebben we daarover een ietwat afwijkende mening, maar het is waar dat we in "Exotica" van de Canadees Atom Egoyan wel geneigd waren dit zelfs als een soort kunstvorm te aanvaarden.
In 1998 werd met veel omhaal verkondigd "dat Hollywood niet meer bang was van de dood". Een aantal films (zoals b.v. "What dreams may come" met Robin Williams) handelden inderdaad over de dood, maar net als vroeger in "Ghost" of "Always" werd ze als een soort sprookje behandeld. Men kan zich dus met recht en rede afvragen of dit een vooruitgang is. Nee, als het erop aankomt, kiest Hollywood nog steeds voor het "happy end". Zo werd voor "The horse whisperer" het einde van het boek gewoonweg in tegengestelde zin gewijzigd: in plaats van bij zijn geliefde te blijven, keert de "held" terug naar moeder de vrouw...
En 1999 was natuurlijk het jaar van Internet. Wordt door het internet een virtuele eskimo uit Alaska immers niet een dichtere buur dan de Marokkaan naast de deur? Niet noodzakelijk. Want die virtuele eskimo blijkt uiteindelijk vaak een identiteit fakende surfer aan de andere kant van het cybercafé te zijn, die men op de koop toe in de realiteit niet kan uitstaan, terwijl hij of zij op het net helemaal anders overkwam (cfr. de film "You've got mail"). Vroeger veinsde men immers orgasmes, nu veinst men virtuele identiteiten. "You've got mail" (waarin Meg Ryan en Tom Hanks hun zoetzuur nummertje uit "Sleepless in Seattle" nog eens mogen overdoen) is overigens een remake van "The shop around the corner", een film uit de jaren veertig van Ernst Lubitsch, waarin James Stewart en Margaret Sullivan net zoals Ryan en Hanks een concurrerend winkeltje hebben, alleen waren zij toen wel pennevrienden i.p.v. mailsurfers.
Hollywood is ondertussen niet langer meer de cinema van 'stars' en 'genres'. De hedendaagse kritiek ziet overal hybride genres, genrevermengingen en ‑overschrijdingen. Cineasten ‑ en televisiemakers ‑ mengen (in volle vrijheid, zo lijkt) alle mogelijke soorten genres. En zo ontstaan gedrochten als 'docusoaps', 'infotainment' en 'psychologische horrorthrillers'. De postmoderne beeldenmakerij luidt op die manier het einde in van de traditionele genres. Of zelfs van genres in het algemeen!
Ronny De Schepper
(*) Dit is te vergelijken met het probleem dat ik met "Tomorrow belongs to me" uit “Cabaret” heb. Ik vind het een prachtig nummer, maar... het is wél het lied van de Hitlerjugend!
Selectieve bibliografie
Roy Pickard, The Hollywood Studios.
Leslie Halliwell, Mountain of dreams, the golden years of Paramount Pictures.
I.G.Edmonds & Reiko Mimura, Paramount Pictures and the people who made them.
De operazanger die sneller schiet dan zijn schaduw
Nu iedereen het heeft over “Munich”, de nieuwste speelfilm van Steven Spielberg, schoot het me opnieuw te binnen dat ik zo’n vijftien jaar geleden nog een gesprek heb gehad met een ooggetuige van dit drama. En dat was voor mezelf wel een verrassing, want mijn gesprekspartner was... een operazanger! De Roemeense basbariton Marcel Rosca was echter aanwezig op de Olympische Spelen van München 1972 als pistoolschutter en bood zich, net als een aantal collega-schutters, als vrijwilliger aan om de gijzelnemers neer te schieten. Zijn verhaal.
"Toen ik twintig was, heb ik nog een soort van Songfestival gewonnen in Roemenië. Ik zong toen vooral in een theaterorkest, waarmee ik zowel radio- als televisiewerk deed. Ik was dus eerder bekend als zanger dan als sportman, want een echt populaire sport kan je pistoolschieten natuurlijk niet noemen, al is het maar omdat het moeilijk in beeld te brengen is op televisie. Maar ik was wél populair in die zin dat het communistische regime van Roemenië in die tijd, zoals alle communistische landen, vooral via de sport goodwill wilde creëren in het buitenland, maar ook in het binnenland."
"In films combineerde ik ook wel de twee. Zo heb ik in een aantal cowboyfilms opgetreden, waarin ik met scherp schoot. De koord van een gehangene doorschieten, een gat in een emmer water, iemand de hoed van het hoofd schieten, van die dingen."
SECURITATE
"Maar dan neemt mijn leven echter een tragische wending. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken had immers andere plannen met mij. Zo werd ik benoemd tot officier bij de gevreesde geheime politie, de Securitate. Tijdens mijn opleiding was dat eigenlijk wel interessant, want zo leerde ik de ware situatie in ons land kennen. Maar ik had helemaal geen zin om dienst te nemen in de Securitate en ik toonde dat ook openlijk. Toen dat niet hielp, heb ik de regelrechte imbeciel uitgehangen, ik kan het niet beter zeggen, tot ze me uiteindelijk lieten gaan. Ook omdat ik toch enige bekendheid had."
"Ik ben toen getransfereerd naar de gewone politie, waar ik een sportieve functie kon bekleden bij Dynamo, de politieclub. Toch bleef ik onder druk staan omdat men steeds van mij een spion wou maken, b.v. als ik in het buitenland zat voor mijn sport. En dat gebeurde meer dan eens. Zo werd ik Europees kampioen in 1965, nadat ik reeds tal van nationale titels had behaald. In 1967 heb ik een wereldrecord gevestigd en ik won ook de pre-Olympische Spelen in Mexico. Ik was dus de gedoodverfde favoriet. Maar toen gebeurde er een persoonlijk drama."
"Ik was in die tijd verloofd met een zeer mooie Roemeense filmactrice, we hadden zelfs reeds de trouwringen besteld. In Mexico zei een vriend echter tegen mij: als je echt van plan bent met haar te trouwen, dan moet ik je toch eens iets vertellen. Ik ga je nu niet verklappen wàt hij me juist te vertellen had, maar op twee dagen tijd ben ik wel zeven kilo vermagerd! Je kan je dus voorstellen dat ik niet bepaald in topvorm was. In de beginfase van de wedstrijd heb ik dan ook alle kansen op een gouden medaille verspeeld. Later heb ik me toch min of meer hervat, want voor de tweede plaats was er een barrage nodig met twee andere concurrenten en die heb ik dan toch verslagen."
MÜNCHEN
"In 1972 vonden dan de Olympische Spelen van München plaats, die dus uitdraaiden op een regelrechte tragedie. Voor mij waren ze trouwens reeds als een persoonlijke tragedie begonnen: ik werd slechts als reserve meegenomen omdat mijn gezondheid niet honderd procent was. Uiteindelijk ben ik niet aan bod gekomen, ook al presteerden de andere leden van de ploeg, op de zilveren medaille van Dan Iuga na, zeer zwak."
"Maar de echte tragedie is natuurlijk gebeurd met de Israëlische ploeg, waarin overigens vele uitgeweken Roemeense joden zaten. Daaronder ook de trainer van het pistoolschieten, Shor, die ooit nog voor Roemenië was uitgekomen. De avond voor de inval van de Palestijnse terroristen ontmoette ik hem in de club van het Olympisch dorp. Ik had een paar flessen Roemeense wijn meegebracht en hij gaf me een sleutelhanger van de Israëlische Olympische ploeg. Nadat we samen van de wijn hadden geproefd, stelde hij voor dat ik mee zou gaan naar de appartementen van de Israëli's die wat ruimer waren dan die van ons of van de andere ploegen. Wij logeerden in een gebouw met een tiental verdiepingen, terwijl dat van de Israëli's slechts twee verdiepingen telde. Kom mee, zei hij, want ik heb toch nog een kamer vrij. Dat zag ik wel zitten, maar net toen ik het gebouw wilde binnengaan, kwamen we een aantal andere Roemeense sporters tegen die naar de film gingen. Ik liet me overhalen, Shor niet. Niks erg, zei ik, we zien mekaar morgen of overmorgen dan nog wel eens. Diezelfde nacht vielen echter de Palestijnen binnen en werd hij gedood. Aangezien ik bij mijn vlucht uit Roemenië alles heb moeten achterlaten, ben ik al mijn soevenirs kwijt, maar via-via heb ik toch gedaan kunnen krijgen dat ik nu opnieuw in het bezit ben van die sleutelhanger, want die betekent heel wat voor mij."
"Net zoals bij de andere schutters heeft heel die actie nogal wat teweeg gebracht bij mij. We zaten op slechts een kleine afstand van het drama en we mochten niets doen. Een aantal eliteschutters hebben zich toen aangeboden om de terroristen neer te leggen, maar dat mocht niet van de politie."
"In die tijd zat Ceaucescu in Moscou, zodat de politieke afgevaardigde die de ploeg vergezelde, niet helemaal wist wat hem te doen stond in verband met de herdenkingsplechtigheid in het Olympisch stadion. De andere communistische landen gingen daar immers niet naartoe. In die tijd ging Roemenië echter soms tegen de consignes van Moscou in. Dat was wel meer show dan realiteit, maar kom. Op die manier verkregen we van Boekarest de toelating om toch te gaan. Terwijl we nog in de telefooncentrale stonden, kwam er echter een telefoontje van de Russen om ons tegen te houden. Wat jammer, antwoordde de delegatieleider terwijl we allemaal nog rond hem stonden: ze zijn net vertrokken..."
NADIA COMANECI
"De druk om diensten te verrichten voor de Securitate hield echter niet op. In 1976 werd ik geselecteerd voor de Olympische Spelen van Montreal, waar Nadia Comaneci, overigens een vriendin van mij, zo zou uitblinken. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken wist me echter te melden dat als ik nù niet op hun eisen inging, ik mijn sportcarrière wel mocht vergeten. Bovendien zei men mij dat ik ook moest ophouden met zingen en acteren. Men haalde daarvoor een wet aan, waarin stond dat iemand die voor het Ministerie werkte, geen andere bijverdiensten mocht hebben."
"Ondertussen hadden ze me zo gepest dat ik dan maar alles opgaf. In 1977 moest ik een soort van zelfkritiek maken, waarna ik aan het werk ging als de laagste bediende op het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Zelfs al had ik toen nog aan sport, toneel of zang willen doen, door het feit dat ik tien uur per dag moest werken, zou er toch niks meer van gekomen zijn. Dat heeft twee jaar geduurd, tot het hoofd van de spionage overliep naar de Verenigde Staten. Daardoor werden natuurlijk tal van spionnen ontmaskerd en moest Ceaucescu een beroep doen op wat je zijn reserve zou kunnen noemen. Zo kreeg ik opnieuw de graad van majoor en werd ik weer opgeroepen om een trainingskamp van de Securitate te gaan volgen, deze keer meer gericht op diensten in het buitenland."
TRANEN VOOR CEAUCESCU
"Ik wist duidelijk dat dit geen werk voor mij was, maar omdat men nu eenmaal met een tekort aan manschappen te kampen had, gooide men voor mij de rode loper uit. Ik mocht plotseling à volonté opnemen voor radio en televisie en met het radio-orkest van Boekarest heb ik een grote toernee gemaakt door zowat alle communistische landen. Daarbij heb ik voor de hoogste top gezongen, zowel voor Brezjnev als voor alle andere presidenten van die landen. En natuurlijk ook voor Ceaucescu zelf, waarbij ik, net zoals bij die andere gelegenheden, steeds werd afgetast vooraleer ik mocht optreden."
"Bovendien deed er zich bij Ceaucescu iets eigenaardigs voor. Ik kreeg namelijk altijd de tranen in de ogen. En dat was zeker niet van ontroering, geloof me vrij! Toen ik daarover sprak met collega's, bleek dat ook zij daarvan last hadden. Daarom nemen we aan dat we met een soort van spray werden bewerkt, zodat we hem niet goed konden zien zitten."
"In 1980 werd ik dan eindelijk vast aangeworven bij de Staatsopera van Boekarest. Dat betekende het definitieve einde van mijn sportieve carrière, want het was me onmogelijk om die twee nog verder te combineren. Ik moest immers veel studeren, want ik had heel wat verloren tijd in te halen."
"Toen ik in 1981 uitgenodigd werd voor optredens in Frankrijk en Duitsland, kreeg ik opnieuw de Securitate over de vloer om me aan mijn opdracht te herinneren. Ik leverde toen de meest stupiede rapporten af, die je je maar kunt indenken, maar bij het Ministerie zijn ze ook niet dom en ze hadden al vlug mijn spelletje door. Van dan af herbegonnen de pesterijen. Ik kreeg geen uitreisvisum meer."
"In juni 1985 dacht men blijkbaar dat ik murw genoeg geworden was, zodat ik opnieuw werd opgeroepen voor een kamp van de Securitate in het kader van de strijd tegen het terrorisme, zoals het officieel werd geformuleerd. In werkelijkheid betekende dit dat men juist tot terrorist werd opgeleid. Merkwaardig was ook dat men daar naar het schijnt drugs kreeg aangeboden. Aangezien ik uiteindelijk niet naar dat kamp ben gegaan, kan ik dat niet bevestigen, maar dat is wel wat me werd gezegd."
"Ik ben aan die oproep ontsnapt door me tot een hooggeplaatste generaal te wenden, die bekend stond voor zijn anti-Ceaucescu-houding. Een minister uit diezelfde entourage heeft me toen bovendien een paspoort voor Duitsland gegeven. Daar heb ik me onmiddellijk in verbinding gesteld met de Duitse politie, maar ik werd helemaal niet goed ontvangen! Klaarblijkelijk had iemand op het Duitse Ministerie van Binnenlandse Zaken een rapport tegen mij opgesteld. Hoe dan ook, gedurende vier jaar werd het me verboden me buiten de stad te begeven, zodanig zelfs dat ik een contract voor een optreden in de kathedraal van Metz eigenlijk clandestien ben nagekomen."
"Maar ik was gelukkig nog in leven te zijn. Na een paar jaar heb ik zelfs mijn moeder kunnen laten overkomen, al had die wel de expliciete boodschap meegekregen dat ik moest ophouden met interviews te geven voor Radio Free Europe en artikels tegen Ceaucescu te schrijven, als ik tenminste in leven wilde blijven..."
"Ondertussen hebben in Roemenië de gebeurtenissen plaatsgevonden die iedereen wel kent en die ik toejuich, maar ik ben tot nu toe (1992, RDS) toch nog niet teruggekeerd, want je weet maar nooit. Daarbij, ik heb het nu veel te druk met allerlei contracten in het buitenland. Mijn stem is immers teruggekomen, godzijdank, want door de psychische druk ben ik die op een bepaald moment kwijt geweest."
"En ik ben ook opnieuw beginnen schieten. In de politieploeg van Essen. Het gaat zelfs nog erg goed. Ik ben meteen tot trainer van de ploeg aangesteld en ik denk zelfs dat ik mits enige oefening opnieuw op wereldniveau zou kunnen presteren. Tenslotte zijn er zelfs schutters van zestig jaar oud! Maar ik heb echt geen tijd meer om mij erop toe te leggen."
"Schieten is immers een zéér intensieve sport. Een tijdje geleden is mijn trainer, Stefan Petrescu, de Olympische Kampioen van Melbourne 1956, gestorven op zestigjarige leeftijd. Het is het zoveelste slachtoffer van deze harde sport. Vele van mijn collega's zijn jong gestorven op een tragische wijze. Hartinfarct is bijna een normale doodsoorzaak. Stefan Petrescu rookte bovendien enkele pakjes per dag, zelfs na een aantal infarcten. Zelfmoord komt ook heel vaak voor. Dat heeft te maken met de enorme concentratie die de sport vergt. Men zou eigenlijk niets anders om het hoofd mogen hebben. En aangezien ieder mens in zijn leven wel eens problemen heeft..."
Dit gesprek vond plaats tijdens de opnamen van "La Bohème" in de BRTN-studio's in 1992. Op 4 maart 1994 vond ik Rosca nog eens terug in de productie "Flamma-Flamma" van Nicholas Lens, Herman Portocarero en Myriam Thijs en van 10 tot en met 14 juli 1997 zong hij in de “Don Giovanni”-productie op de Grote Markt van Mechelen. Dat is het laatste wat ik over hem heb vernomen. Maar ik neem aan dat hij nog altijd actief is als zanger, al zal hij zijn comeback als schutter ondertussen wel hebben laten varen... Voor wie echter nog meer wil vernemen over deze merkwaardige man, voeg ik hier ook nog het verhaal over zijn jeugd aan toe.
"Ik werd geboren in Boekarest uit geen alledaags gezin: mijn moeder was sopraan, mijn vader bas. Maar ik geef toe, het omgekeerde zou nog merkwaardiger geweest zijn. Dat mijn vader een bas was, was eigenlijk niet zo verwonderlijk, want hij was afkomstig uit Bas-Arabië, dat nog voor de revolutie reeds bezet was door Rusland. Aangezien hij reeds in de vijftig was, toen hij mij heeft 'verwekt', is het zelfs zo dat hij als socialist nog tegen de Bolsjevisten heeft gevochten. Na de nederlaag heeft hij Rusland verlaten door te doen alsof hij een been was verloren. Daarvoor paste hij de bekende truuk toe van zijn onderbeen aan zijn bovenbeen vast te binden en dat dan onder een grote mantel te verbergen."
BOKSEN
"In Roemenië maakte ikzelf op driejarige leeftijd mijn debuut op de scène in de operette 'Pericola'. Een jaar later speelde ik reeds piano. Toen ik een jaar of tien was, maakte ik deel uit van een jeugdorkestje met nog twee oudere jongens van een jaar of vijftien. Daarmee trokken we naar Hongarije, waar we een pistool vonden, want dat was in 1957, vlak na de opstand. Dat pistool hebben we dan meegebracht en we oefenden stiekem in de garage van mijn ouders."
"Omdat we echter geen patronen hadden, ben ik lid geworden van een club van de Pioniers, de jeugdafdeling van de Communistische Partij. Elk lid ontving immers vijf cartouches. Daarvan schoot ik er één middenin de roos en de vier andere verborg ik in mijn zak, om ze mee te nemen voor mijn vrienden. De trainer vroeg zich af hoe dat nu mogelijk was: één kogel schiet je recht in de roos en de andere schiet je er zo ver naast dat we ze zelfs niet kunnen terugvinden!"
"Op een dag werden we dan toch betrapt door de politie en moesten we een kleine geldboete betalen. Maar ik ben wel lid gebleven van die club. Nadien ben ik overgegaan naar een militaire ploeg, want dat was de enige manier om in Roemenië deze sport te kunnen beoefenen. Tegelijkertijd deed ik mijn ingangsexamen voor het conservatorium. Ik had goede punten voor zingen, maar merkwaardig genoeg kreeg ik onvoldoende voor mijn kennis van het Roemeens. Dan ben ik maar in het leger gegaan."
"Na mijn legerdienst heb ik me ingeschreven voor een theater- en filmopleiding. Terwijl ik studeerde, beoefende ik ook nog andere sporten. Roeien b.v., meer bepaald de vier zonder stuurman. Hierin heb ik ook nog een nationale titel bij de juniors behaald. En boksen heb ik ook nog gedaan, zoals je nog aan mijn gezicht kunt zien. Na twee jaar moest ik daarmee dan ook stoppen op last van mijn toneelleraar. Hoe wil je nu ooit een filmvedette worden als je je gezicht tot moes laat slaan? zei hij. Maar let op, hé, ik won ook wel eens wedstrijden!"
Ronny De Schepper
"Toen ik twintig was, heb ik nog een soort van Songfestival gewonnen in Roemenië. Ik zong toen vooral in een theaterorkest, waarmee ik zowel radio- als televisiewerk deed. Ik was dus eerder bekend als zanger dan als sportman, want een echt populaire sport kan je pistoolschieten natuurlijk niet noemen, al is het maar omdat het moeilijk in beeld te brengen is op televisie. Maar ik was wél populair in die zin dat het communistische regime van Roemenië in die tijd, zoals alle communistische landen, vooral via de sport goodwill wilde creëren in het buitenland, maar ook in het binnenland."
"In films combineerde ik ook wel de twee. Zo heb ik in een aantal cowboyfilms opgetreden, waarin ik met scherp schoot. De koord van een gehangene doorschieten, een gat in een emmer water, iemand de hoed van het hoofd schieten, van die dingen."
SECURITATE
"Maar dan neemt mijn leven echter een tragische wending. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken had immers andere plannen met mij. Zo werd ik benoemd tot officier bij de gevreesde geheime politie, de Securitate. Tijdens mijn opleiding was dat eigenlijk wel interessant, want zo leerde ik de ware situatie in ons land kennen. Maar ik had helemaal geen zin om dienst te nemen in de Securitate en ik toonde dat ook openlijk. Toen dat niet hielp, heb ik de regelrechte imbeciel uitgehangen, ik kan het niet beter zeggen, tot ze me uiteindelijk lieten gaan. Ook omdat ik toch enige bekendheid had."
"Ik ben toen getransfereerd naar de gewone politie, waar ik een sportieve functie kon bekleden bij Dynamo, de politieclub. Toch bleef ik onder druk staan omdat men steeds van mij een spion wou maken, b.v. als ik in het buitenland zat voor mijn sport. En dat gebeurde meer dan eens. Zo werd ik Europees kampioen in 1965, nadat ik reeds tal van nationale titels had behaald. In 1967 heb ik een wereldrecord gevestigd en ik won ook de pre-Olympische Spelen in Mexico. Ik was dus de gedoodverfde favoriet. Maar toen gebeurde er een persoonlijk drama."
"Ik was in die tijd verloofd met een zeer mooie Roemeense filmactrice, we hadden zelfs reeds de trouwringen besteld. In Mexico zei een vriend echter tegen mij: als je echt van plan bent met haar te trouwen, dan moet ik je toch eens iets vertellen. Ik ga je nu niet verklappen wàt hij me juist te vertellen had, maar op twee dagen tijd ben ik wel zeven kilo vermagerd! Je kan je dus voorstellen dat ik niet bepaald in topvorm was. In de beginfase van de wedstrijd heb ik dan ook alle kansen op een gouden medaille verspeeld. Later heb ik me toch min of meer hervat, want voor de tweede plaats was er een barrage nodig met twee andere concurrenten en die heb ik dan toch verslagen."
MÜNCHEN
"In 1972 vonden dan de Olympische Spelen van München plaats, die dus uitdraaiden op een regelrechte tragedie. Voor mij waren ze trouwens reeds als een persoonlijke tragedie begonnen: ik werd slechts als reserve meegenomen omdat mijn gezondheid niet honderd procent was. Uiteindelijk ben ik niet aan bod gekomen, ook al presteerden de andere leden van de ploeg, op de zilveren medaille van Dan Iuga na, zeer zwak."
"Maar de echte tragedie is natuurlijk gebeurd met de Israëlische ploeg, waarin overigens vele uitgeweken Roemeense joden zaten. Daaronder ook de trainer van het pistoolschieten, Shor, die ooit nog voor Roemenië was uitgekomen. De avond voor de inval van de Palestijnse terroristen ontmoette ik hem in de club van het Olympisch dorp. Ik had een paar flessen Roemeense wijn meegebracht en hij gaf me een sleutelhanger van de Israëlische Olympische ploeg. Nadat we samen van de wijn hadden geproefd, stelde hij voor dat ik mee zou gaan naar de appartementen van de Israëli's die wat ruimer waren dan die van ons of van de andere ploegen. Wij logeerden in een gebouw met een tiental verdiepingen, terwijl dat van de Israëli's slechts twee verdiepingen telde. Kom mee, zei hij, want ik heb toch nog een kamer vrij. Dat zag ik wel zitten, maar net toen ik het gebouw wilde binnengaan, kwamen we een aantal andere Roemeense sporters tegen die naar de film gingen. Ik liet me overhalen, Shor niet. Niks erg, zei ik, we zien mekaar morgen of overmorgen dan nog wel eens. Diezelfde nacht vielen echter de Palestijnen binnen en werd hij gedood. Aangezien ik bij mijn vlucht uit Roemenië alles heb moeten achterlaten, ben ik al mijn soevenirs kwijt, maar via-via heb ik toch gedaan kunnen krijgen dat ik nu opnieuw in het bezit ben van die sleutelhanger, want die betekent heel wat voor mij."
"Net zoals bij de andere schutters heeft heel die actie nogal wat teweeg gebracht bij mij. We zaten op slechts een kleine afstand van het drama en we mochten niets doen. Een aantal eliteschutters hebben zich toen aangeboden om de terroristen neer te leggen, maar dat mocht niet van de politie."
"In die tijd zat Ceaucescu in Moscou, zodat de politieke afgevaardigde die de ploeg vergezelde, niet helemaal wist wat hem te doen stond in verband met de herdenkingsplechtigheid in het Olympisch stadion. De andere communistische landen gingen daar immers niet naartoe. In die tijd ging Roemenië echter soms tegen de consignes van Moscou in. Dat was wel meer show dan realiteit, maar kom. Op die manier verkregen we van Boekarest de toelating om toch te gaan. Terwijl we nog in de telefooncentrale stonden, kwam er echter een telefoontje van de Russen om ons tegen te houden. Wat jammer, antwoordde de delegatieleider terwijl we allemaal nog rond hem stonden: ze zijn net vertrokken..."
NADIA COMANECI
"De druk om diensten te verrichten voor de Securitate hield echter niet op. In 1976 werd ik geselecteerd voor de Olympische Spelen van Montreal, waar Nadia Comaneci, overigens een vriendin van mij, zo zou uitblinken. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken wist me echter te melden dat als ik nù niet op hun eisen inging, ik mijn sportcarrière wel mocht vergeten. Bovendien zei men mij dat ik ook moest ophouden met zingen en acteren. Men haalde daarvoor een wet aan, waarin stond dat iemand die voor het Ministerie werkte, geen andere bijverdiensten mocht hebben."
"Ondertussen hadden ze me zo gepest dat ik dan maar alles opgaf. In 1977 moest ik een soort van zelfkritiek maken, waarna ik aan het werk ging als de laagste bediende op het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Zelfs al had ik toen nog aan sport, toneel of zang willen doen, door het feit dat ik tien uur per dag moest werken, zou er toch niks meer van gekomen zijn. Dat heeft twee jaar geduurd, tot het hoofd van de spionage overliep naar de Verenigde Staten. Daardoor werden natuurlijk tal van spionnen ontmaskerd en moest Ceaucescu een beroep doen op wat je zijn reserve zou kunnen noemen. Zo kreeg ik opnieuw de graad van majoor en werd ik weer opgeroepen om een trainingskamp van de Securitate te gaan volgen, deze keer meer gericht op diensten in het buitenland."
TRANEN VOOR CEAUCESCU
"Ik wist duidelijk dat dit geen werk voor mij was, maar omdat men nu eenmaal met een tekort aan manschappen te kampen had, gooide men voor mij de rode loper uit. Ik mocht plotseling à volonté opnemen voor radio en televisie en met het radio-orkest van Boekarest heb ik een grote toernee gemaakt door zowat alle communistische landen. Daarbij heb ik voor de hoogste top gezongen, zowel voor Brezjnev als voor alle andere presidenten van die landen. En natuurlijk ook voor Ceaucescu zelf, waarbij ik, net zoals bij die andere gelegenheden, steeds werd afgetast vooraleer ik mocht optreden."
"Bovendien deed er zich bij Ceaucescu iets eigenaardigs voor. Ik kreeg namelijk altijd de tranen in de ogen. En dat was zeker niet van ontroering, geloof me vrij! Toen ik daarover sprak met collega's, bleek dat ook zij daarvan last hadden. Daarom nemen we aan dat we met een soort van spray werden bewerkt, zodat we hem niet goed konden zien zitten."
"In 1980 werd ik dan eindelijk vast aangeworven bij de Staatsopera van Boekarest. Dat betekende het definitieve einde van mijn sportieve carrière, want het was me onmogelijk om die twee nog verder te combineren. Ik moest immers veel studeren, want ik had heel wat verloren tijd in te halen."
"Toen ik in 1981 uitgenodigd werd voor optredens in Frankrijk en Duitsland, kreeg ik opnieuw de Securitate over de vloer om me aan mijn opdracht te herinneren. Ik leverde toen de meest stupiede rapporten af, die je je maar kunt indenken, maar bij het Ministerie zijn ze ook niet dom en ze hadden al vlug mijn spelletje door. Van dan af herbegonnen de pesterijen. Ik kreeg geen uitreisvisum meer."
"In juni 1985 dacht men blijkbaar dat ik murw genoeg geworden was, zodat ik opnieuw werd opgeroepen voor een kamp van de Securitate in het kader van de strijd tegen het terrorisme, zoals het officieel werd geformuleerd. In werkelijkheid betekende dit dat men juist tot terrorist werd opgeleid. Merkwaardig was ook dat men daar naar het schijnt drugs kreeg aangeboden. Aangezien ik uiteindelijk niet naar dat kamp ben gegaan, kan ik dat niet bevestigen, maar dat is wel wat me werd gezegd."
"Ik ben aan die oproep ontsnapt door me tot een hooggeplaatste generaal te wenden, die bekend stond voor zijn anti-Ceaucescu-houding. Een minister uit diezelfde entourage heeft me toen bovendien een paspoort voor Duitsland gegeven. Daar heb ik me onmiddellijk in verbinding gesteld met de Duitse politie, maar ik werd helemaal niet goed ontvangen! Klaarblijkelijk had iemand op het Duitse Ministerie van Binnenlandse Zaken een rapport tegen mij opgesteld. Hoe dan ook, gedurende vier jaar werd het me verboden me buiten de stad te begeven, zodanig zelfs dat ik een contract voor een optreden in de kathedraal van Metz eigenlijk clandestien ben nagekomen."
"Maar ik was gelukkig nog in leven te zijn. Na een paar jaar heb ik zelfs mijn moeder kunnen laten overkomen, al had die wel de expliciete boodschap meegekregen dat ik moest ophouden met interviews te geven voor Radio Free Europe en artikels tegen Ceaucescu te schrijven, als ik tenminste in leven wilde blijven..."
"Ondertussen hebben in Roemenië de gebeurtenissen plaatsgevonden die iedereen wel kent en die ik toejuich, maar ik ben tot nu toe (1992, RDS) toch nog niet teruggekeerd, want je weet maar nooit. Daarbij, ik heb het nu veel te druk met allerlei contracten in het buitenland. Mijn stem is immers teruggekomen, godzijdank, want door de psychische druk ben ik die op een bepaald moment kwijt geweest."
"En ik ben ook opnieuw beginnen schieten. In de politieploeg van Essen. Het gaat zelfs nog erg goed. Ik ben meteen tot trainer van de ploeg aangesteld en ik denk zelfs dat ik mits enige oefening opnieuw op wereldniveau zou kunnen presteren. Tenslotte zijn er zelfs schutters van zestig jaar oud! Maar ik heb echt geen tijd meer om mij erop toe te leggen."
"Schieten is immers een zéér intensieve sport. Een tijdje geleden is mijn trainer, Stefan Petrescu, de Olympische Kampioen van Melbourne 1956, gestorven op zestigjarige leeftijd. Het is het zoveelste slachtoffer van deze harde sport. Vele van mijn collega's zijn jong gestorven op een tragische wijze. Hartinfarct is bijna een normale doodsoorzaak. Stefan Petrescu rookte bovendien enkele pakjes per dag, zelfs na een aantal infarcten. Zelfmoord komt ook heel vaak voor. Dat heeft te maken met de enorme concentratie die de sport vergt. Men zou eigenlijk niets anders om het hoofd mogen hebben. En aangezien ieder mens in zijn leven wel eens problemen heeft..."
Dit gesprek vond plaats tijdens de opnamen van "La Bohème" in de BRTN-studio's in 1992. Op 4 maart 1994 vond ik Rosca nog eens terug in de productie "Flamma-Flamma" van Nicholas Lens, Herman Portocarero en Myriam Thijs en van 10 tot en met 14 juli 1997 zong hij in de “Don Giovanni”-productie op de Grote Markt van Mechelen. Dat is het laatste wat ik over hem heb vernomen. Maar ik neem aan dat hij nog altijd actief is als zanger, al zal hij zijn comeback als schutter ondertussen wel hebben laten varen... Voor wie echter nog meer wil vernemen over deze merkwaardige man, voeg ik hier ook nog het verhaal over zijn jeugd aan toe.
"Ik werd geboren in Boekarest uit geen alledaags gezin: mijn moeder was sopraan, mijn vader bas. Maar ik geef toe, het omgekeerde zou nog merkwaardiger geweest zijn. Dat mijn vader een bas was, was eigenlijk niet zo verwonderlijk, want hij was afkomstig uit Bas-Arabië, dat nog voor de revolutie reeds bezet was door Rusland. Aangezien hij reeds in de vijftig was, toen hij mij heeft 'verwekt', is het zelfs zo dat hij als socialist nog tegen de Bolsjevisten heeft gevochten. Na de nederlaag heeft hij Rusland verlaten door te doen alsof hij een been was verloren. Daarvoor paste hij de bekende truuk toe van zijn onderbeen aan zijn bovenbeen vast te binden en dat dan onder een grote mantel te verbergen."
BOKSEN
"In Roemenië maakte ikzelf op driejarige leeftijd mijn debuut op de scène in de operette 'Pericola'. Een jaar later speelde ik reeds piano. Toen ik een jaar of tien was, maakte ik deel uit van een jeugdorkestje met nog twee oudere jongens van een jaar of vijftien. Daarmee trokken we naar Hongarije, waar we een pistool vonden, want dat was in 1957, vlak na de opstand. Dat pistool hebben we dan meegebracht en we oefenden stiekem in de garage van mijn ouders."
"Omdat we echter geen patronen hadden, ben ik lid geworden van een club van de Pioniers, de jeugdafdeling van de Communistische Partij. Elk lid ontving immers vijf cartouches. Daarvan schoot ik er één middenin de roos en de vier andere verborg ik in mijn zak, om ze mee te nemen voor mijn vrienden. De trainer vroeg zich af hoe dat nu mogelijk was: één kogel schiet je recht in de roos en de andere schiet je er zo ver naast dat we ze zelfs niet kunnen terugvinden!"
"Op een dag werden we dan toch betrapt door de politie en moesten we een kleine geldboete betalen. Maar ik ben wel lid gebleven van die club. Nadien ben ik overgegaan naar een militaire ploeg, want dat was de enige manier om in Roemenië deze sport te kunnen beoefenen. Tegelijkertijd deed ik mijn ingangsexamen voor het conservatorium. Ik had goede punten voor zingen, maar merkwaardig genoeg kreeg ik onvoldoende voor mijn kennis van het Roemeens. Dan ben ik maar in het leger gegaan."
"Na mijn legerdienst heb ik me ingeschreven voor een theater- en filmopleiding. Terwijl ik studeerde, beoefende ik ook nog andere sporten. Roeien b.v., meer bepaald de vier zonder stuurman. Hierin heb ik ook nog een nationale titel bij de juniors behaald. En boksen heb ik ook nog gedaan, zoals je nog aan mijn gezicht kunt zien. Na twee jaar moest ik daarmee dan ook stoppen op last van mijn toneelleraar. Hoe wil je nu ooit een filmvedette worden als je je gezicht tot moes laat slaan? zei hij. Maar let op, hé, ik won ook wel eens wedstrijden!"
Ronny De Schepper
Labels:
Ceaucescu,
Marcel Rosca,
Nadia Comaneci,
Securitate
Abonneren op:
Posts (Atom)